is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 44, 05-08-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gedicht

Ik weet mij deel van eindeloze sferen, Een knop in 't eeuwig bloeiend bos, Die zich ontvouwende tot God zou [zou willen keren Maar 't aardse leed laat mij niet los.

Ik voelde God in zachte zomernachten En werd mij 't eeuwig zijn bewust; Een stem sprak diep in mij en wekte [wondre krachten Maar 't aardse leed liet mij geen rust.

Gods gouden wezen bloeit in [mensengeesten Verdroomd in komend liefdeland. Ik kan niet zorgloos lachen als die [onbevreesden Als 'k ogen zie waar leed in brandt. . .

JAAP VAN STRATEN.

De vrouw in het gezin

Dat nog altijd het allergrootste deel der vrouwen in de kleine huiselijke kring werkzaam is, is een feit, dat door velen als vanzelfsprekend wordt aanvaard, door anderen wordt toegejuicht en door de meeste elders werkende vrouwen wordt onderschat. We weten, dat de huishoudelijke beroepen doorgaans de specifiek vrouwelijke worden genoemd en dat onze regering er op uit is steeds meer de meisjes en vrouwen uit het grote maatschappelijke arbeidsproces terug te dringen naar de plaats, waar ze om met ex-minister Romme te spreken naar natuurlijk bestel thuis horen. Dat het niet aan de overheid is om uit te maken wat de bestemming van de mens, van den man èn de vrouw, is, behoeft in dit blad wel niet te worden aangetoond. Elk mens kan slechts zelf en dikwijls na grote innerlijke strijd en onzekerheid —. tot het inzicht komen welke zijn bestemming is. Zomin als er van de bestemming van den man gesproken kan worden, zomin valt objectief uit te maken wat de taak van de vrouw is. Het antwoord op de vraag waar iemands levenstaak ligt, is uitsluitend en alleen te geven door de betreffende persoon zelf.

Ongetwijfeld zullen de meeste jonge vrouwen, als de mogelijkheden er zijn en de omstandigheden het toelaten, een huwelijk verkiezen. Dit betekent echter nog geenszins, dat hun beroepsaanleg in de richting der huishoudelijke vakken of der opvoeding gaat. Wie zich zo objectief mogelijk in het leven van getrouwde vrouwen heeft trachten in te leven en niet alleen van intellectuelen weet voor altijd, dat dit te menen een schromelijke vergissing is. Er zijn talloze vrouwen getrouwd en met overgave die van aanleg geen echte huisvrouw zijn, zoals er ook vele moeders zijn, die elke werkelijke paedagogische belangstelling missen. Waarom zouden anders zovele vrouwen, die het financieel kunnen doen, haar huishouding en haar kinderen aan anderen overlaten? Op deze vraag het antwoord „gemakzucht” geven, is zich er af maken. Dikwijls toch spant dit soort vrouwen zich op ander gebied wel degelijk in. (Helaas kennen velen geen andere mogelijkheden en gaan daardoor behoren tot het leger nietsdoende, kletsende, stadtende of bridgende stadsme vrouwen.)

Natuurlijk zijn er heel veel vrouwen, die wél met hart en ziel opgaan in huishouding en opvoeding. Maar het is nog een open vraag welk soort in onze tijd de meerderheid vormt.

En om op die „vrouwelijke” beroepen terug te komen, uit het feit, dat er grote, misschien zelfs wezenlijke verschillen tussen man en vrouw bestaan, volgt zeker, dat bepaalde beroepen meer in de lijn van de vrouw, andere meer in de iijn van den man liggen.

Maar laten we ons niet laten verleiden om in een tijd, waarin nog zo weinig over die verschillen bekend is, reeds uit te willen

maken welke beroepen typisch mannelijk, welke specifiek vrouwelijk zijn. Het is wijzer voorlopig slechts zo objectief mogelijk het leven gade te slaan.

Wanneer we ons met dit doel voor ogen af vragen waarom dan toch altijd nog de meeste-vróuwen in het huiselijk milieu werken (in een volgend artikel spreken we over de andere groep), dan is het eerste antwoord daarop: uit noodzaak. De vrouw, die trouwt en geen groot inkomen te verteren heeft, is wel genoodzaakt zelf in huis te werken. Ook voor vele meisjes is het werken als oudste dochter, dienstmeisje of huishoudster noodzaak, evenals het dat is voor de vele getrouwde schoonmaaksters. Toch blijft er zeker een aantal vrouwen over, dat het huishoudelijk beroep vrijwillig kiest, of dat zich heel gelukkig voelt bij het werken in eigen huis. Dit wordt ongetwijfeld mede veroorzaakt door het feit, dat in het algemeen de vrouw zich meer tot het kleine, rustige, besloten milieu voelt aangetrokken en in haar werk persoonlijke verhoudingen nauwelijks ontberen kan. De man daarentegen vraagt meer naar expansie, naar avontuur, naar het wijde. Toch is hierin al veel gewijzigd door de veranderende meisjesopvoeding. Wie tegen een modern meisje zou zeggen dat alleen de man de lust tot het avontuur kent, zou verbaasd zijn over haar reactie. Dat het kleine, beslotene echter nog altijd voor velen bekoring heeft, blijkt uit het feit, dat de meeste huisvrouwen zich volkomen opsluiten in eigen kleine kring en voor zover niet daartoe gedwongen door de omstandigheden het contact met de grote maatschappij afsnijden. Persoonlijk heeft men er geen behoefte aan en sociaal acht men zich (als men daar al over denkt) verantwoord door het verrichten van de huiselijke taak. Hoe dikwijls hoort men niet: wij behoren de inspirerende kracht van man en kinderen te zijn en om dat te kunnen, moeten we ons ver houden van het woelige maatschappelijke

leven. Ons daarmee bemoeien, zou tijd- en krachtsverspilling zijn. Van anderen hoort men: ik bemoei me niet met de maatschappij, d.w.z. met de politiek, want wat daar gebeurt is alles onwezenlijk.

lets waars schuilt in beide zienswijzen en tóch moeten we ze bestrijden. Om met de laatste te beginnen: natuurlijk is er in veel huidige politiek veel onwezenlijks, maar dat er politiek bedreven wordt dat men zich, m.a.w., bemoeit met de leiding en de organisatie van het maatschappelijk leven is noodzakelijk in iedere samenleving. Dit „vuile” werk alleen aan den man overlaten, is onrechtvaardig en onverstandig. ledere vrouw, die zich wel in het grote maatschappelijke leven begeven heeft, weet hoe dringend noodzakelijk juist daar de vrouwelijke invloed is.

De andere opmerking, dat men als vrouw de inspirerende en niet de daad-scheppende factor moet zijn, vraagt om aanvulling, al is dit zeker voor sommigen de taak, het is het niet voor allen. Maar dan nog: denkt men iemand, die dagelijks zijn leven in de grote wirwar van het maatschappelijk leven doorbrengt, beter te kunnen inspireren en bijstaan, door niets van dat leven af te weten?

Denkt men een geestelijk levend mens te kunnen blijven, zonder actief deel te nemen aan het botsende, kolkende maatschappelijk leven van onze tijd? Maatschappelijk leven is voorwaarde voor geestelijk leven: geestelijk leven doordringt omgekeerd het maatschappelijke. Zich afsluiten voor de maatschappij betekent onvermijdelijk zich afsluiten voor belangrijke gedeelten van het geestelijke leven, Wddr de vrouw haar taak en haar bestemming ook heeft gevonden, ze zal een geestelijk levend mens moeten zijn. Dat betekent, dat de vrouw, die in kleine kring werkt, het contact met de grote wereld daarbuiten niet verwaarlozen mag, hoe zwaar haar de combinatie overigens ook mag vallen.

W. H. KUIN—HARTTORFF.

Het moderne mensentype en wij (II)

Een nieuw geslacht is opgestaan; een analyse van H. J. Schoeps.

E en nieuw geslacht is opgestaan, dat in geen enkel contact meer met de godsdienst staat. Mensen zijn opgestaan, die niet inzien, waarom zij zich „überhaupt” met God zullen bemoeien. Men is geneigd uit te roepen: Wat voor goede tijden waren dat, toen God geloochend werd, want met Godloochenaars kan men nog discussiëren; heden ten dage neemt men van God zelfs geen notitie meer. De huidige mensheid heeft het afgeleerd, zich de vraag naar de zin van het wereldgebeuren voor te leggen; de achtergrond der dingen interesseert haar niet meer. Verbazing heeft zij afgelegd; verbazing zou slechts het technische leven waarvan zij deel uitmaakt en waarin zij opgaat, storen. Zij is bewust de overtuiging toegedaan, dat de enkele mensenziel géén eeuwigheidswaarde heeft. Zij heeft het stadium van het atheïsme, dat tenminste den mens op Gods troon zette, achter zich gelaten; voor haar heeft geen enkele troon bestaansrecht. Voor haar heeft de enkele mens slechts waarde, inzoverre hij een gehoorzame functie in een groot mechanisch geheel weet te vervullen.

Een nieuw geslacht is opgestaan. Voor haar bestaat niet meer die spanning tussen werkelijkheid en waarheid, zijn en moeten, drift en wet, die van ónze godsdienst en önze filosofie de grond en de achtergrond was. Zij verheerlijkt met Ernst Jünger de techniek als de grote verwoester van élk geloof en als de meest besliste anti-christelijke macht, die tot nu toe is opgestaan. „De mens”, aldus zegt zij met den Duitser E. G. Wlnkler, een van Jünger’s volgelingen, „de mens is heerser naar de mate van zijn volledige onderwerping. Elk voorbehoud tegenover de volledige onderwerping vermindert de maat zijner heerschappij”. De overheersing van het menselijk leven door machine en techniek heeft voor deze generatie niets afschrikwekkends. Zij prijst de verzakelijking der mensen: „gij zijt niets, uw

volk is ailes”. Zij hunkert naar de totale mobilisatie van lijf en geest. Zij maakt zich met wellustige zelfverioochening aan vier-, vijf- of duizendj arenplannen ondergeschikt. Zij marcheert door de straten en haar gezicht is raassagezicht geworden, gelijkvormig-hard. Zij wordt anonym en in het halfduister der bioscopen hebben haar afzonderlijke gezichten zélfs geen eigen omtrek meer. Hier en in het sportstadion, waar motoren razen en renners de offerdood sterven, wordt „groter vroomheid” openbaar dan men „onder kansels aantreft”. Het is een vroomheid, die zich van geen zedelijke verantwoordelijkheid aan een hogere norm meer bewust is, doch die opzettelijk haar mensenwaarde ondergeschikt maakt aan de wil van den ene die voor de velen denkt, den leider. Wat hij wil, willen de velen: hun godsdienst is de pseudo-religie van de nationaie wil tot macht.

Een nieuwe generatie is opgestaan, die ~sterk” wil zijn inplaats van ~goed” en die alle afgronden en gevaren van het leven, ziekte, lijden, catastrofe, ooriog en dood verheugd aanvaardt als een schone proef, „hoeveel pijn een mens uit kan houden”. Zij bereidt zich voor op het doelloos feest van de oorlog-om-de-oorlog en niet voor niets vereren de alierjongsten onder haar vooral de oorlogsvliegers en hun harten kloppen sneller als zij „Lawrence of Arabia” in zijn memoires zien neerschrijven: ~Mijn toetreden tot het vliegercorps betekende hetzeifde voor mij als de gang naar het klooster voor den middeleeuwsen mens.”

Ik volgde in deze schildering van den modernen mens, op de voet het boekje van Hans Joachim Schoeps, waarop ik ook reeds in een vorig nummer van „Tijd en Taak” de aandacht mocht vestigen. Schoeps’ „Der moderne MensCh und die Verkündigung der Religionen” steit en beantwoordt de vraag: „Hoe tegenover dezulken de godsdienst te prediken en te verdedigen?”

In een volgend artikel daarover nog iets méér. JOHAN WINKLER.