is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 49, 16-09-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Tuinman en de Dood

Een Perzisch Edelman

Vanmorgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik. Mijn woning in: „Heer, Heer, één ogenblik!

Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot. Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.

Ik schrok, en haastte mij langs de andre kant. Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.

Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan. Voor de avond nog bereik ik Ispahan!”

Vanmiddag lang reeds was hij heengespoed Heb ik in ’t cederpark de Dood ontmoet.

„Waarom”, zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt, „Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?”

Glimlachend antwoordt hij: „Geen dreiging was ’t. Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast.

Toen ’k ’s morgens hier nog stil aan ’t werk zag staan. Die ’k ’s avonds halen moest in Ispahan.”

P. N. VAN EYCK.

DE IDEALE COURANT

Wickham Steed besluit zijn boek over de Pers met een kort hoofdstuk over bovenstaand onderwerp. Om te voorkomen, dat men al lezende schouderophalend spreken zou van „onreëel idealisme”, zij eraan herinnerd, dat onze zegsman, die zich zelf beschrijft als een ~journalist zonder berouw”, zeventien jaar lang correspondent van de „Times” is geweest in Berlijn, Rome en Wenen, dat hij gedurende de wereldoorlog voor het buitenland uitgever was van de „Times” en later gewoon uitgever. Hij weet dus wat er te koop is in de wereld der journalistiek. Hij begint dan ook zijn opstel met de opmerking, dat het gemakkelijk is critiek te oefenen, maar dat het volbrengen zeer zwaar is.

„En ik kan mij voorstellen, dat de een of andere overwerkte journalist, die zich scherp bewust is van de beperkingen en valstrikken, waaraan hij blootstaat, uitdagend zal antwoorden: ~Schei uit met uw getheoretiseer! Wat voor een blad zoudt gij te voorschijn brengen als gij er de kans toe hadt en uw gang kondt gaan? Wat zoudt gij in de tegenwoordige omstandigheden doen om vrijheid te krijgen voor een pers, die een handelszaak is geworden?” Steed geeft toe, dat dit een eerlijke vraag zou wezen, die het niet moeilijk zou zijn theoretisch te beantwoorden. lets anders is het het antwoord met succes in practijk te brengen. Steed constateert dan, dat niet alle journalisten de slag hebben om een courant te maken Hij is er heel niet zeker van, dat hijzelf het zou kunnen. Zo was William Stead volgens hem een geniaal journalist en uitgever, maar zijn poging om een dagblad op te richten was een droevige mislukking. Hij noemt dan tal van eigenaars van nieuwsbladen onder wie rasjournalisten, die met hun nieuwsblad goede zaken maken. Onmiddellijk voegt hij eraan toe dat hij eraan twijfelt of opvallend commercieel succes het beste criterium is voor een goed nieuwsblad. ~The Westminster Gazette” b.v. kon zichzelve nooit bedruipen. En dat de ~Manchester Guardian” nooit een goudmijn geweest is voor de eigenaars, is algemeen bekend. „Ik w'eet echter geen beter blad in enig land”. Het ideaal zou zijn een nieuwsblad, in staat zichzelf te bedruipen, zonder iets van zijn integriteit op te offeren aan winst-overwegingen ~Als de meeste journalisten, die dromen dromen, vraag ik mij nu en dan af, wat voor

soort courant ik zou trachten in het leven te roepen, als ik b.v. een acht millioen gulden of meer te mijner beschikking had, om óf een eigen dagblad op te richten óf een bestaand over te nemen en dat te hervormen. Zou het bij de tegenwoordige staat van de „courantenindustrie” mogelijk zijn, dat een blad daar bovenuit kwam en de huidige voorwaarden van succes zo kon aanwenden, dat de vrijheid van de Pers er door hersteld en verzekerd zou worden? Het moest mogelijk zijn, hoewel ik onmiddellijk bereid ben toe te geven, dat daar veel groter bekwaamheid voor nodig zou zijn dan waarover ik beschikken kan.

De nood van het ogenblik kan, al of niet. den man te voorschijn roepen. Gedurende de grote oorlog was er dringende behoefte aan een opperbevelhebber van uitzonderlijke bekwaamheid of genie voor de legers der Geallieerden. Dat er geen opstond, kwam dat al of niet hieruit voort, dat de omstandigheden te ingewikkeld waren om door enig mens te worden beheerst?

In het voorjaar van 1921, een paar weken voor de honderdjarige herdenking van Napoleon’s dood, vroeg ik aan Maarschalk Foch, die meer van Napoleon wist dan wie ook van de generaals der Geallieerden, of hij dacht, dat Napoleon het beter zou gemaakt hebben als hij in zijn plaats gedurende de laatste oorlogsperiode opperbevelhebber geweest was van de legers der Geallieerden, of dat tegenover do tegenwoordige oorlogsvoering Napoleon weinig zou betekend hebben.

Foch antwoordde, dat hij dit zichzelf vaak had afgevraagd, wanneer hij gedurende de oorlog voorbij het Hotel des Invalides ging. Hij was tot de conclusie gekomen, dat Napoleon’s onuitputtelijk vermogen om zich moeite te geven, hem zou in staat gesteld hebben de huidige wijze van oorlogvoeren in ongeveer zes weken meester te zijn. „Hij zou dan”, aldus Foch, „een nieuwe handigheid, een nieuwe kunstgreep bedacht hebben: den verbaasden vijand zou hij holderdebolder verslagen hebben.”

Steed meent, dat een geniaal uitgever op dergelijke wijze zou omspringen met de ingewikkelde voorwaarden van het courantenbedrijf en dat hij zijn concurrenten van de dagbladindustrie zou verslaan vóórdat zij er achter waren hoe hij het had aangelegd. Zijn succes zou afhangen van zijn vermogen om te weten wat er omgaat in de geest van het komende geslacht, om dier gedachten onder woorden te brengen en hen daarheen te leiden waar zij

gaarne zouden heen willen als zij de weg maar wisten.

Steed wijst dan op de armoede van een jeugd zonder idealen, die niets bezit om voor te leven en als het moet voor te sterven. Hoevelen beoefenen sport als levensvulling en trachten „fit” te zijn. ~Fit waarvoor?” vroeg een kunsteriaar aan een stoeren jongen, die zich verwonderde, dat men leven kon zonder dagelijkse lichamelijke oefeningen. De man bieef het antwoord schuldig. Politiek, die toch betekenen moest zorg voor het algemeen welzijn, laat hen onverschillig. Er schijnt niets te wezen wat ze in gioed zet. Tevergeefs zoeken zij naar iets groter dan zij zeiven.

„Litteratuur en de preekstoel, politici en het Pariement, wijsgeren en mannen der weten.schap, bieden hun stenen voor brood en de groeiende mechanisatie van het leven beperkt de mogelijkheden voor scheppende werkzaamheid. De Pers nu, aldus Steed, weerkaatst al deze onsamenhangende doelloosheid en dient ze, zonder er boven te staan. Hier nu is een kans voor een persman met een ideaal dat hij kan concretiseren. Het dagblad, waarvan ik droom, zou de verstrooiingen van het moderne leven niet minder trouw weergeven dan de bestaande bladen, maar het zou ze behandelen als ontspanningen, niet ais dingen, die erop aan komen. Het zou de waarheid zoeken achter al deze schijn en haar verkondigen. Het zou daarbij noch schijnvertoon ontzien noch conventies, omdat deze nu eenmaal conventie zijn; het zou prijzen waar iof verdiend was, maar ~cant” en „humbug” zou het bij zijn naam noemen. Het zou geen vrees kennen, zich niet koest houden bij de behandeling van netelige onderwerpen en als het zich vergiste wat onvermijdelijk is —, zou het daar rond voor uitkomen. Alleen die advertenties zou het plaatsen, die het voor eerlijk hield, zodat de plaatsing voor adverteerder en lezer beide een waarborg wezen zou. Om meer abonné’s te krijgen, zou het nimmer zijn toevlucht nemen tot geschenken of welke voordelen ook. Mochten adverteerders of hun agenten trachten het om hals te brengen, dan zou het de namen bekend maken; en onbarmhartig zou het alle ondergrondse praktijken waarvan het hoorde, aan de kaak stellen. Het zou moeite noch kosten ontzien om het vertrouwen te winnen van jonge vurige geesten, die spoedig zouden ieren de uitspraken van het blad te vertrouwen en zijn raad niet in de wind te slaan. Van de eerste tot de laatste kolom zou het een strijdvaardig blad zijn, door geen „belangen” gebonden, onbekommerd om vijandschap, verzekerd, dat niemand in staat zou zijn te doen of het er niet was.”

Het spreekt van zelf, dat bij de typografische verzorging aile kunstjes zouden zijn uitgesloten.

„Mijn Ideale courant” zou al het nieuws geven, dat geschikt is om te worden gedrukt en dat zo levendig mogelijk of het met eigen staatkundige overtuiging strookte of niet. Want deze aanvaardt de feiten; zij zou geen feiten verzwijgen of beoordelen ten gunste van eigen inzicht. Mocht de redactie twijfelen of publicatie dan wel discretie het meest gewenst zou zijn, dan hebbe zij de voorkeur te geven aan publicatie. Geen regering, geen staatsman, niemand zou het steunen om andere dan publieke redenen en deze openbaar gemaakt. De dienaar zou het zijn van het publiek, aan welks welzijn alleen het trouw zweert, zonder de misleidende pluimstrijkerij, die een denkbeeldig publiek vleit en ervan uitgaat, dat ae lezers oprechtheid niet kunnen verdragen. Een trouw dienaar zegt zijn meester de waarheid.

Mijn blad zou nationaal, niet nationalistisch zijn. Het zou liberaal niet Liberaal zijn. Het zou strijden voor vrede, zonder pacifisme. Het zou duidelijk maken voor welke vitale waarden naties en mannen terecht mogen vechten en sterven, indien deze niet op andere wijze kunnen gehandhaafd blijven. Nooit zou het in de ergerlijke dwaling vervallen van te menen, dat het vermijden van conflicten hetzelfde is als vrede. Met alle macht zou het de beestachtige domheid bestrijden om door ooriog geschiller tussen voiken te beslechten. Maar nimmer zou het vergeten, dat het mensenhart met zijn