is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 47, 02-09-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

#enlandsP i, III 111 ll

De vooroorlog

Het rookt en knettert en smeult al maandenlang in Europa en ieder vreest, dat het vuur niet te keren zal zijn en straks de vlammen naar alle kanten zullen uitslaan. Nog zijn we in de periode van de vooroorlog, maar bij het verschijnen van ons blad zal het hellevuur van de oorlog wel losgebroken zijn. Pogingen tot bemiddeling hebben enige tijd van uitstel gegeven; maar het lijkt welhaast onmogelijk, door een bevredigende overeenkomst de ramp nog te voorkomen. Er gebeurt in de internationale politiek nog veel in het verborgen en er is daarin ook veel, dat het licht niet kan zien. Bovendien is Hitler even onberekenbaar als machtig. Het is nog mogelijk, dat hij tenslotte voor een regeling te vinden is, die ook voor Polen niet geheel onaannemelijk zal zijn, al zal het wel een offer voor de wereldvrede moeten brengen. Maar in deze tijd is het geraden, binnen de grenzen te blijven en in deze Kroniek moet ik mij daaraan stipt houden.

We hoorden een ouwe juffrouw in de trein zuchten: Gut, wat is het heet en dan in die toestand! Ze was overtuigd, dat wij allen met „die toestand” op de hoogte zouden zijn en wel geen nadere uitlegging nodig hadden. Daarna sprak ze boze woorden over een zekeren „hij”, onbewust van het strafbare feit van belediging van het hoofd van een bevriende staat, maar ze was ook overtuigd, dat we wel begrepen, wie die „hij” was. Ik mag haar hier ook niet op voorzichtige wijze volgen; want ik zou dan weer onze grenzen moeten overschrijden. Maar we kunnen „die toestand” ook binnenlands bekijken. Dan valt ons op een grote kalmte en gelatenheid. De oorlog zou een plotselinge bliksemoorlog worden, maar heeft zich al lang door gerommel in de verte en het aanzwellen van donkere buien aangekondigd. Er ia bij ons hele volk het besef: Wij kunnen niet anders en moeten alles doen, om ons te verweren, als dit nodig is. Er was in T4 meer angst en ongerustheid; wat toen voor de meesten een moeten was, waaraan men zich niet kon onttrekken, is thans voor velen meer een willen, al bleef men natuurlijk liever thuis en bij zijn werk. Ongehoorzaamheid aan het bevel der voormobilisatie bleef dan ook uit. Onder de geweidstyrannie, die thans over de wereld heerst, is bij verreweg de meesten de overtuiging, dat geweld alleen met geweld te keren en vrijheid en zelfstandigheid alleen met geweld te behouden zijn. Dat vuur niet met vuur geblust en de vrede niet door oorlog gediend kan worden, heeft de oorlog van T4 tot T8 wel geleerd en toch is die dwaling thans weer heel sterk.

Nood brengt tot elkaar en maakt de volkseenheid dieper bewust. Maar de nationale gedachte, door het gevaar versterkt, kan niet de wezenlijke verschillen in de natie uitwissen. Wij hoorden van een rijk gezin uit een onzer grote steden, dat op een onzer waddeneilanden een groot, geriefelijk huis had laten bouwen, waar het veilig zou zijn. Dat eilandje zou niet gebombardeerd worden, maar wel de grote steden en de bewoners van de blokken arbeiderswoningen van drie en vier verdiepingen lopen daar het grootste gevaar. Komt er door oorlog voedselgebrek, dan worden leven en gezondheid der armen daardoor zeker meer bedreigd dan van de rijken. Dat besef van eenheid onder gemeenschappelijk gevaar heeft zeker enige vooraanstaande soc.-democraten onzer hoofdstad ertoe gebracht, om partijgenoten en modern-georganiseerden op te wekken, hun diensten aan den commandant der Vrijw. Burgerwacht aan te bieden, „ter voorziening in bewakings- en dergelijke

diensten”. Bij het lezen van die opwekking zet men toch grote ogen op. Is de Burgerwacht van karakter veranderd? Is zij niet langer een vrijwillige hulppolitie, om de overheid bij te staan tegen het revolutiegevaar; dat gevaar, dan gezien door de meest reactionaire en conservatieve ogen; kunnen soc.-democraten zich thuis voelen in een gezelschap, dat door Duymaer van Twist als makkers wordt toegesproken, is dan de tegenstand, om deze Burgerwacht uit de overheidskas subsidie te geven, een fout en vergissing geweest?

In verschillende gemeenten hebben B. en W. de verkoop van sterke dranken en ook van zwak-alcoholische dranken verboden bij de buitengewone opkomst der dienstplichtigen. Zijn er geen gelegenheden en toestanden, waarbij zulk een verbod veel dringender noodzakelijk is dan bij een gedeeltelijke of gehele mobilisatie? We denken aan Lunaparken, studentenfeesten, kermissen enz. De stemming van ons volk, ook van de militairen is in deze dagen waardig en ernstig, geen stemming, om naar een extra borrel te grijpen.

Hoe geweldig de macht der overheid in dagen van oorlogsgevaar is, blijkt ook thans weer. Ze kan den boer zijn paarden, den automobilist zijn wagen ontnemen, zij kan ieder gezin vreemde kostgangers opdwingen, ze kan in schuren en pakhuizen voorraden in beslag doen nemen, ze kan zich door belastingen een groot deel van inkomen en vermogen toe-eigenen, ze kan het eigendomsrecht zeer sterk beknotten. Men voelt dit niet als onrecht en willekeur, omdat het algemene belang ermee beoogd wordt. Maar dan moet men diepingrijpende maatregelen, die voor de vestiging ener socialistische orde noodzakelijk zullen zijn, ook niet voorstellen als diefstal, als inbreuk op heilige rechten. Die maatregelen zullen eens nodig zijn in de eindstrijd tegen het kapitalisme en daarbij zullen geen mannen opgeroepen worden, om misschien te vallen als het gras onder de scherpe zeis van den maaier. En de val van het kapitalisme zal voor het geluk der mensheid van meer waarde zijn dan de val van een machtigen, oorlogszuchtigen heerser.

Is het belachelijk of bewonderenswaardig, dat „Volkenbond en Vrede” in deze tijd, nu de wereld davert van het oorlogstuig, dat bijeengebracht wordt, wat licht door het gedonder van het oorlogsgeweld kan worden gevolgd, een prijsvraag uitschrijft voor een grondwet ener statenorganisatie, waarbij militair geweld tussen hen onderling uitgeschakeld zal zijn? In de toelichting wordt gezegd, dat de bestaande verhouding tussen de staten, voor het merendeel uit geweld ontstaan en schijnbaar slechts door geweld te handhaven of te wijzigen, een onhoudbare toestand vormen. Bewonderenswaardig is dit door het sterke geloof in de vrede.

Hoe is het toch mogelijk! Dat is het eind van alle oorlogsgedachten. De machtigen der aarde weten het nog beter dan het gewone publiek, dat een oorlog voor alle partijen verlies betekent, dat men in geen jaren te boven kan komen. Zonder de macht der zonde voorbij te zien en den mens boven mate te verheffen, mag men toch wel zeggen, dat ieder liever de ploeg drijft voor het dagelijks brood dan met een geweer te schieten en te doden en weduwen en wezen te maken.

En toch is ’t oorlog of bijna oorlog. Zou de blik in de afgrond op het laatste ogenblik nog doen terugschrikken en dan een stevige muur opbouwen, opdat het ongeluk van een val in de diepte onmogelijk worde?

Het „gematigde" socialisme

Het Roomse Kamerlid, dr. L. G. Kortenhorst, bespreekt in de „Katholieke Werkgever” de deelneming van de socialisten aan de regeringsverantwoordelijkheid. Hij maakt de juiste opmerking, dat in het sociale verenigingsleven., die samenwerking met socialisten reeds lange jaren een vanzelfsprekend verschijnsel is. In talloze colleges en commissies hebben zij samengewerkt met katholieken en volgens dr. Kortenhorst zal ieder, die van meer nabij met hen in aanraking is gekomen, zonder voorbehoud toegeven, dat zij „in de practijk meegevallen” zijn. Velen hunner zou men zelfs niet gaarne in die colleges willen missen. Dr. Kortenhorst rekent hen tot de aanhangers van het gematigde socialisme.

In de encycliek Quadragesimo Anno, waarin de Paus het sociale vraagstuk bespreekt, geeft hij ook een oordeel over het socialisme. Bijzonder duidelijk en klaar is dit niet. Verwerpt hij het socialisme in het algemeen of alleen een richting in het socialisme? Hij schijnt de mogelijkheid open te laten voor een samengaan van socialisme en christendom. Hij schrijft 0.a.:

„Meer gematigd is de tweede groep, die de naam van „socialisme” heeft behouden. Deze wil geen geweldmiddelen, en wat de klassenstrijd en de afschaffing van privaat bezit betreft, zij staat daar wel niet afwijzend, maar toch vrij wat gematigder tegenover.”

En dan volgt heel voorzichtig de erkenning, dat de afstand tussen socialisme en christendom kleiner is geworden en het eerste een zekere toenadering toont tot de waarheden, die de christelijke traditie steeds gehuldigd heeft.

„Het valt immers niet te ontkennen, dat hun wensen de rechtmatige eisen der christelijke maatschappij-hervormers somtijds sterk nabijkomen.” Wij zullen er maar niet over twisten of de christelijke maatschappij-hervormers in hun critiek op het kapitalisme en in hun sociale eisen niet tot het socialisme zijn genaderd en veel meer veranderd zijn dan de socialisten. Zeker is er ook in ons land een en ander in het socialisme veranderd. Wij bedoelen niet, dat het groter waarde toekent aan de nationale gedachte, die zij trouwens nooit ontkend heeft, noch dat het het koningschap en in het bijzonder de tegenwoordige draagster ervan aanvaardt en haar waardeert tevens; trouwens het heeft nooit strijd gevoerd tegen het koningschap. Ook niet, dat het socialisme thans heel sterk de nadruk legt op de democratie als een waarborg voor vrijheid en recht; zeer begrijpelijk in deze tijd van een sterke aan haar vijandige macht. De grote verandering in het socialisme achten wij gelegen in de geestelijke waarden, die het erkent als zijn grondslag, terwijl het vroeger meende, aan de basis van het klassebelang genoeg te hebben. Maar daarmee is het socialisme niet gematigd geworden in de zin, dat het minder ernst maakt met zijn ideaal en er minder vurig voor strijdt.

De Paus vindt het kenmerk van het gematigde socialisme gelegen in het afzien van geweld in de klassenstrijd en de strijd voor de afschaffing van het privaat-bezit. Dat dit geweld nooit aangeprezen is door sociaiisten, zullen wij niet beweren; maar dit gebeurde dan in strijd met tactiek en beginsel van het socialisme. Niet met de wapenen der barbaren gold ook vroeger van de sociale strijd. En het pleit voor het socialisme, steeds klaarder ingezien te hebben, dat het met geweld zijn ideaal niet dient noch zal bereiken. Dit betekent niet, dat het zijn eisen gematigd heeft.

Indien bij de regeringen dit inzicht van het ondoelmatige en verderfelijke van het geweld dieper ware doordrongen, zou de wereld vrij wat rustiger en gelukkiger zijn, dan thans het geval is. J- A. BRUINS.