is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 48, 09-09-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BUITENLANDSE KRONIEK

Oorlogsnacht

Die nacht van Zondag op Maandag had zich een teder zwijgen over ons land gespreid. Het was ver na het middernachtelijk uur, wanneer zelfs in een grote stad de stilte hoorbaar wordt, dat ik een ogenblik bleef staan luisteren.

Boven zag een bleke maan triest door een dunne sluier van stU-hangende wolken. Dan sloeg er een klok, en meerdere volgden; zelfs uit de verre binnenstad klonk een carillon. Vertrouwde, kalmerende klanken. Weldadige vrede

Ditmaal behoefden mijn gedachten geen verre vlucht; niet zelfs naar het arme Polen. Veel dichterbij was het vlijmend contrast. Die nacht, wij wisten het maar al te goed, waren boven ons land, hoog boven die ijle wolken, vliegtuigen voorbijgevlogen. Van menig vreedzaam dorpstorentje waren seinen uitgezonden; „zwaar motorgeronk op grote hoogte waargenomen, verdwijnend van west naar oost ”

Die nacht was er lucht-alarm in Londen geweest. Ditmaal was het nog geen „ernst.” Maar voor deze eerste oorlogsnacht was het genoeg. Vanaf die nacht wist ik, dat achter de vreedzame stilte, achter het wolkendek, achter het weemoedige licht van een versluierende maan gevaar loert. Oorlog

Er buii-en?

Deze eerste dag heeft de oorlog anders nog zoveel onwezenlijks voor ons. Zeker, wij beseffen, dat in Polen de realiteit tastbaar wreed genoeg is. Maar in onze menselijke beperktheid, in de begrensdheid van ons medegevoelen, was het verschil tussen hetgeen daar in Polen voorviel en wat in Abessinië, Spanje en China voorafging, toch eigenlijk slechts gradueel. Zelfs op die Vrijdagmorgen, dat het geweld tegen Polen werd ontketend, was er voor ons gevoel wat ons verstand ons ook zeggen mocht nog altijd niet dè oorlog.

Thans is het anders geworden. En al is er deze dag, de eerste van een week, die voor ons in een vreselijk duister ligt, nog een wachten, een leegte tussen woord en daad, met de volle zwaarte der onontkoombaarheid komen thans de gebeurtenissen, de tragische en de opwindende, de daden der bezetenheid, op ons af. De dijk is gebroken; de elementen hebben vrij spel; wij mogen slechts hopen, dat wij-zelf. wat het lot ook brengen moge, niet van de ankers worden losgeslagen.

Bij menigeen zal zich de vraag voordoen, of temidden van de chaos, die thans in wording is, ons leven en werken nog zin heeft. Of thans toch niet aUes aan blind toeval en aan een uiteindelijke ondergang is overgeleverd. Wij kunnen ons die stemming begrijpen. De oorlog is zinneloos en hij is dat gebleven, ook tegen de macht der kwaadwilligheid, die hem heeft opgeroepen. Laat ons dat altijd bedenken, ook al zal ons menselijk tekort telkens in ons illusies oproepen.

Wanneer deze oorlog tegen fascistische euvelmoed en machtswaan nog iets goeds overlaat, ja misschien zelfs de hoop wekt op een herstel van een uitgebreider vrijheid, dan valt te bedenken, dat hierover de machtsverhoudingen slechts ten dele beslissen, maar dat de kracht en de trouw der beginselen in laatste üistantie het resultaat bepalen. Daarom is het ook voor ons geen tijd om ons terug te trekken, maar veeleer zolang er enige kans is, dat aan de stem van redelijkheid en menselijkheid gehoor wordt verleend, onze plicht als mede-mens te vervullen. Hoever die plichten gaan, kan in laatste instantie slechts ieder voor zich beoordelen, maar er is geen groter lafheid dan de vlucht uit de verantwoordelijkheid, die ons aUen voor het lot van ons en onze medemensen is opgelegd.

Daarom staan ook wij niet buiten de oorlog, al zouden de elkaar bestrijdende mogendheden ons er, om welke reden dan ook, buiten willen laten. Integendeel, zolang wij aan het eigenlijke oorlogsgeweld ontsnappen, ligt bij ons de mogelijkheid, maar ook de dure plicht, ai onze kracht te wijden aan het behoud van de hoge goederen, die in vrede ons gewerden en die alleen bij een nieuwe wereldvrede weer kunnen gedijen.

Neutraal

Ik geloof niet, dat het onze taak is, als zedemeesters van de wereld op te treden. Zeker, het is verieidelijk, een schaal van aansprakelijkheden op te stellen. Maar het zou onbescheiden en nutteloos zijn. Dat ontneemt ons niet de plicht, openlijk ons oordeei uit te spreken, waar dat ooit in twijfel mocht worden getrokken. Wat mij betreft, zal de neutraliteit, die onze positie ons oplegt, zoals de Amerikaanse president terecht verklaarde, nimmer het gevoelen en het oordeel kunnen beïnvloeden. Niemand zal ontkennen, dat aan alle kanten misgrepen zijn voorgekomen, laakbare verzuimen en misschien ook wel duistere intriges. Maar de brutale oorlogswil, de onloochenbare geweldsdrift heeft zich nog nimmer zo duidelijk overwegend aan één kant gemanifesteerd als in dit conflict. Hierin zou een „neutraal” oordeel de objectiviteit, voorzover zij in ons menselijk onderscheidingsvermogen aanwezig is, tekort doen.

Onmiddellijk na een veroordeling der gewelddadigheid hebben wij de plicht te onderscheiden tussen volk en heersers. Het Duitse volk, enkele omvangrijke groepen, misschien zelfs hele, jammerlijk misleide, generaties uitgezonderd, heeft dit niet gewild. Deels wellicht uit angst, zonder meer. Wij hopen en geloven nog altijd: deels ook uit andere, hogere motieven.

Nog eind vorige week luisterden wij naar een Nieuw-Zeelander, die een reis door Duitsland had gemaakt en in persoonlijk contact niets dan welwiilendheid van Duitse particulieren had ondervonden. Toen hij naar Engeland vertrok, stonden Duitse vrienden op het perron, die hem verzekerden, dat hij over een week natuurlijk weer terug zou komen. Zij hebben hem hartelijk nagewuifd, maar binnen die week was elk contact tussen Londen en Berlijn verbroken en was ook zelfs het verre Nieuw-Zeeland met Duitsland in een oorlog gewikkeld.

Arm misleid volk, dat pas de ogen opengingen, toen de distributiekaarten werden thuisbezorgd. Dat tot het laatst toe de geraffineerde radio-uitzendingen leverden het bewijs volkomen in het onzekere werd gelaten over de houding, die Engeland en Frankrijk aannamen en krachtens hun bondgenootschap met Polen moesten aannemen. Nog Zaterdagavond deelde de Duitse radio mede, dat Lord Hsilifax op iets wachtte, om een verklaring in het Hogerhuis te kunnen afleggen. Maar dat dit „iets” het antwoord van Duitsland was op het laatste onderhandelingsaanbod, door Engeland aan Hltler gedaan, werd angstvallig verzwegen.

Welk een zwakheid, welk een onzekerheid ligt er in een dergelijke misleiding van het eigen volk opgesloten! En die innerlijke zwakheid wordt dan gecompenseerd met verhalen van Duitse bombardeurs voor de radio, hoe zij Krakau onder vuur namen „natuurlijk niet de stad, van zelfsprekend niet, maar de luchthaven ....” Die dag was de oogst van de moderne luchtridders onder de Poolse bevolking reeds tot 1500 doden en gewonden gestegen.

Arm Polen. Maar ook arm Duits volk!

Ideologie

Het is jammer, dat de westerse politieke leiders, die thans zo scherp een onderscheid tussen het Duitse volk en zijn leiding

weten te maken, en die thans feller tegen het „Hitlerisme” tekeer gaan, dan de bitterste anti-fascistische demagoog, niet eerder deze scheiding hebben toegepast.

Wij onderschatten stellig niet de moeilijkheid om in volle vredestijd hoe on wezenlijk die vrede dan ook in vele opzichten was tussen volk en regering onderscheid te maken. Maar wij herinneren ons maar al te zeer, hoe Chamberlam in het Engelse Lagerhuis, toen het om de bescherming van hét Spaanse volk tegen buitenlandse indringers en hun handlangers ging, de Arbeidersoppositie verweet, landsbelang, internationaal recht en ~partijzucht” te vermengen. De harde feiten hebben de Engelse regeerders thans gedwongen, het ideologische element in de tegenstellingen naar voren te schuiven, dat zij tot dusver hardnekkig hadden geloochend. Maar al te vaak hebben zij voorheen, terecht of ten onrechte, de indruk gewekt, uit eigen vooroordeel, sociaal of anderszins gebonden, het fascistische regiem tegen zijn eigen noodlottige gevolgen te beschermen. En het kan ons niet anders dan met verbittering vervullen te weten, dat tot het laatst toe fascistische geweldenaars hun materialen uit de ~democratische” landen vrij konden betrekken. Zelfs nu zijn wij er niet zeker van, of de hausse, die het oorlogsnieuws op de internationale beurzen teweeg bracht, voortspruit uit speculaties op oorlogswinsten in de bedreigde en aangevallen landen alléén.

Zoals wij nog Zaterdagavond ontsteld waren over de wijze, waarop zowel van Franse als van Engelse zijde de „vredespogingen” van Musoslini in de hoogte werden gestoken, alsof niet aan ieder bekend kon zijn, dat hier hetzij een uiterste intrige van de „as”, hetzij een evengoed minderwaardig verraad van den „partner” in het wrede spel aan de orde was. Zolang de Ohamberlains en Bonnets nog illusies en zelfs gevaarlijker gevoelens ten aanzien van den Italiaansen dictator betonen, heeft hun strijd tegen de „fascistische geweldenarij” voor ons een valse klank; ook al zien wij niet voorbij aan de eisen, die de diplomatie nu eenmaal stelt en waartoe zij ook de beste geesten kan verlagen.

Toekomst

Het is onmogelijk, .ook maar bij benadering te voorzien, waarheen dit alles leiden zal en hoelang deze beproeving zal duren.

Wij zijn menselijk genoeg, om de hoop te koesteren, dat de worsteling van korte duur zal zijn, en de uitslag zeker te wanen. Ongetwijfeld is een land, dat de oorlog met broodkaarten moet beginnen, zoals indertijd één van zijn eigen knappe deskundigen zelf heeft gewaarschuwd, slecht op een zware crisis voorbereid. En over de morele reserves van het huidige Duitse volk, hoe stellig de oorlog zelf de mensen ook in de aanvang opeen zal jagen en hoezeer de openings-successen de stemming zullen opvoeren, behoeven wij niet lang uit te wijden. Die zijn vrijwel stelselmatig verwoest.

Maar daarin ligt tevens de bedreiging met een wanhopige wUdheid opgesloten, die ook voor ons zijn gevolgen kan hebben. Die ons met zulk een diepe bezorgdheid vervullen moet.

Wij hebben het pacifisme, dat niemand onzer ook thans verloochenen mag, nimmer opgevat als verenigbaar met enig defaitisme. Een waarschuwing, zich te hoeden voor contact met elementen, die in het pacifisme een volksverzwakkend en daaróm bevorderlijk element zien, is in het licht van de ervaringen, in de wereldoorlog en ook zeer onlangs in Engeland opgedaan, niet misplaatst. Ook wanneer wij weinig vertrouwen hebben in enige afloop van een worsteling met de wapenen der barbaren, dan blijft desondanks trouw aan de goederen, die op het spel staan, ook in de gebrekkige vorm van heden, als „democratie” en „nationale vrijheid”, ons een plicht.

Evenals in 1914 zijn ook thans, zoals toen de Engelse minister van Buitenlandse Zaken, Sir Edward Grey het zelde, „de lichten in Europa gedoofd.” Laat ons, wat er aan licht in ons zelf leeft, ondanks alles trachten brandende te houden. B. W. SCHAPER.