is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 49, 16-09-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IJit de kerkelijke wereld

Geen spoor san Cliristeiidom ?

Een Indrukwekkend relaas geeft ~Katholieke Documentatie” over de opvoeding der Katholieke jeugd in Duitsland. In 1933 waren er 18.000 R.K. scholen. Onmiddellijk na de komst van het Hitler-régime werd de strijd daartegen aangebonden. Protesten van de bisschoppen bleven onbeantwoord. Het concordaat, gesloten tussen Hitler en de H. Stoel, gaf slechts een ogenblik hoop: duizenden keren werden de bepalingen van het concordaat met voeten getreden. Thans zijn er hoogstens nog enige honderden R.K. scholen.

Wij weten deze dingen. Wij weten ook, in welke geest de jongeren worden opgevoed. Zij ademen het klimaat van het nieuwe heidendom. Woede van vaders, tranen van moeders, gebeden van beiden veranderen daaraan niets.

„Wanneer dit systeem”, zo besluit de correspondent zijn artikel, „nog dertig jaar aan het bewind blijft, is er geen spoor van Christendom meer te bekennen in Centraal Europa”.

Op dit laatste woord willen wij de aandacht vestigen. Het is een woord, dat ook ons beklemt, en toch verzet wekt. De droefheid der Katholieken is ongetwijfeld oprecht. Wij herkennen in hun klachten de onze. Deze tijden maken vaak onze ogen scherper voor verbondenheden, die wij tevoren ons niet bewust waren. Als dus een Katholiek zo spreekt, dan bedwingen wij onze lust tot wraakzuchtig gedisputeer. Dan zwijgen wij over de schuldvraag. Ook al, omdat het bekende gezegde van boter op het hoofd, waarmee wij niet in de zon moeten staan, ons te binnen schiet.

Maar nu dit ene. Zou het waar zijn: geen spoor meer van Christendom over 30 jaar? Waarom? Omdat de kerken haar functies niet meer naar behoren kunnen uitvoeren? Is in dertig jaren de vorming van duizend jaren teniet te doen? Steunt het Christendom alleen maar op de opvoeding der jeugd?

Wij kunnen toegeven: het is belangrijk, dat de jeugd niet vergiftigd wordt. De diepe afkeer tegen het nationaal-socialisme is voor een deel gelegen in de zorg voor onze kinderen. Maar ondanks dat, en hier beseffen wij niet-rooms te zijn en ook niet te willen zijn, hebben wij een vast vertrouwen in de tegenkrachten, die het fascisme moet oproepen. Deze tegenkrachten zullen niet vragen naar instituten: niet naar doop en vormsel. Maar zij zullen vragen naar een helder en verlossend antwoord op de verontrustende vragen, die in de spanning der situatie naar boven komen. Het antwoord van Gods liefde.

Wij begeren geen catacombenchristendom. Wij houden het voor valse romantiek, wanneer wij er zelfs maar over .spreken. Wij weten slechts te leven uit een waarheid, die des te meer waarheid wordt, naar mate zij feller verguisd wordt. Wij weigeren aan te nemen, dat die waarheid na dertig jaar niet meer gekend zal worden. Er ligt troost in, thans heel zeker te weten, dat God niet afwezig is. Ondanks mensen.

De Moiidsto|>|>cr

Hoe staat het met de rijkdom der kerken? Fabels doen de ronde, en ingewijden weten, dat zij veelal niet waar zijn. Geen kerkgenootschap, noch rooms, noch protestants is zo rijk als de volksverbeelding wil, al zijn er sommige speciale gevallen, waar men van overdadige gesitueerdheid mag spreken. Niet steeds ten voordeel der bezittende gemeenten en kerken.

Toch is het wel duidelijk, waardoor deze fabels in de wereld komen. Vooral wat betreft de Roomse kerk. Liturgisch als zij is, zal zij immers veel gebruiksvoorwerpen hebben. Vele gelovigen hebben vroeger en nu deze voorwerpen, die de eeuwen moesten trotseren, in goud en zilver verschaft. Zoals men een trouwring niet van vergankelijk koper, maar van onverslijtbaar goud kiest. Dat hier de grens van het betamelijke wel eens is overschreden en de soberheid niet in acht werd genomen.

zij grif toegegeven. Soms heeft men de menselijke gulheid al te zeer tot in verre nageslachten willen laten blinken. Maar dat maakt de kerken niet rijk. Wij zullen, waar van de macht der kerken gesproken wordt, niet aan haar bezittingen mogen denken. Zo zij macht heeft, ligt het aan iets anders.

Toch is het geen wonder, dat in het „Schild”, een inzender in de vragenbus deze vraag, hem door een niet-Katholiek gesteld, doorgeeft: hoe is de rijkdom van de kerk te rijmen met Jezus’ gebod aan de rijke jongeling, om alles te verkopen wat hij had. Kunnen, zo had de protestant gevraagd, de gelden voor de sieraden en bloemen niet beter gebruikt worden voor zieken? Deze vraag legt hij nu den redacteur voor.

Persoonlijk zou ik willen antwoorden, dat men beide kan doen. Ik dacht de tegenstelling tussen geld voor de armen en geld voor mooie gebouwen onjuist. Onze samenleving zou verarmen, als wij geen schoonheid meer zouden vóórtbrengen. En ons geloof zou arm blijken, als wij alleen maar voor mensen-in-nood, en niet tevens voor de inrichting van de plaatsen der samenkomst zorgden.

Hoor nu echter, wat pater Otten, de bekende K.R.0.-spreker, antwoordt: „Zeg uw nietkatholieken vrager zo langs de neus weg eens even: waar vindt men bij u de vrijwillige armoede? Bij ons hebben wij ze nog in onze kloosters, maar waar is ze bij u? Dat zal dikwijls al een goede mondstopper zijn”.

Ziedaar, hoe van achter de zoete zinnen van redelijk overleg en van schijnbare openheid een stuk katholieke polemiek naar voren dringt. Het gaat hem om de mondstopper. En dan door middel van een jij-bakkerij, die men slechts bij schooljongens van de lastigste leeftijd tolereert. Maar het is bovendien geen mondstopper. Immers waar kent men bij nietkatholieken de vrijwiilige armoede? Neen, inderdaad, niet in de kloosters. Vrijwillige armoede is voor protestanten geen systeem en maakt evenmin aanspraak op erkenning. Maar er bestaat een stuk vrijwillige armoede in het protestantisme. Wij zullen het alleen leren kennen, als wij diep in de levens doordringen. Kiesheid weerhoudt ons hier of elders namen te noemen. Maar wij weten van intens sober levende mensen, die verlangen daarmede te tonen, dat zij zich niet door de ~wereld” laten knechten, om voor de naaste iets te kunnen zijn. Neen, wij hebben geen kloosters. Maar wij kennen wel de levens van vrijwillige ontbering, die ons voorgaan en manen. Dat weten wij, en daarom laten wij ons niet de mond stoppen.

lels OTer de Ortliofloxe Kerk

Over het wezen van het Rooms-Katholicisme, aldus prof. Mulert in ~Die Christliche Welt”, weten wij protestanten veelal te weinig. Meer nog geldt dit van de kerken van het Oosten. Van Rusland over de Balkanlanden tot Egypte en Abessinië strekt zich een groep van de Christenheid uit, die thans echter numeriek moeilijk te schatten is, omdat haar sterkste lid, de Russische Kerk uit het openbare leven verdrongen is. Maar ook indien men een groot deel van het Russische volk ontkerstend acht, dan omvat toch nog de Oosterse Christenheid meer dan 150 mUlioen van de 650 millioen Christenen. Haar kerk is ook thans niet zonder politieke betekenis; in Roemenië werd in 1938 de Patriarch ministerpresident, in Joegoslavië kwam wegens de tegenstand van de Oosterse kerk het concordaat met Rome niet tot stand. En zij beweert de ware christelijke traditie te hebben vastgehouden, waarvan het ganse westen, roomskatholieken zowel als protestanten zouden zijn. vervreemd. (Het meest verwant acht zij de Engelse Kerk). Daarom noemt zij zich orthodox (rechtgelovig), of, voluit: orthodoxe katholieke apostolische kerk. Dus niet Grieks-Katholiek! Wel is waar pleegt de Patriarch van Constantinopel een Griek te zijn, maar hij heeft in de Oosterse kerk slechts een erevoorrang; hij en het Griekse element heeft

hier niet zulk een voorname plaats gekregen als de Paus en het Romeinse element in de Westers-katholieke kerk. „Grieks-Katholiek” was in het oude Oostenrij k-Hongarije veeleer de benaming van de met de roomse kerk dooreen unie verbonden Oosterse christenen. De pausen hebben n.l. bij herhaling gepoogd. Oosterse christenen voor zich te winnen, en lieten hun hun kerktaal en kerkeiijke gebruiken. Noemenswaard succes heeft Rome daarmee slechts gehad bij Oekraïners in Galicië en Roemeniërs in Zevenburgen.

ProG Tan Nourik Broekman OTer

de Oxford-beTreging

Hier volgt een samenvatting van wat Prof. Broekman in „Theologie en Practijk” van Sept. j.l. over de Oxford-Beweging schrijft. In haar voordeel acht hij:

a) Zij is een lekenbeweging, waardoor het godsdienstig leven, los van kerkelijke en dogmatische termen, op voor leken verstaanbare wijze zich kan uiten. Dit is een zegen.

b) Er heerst een opgewektheid en blijheid, die echt evangelisch is. Al zal voor de schaduwzijde van opperviakkigheid moeten worden gewaakt.

c) Er ligt een oecumenische strekking in deze beweging. De actie voor geestelijke en morele herbewapening is er van uitgegaan.

d) Zij leidt tot kernvorming in de gemeenten.

En nu de schaduwzijde:

a) De Oxfordbeweging is geen volksbeweging, maar ontsproot aan de dusgenaamde betere standen. Proletariërs en kleine burgerij zullen een cóteriegeest bij haar duchten.

b) Is het een typisch na-oorlogsverschijnsel van een geslacht, dat zich sterk waande en nu hunkert naar herwonnen gezondheid?

c) Een Angelsaksisch simplisme en een Angelsaksische naïveteit overheerst haar. Simplisme betekent afkeer van problematiek. Naïeveteit betekent het gemakkelijk tevreden zijn, direct mooi vinden van getuigenissen.

Bovendien: schiet niet bij de emotionaliteit de redelijkheid tekort? Wordt niet al te familiaar over Gods leiding gesproken? Openheid is goed, maar een openbaar ten schouw dragen van intiem leven kan fataal werken.

d) De sterk individualistische inslag. Kan men, maatschappelijk gesproken, veel verwachten van een bekeringsbeweging, die van het begin af strikt individualistisch is geweest?

e) De bezwaren die alle sectariërs plegen aan te kleven: men wil algemeen zijn, maar zondert zich, door die neiging naar het algemene juist af.

Het komt ons voor, dat een wetenschappelijk en voorzichtig theoloog als Prof. Broekman de Oxfordbeweging op de juiste manier een spiegel voorhoudt.

Het huisbezoek

Lacht gij, lezer, of wordt gij boos? Hebt gij een stille binnenpret om de dominé, die u wel eens komt bezoeken, en na een half uur weer weggaat zonder met zijn vele woorden „iets” gezegd te hebben; of zijt gij boos, omdat gij. lidmaat van de kerk, eenvoudig vergeten wordt? Ofschoon gij misschien toch wel uw hoofdelijke omslag betaalt.

Mag ik een ogenblik over huisbezoek spreken? Misschien kan ik enig misverstand wegnemen.

Huisbezoek is niet: laten zien, dat men er is. Ja, dat willen velen. Velen willen gekend worden. Zij willen dat, wijl nu eenmaal de kerk óók een burgerlijke instelling is. Velen, en dat geldt vooral voor de dorpen, voelen zich achteruitgezet, als dominé hun deur, waaruit overigens zelden een kerkganger komt, niet binnenstapt en naar den buurman gaat. Dan ontdekken de klagers ineens, dat het niet mooi staat om vergeten te worden. Dat men van een dominé toch héél wat anders had verwacht. En als de predikant dan wel komt, dan krijgt hij thee en koekjes, en verhalen over familieverhoudingen, en omstandige uitleggingen, waarom men niet aan de kerk doet. Altijd