is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 50, 23-09-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

j L lllUf.llTriiiiiiiiiiniiiiiiiM:i II I lil I 1

Waarover men niet zwijgen kan

In deze Kroniek zou ik graag althans voor één keer laten rusten, waarover wij elke dag en ieder uur denken en spreken; maar het is mij niet mogelijk. Alle gedachten lopen uit op de oorlog als de stralen van een cirkel naar het ene middelpunt. Zondagmorgen is .de vredigste tijd der week. Maar in de kerk, reeds in het gebed, hoor ik het woord oorlog. Een kerkganger vraagt me bij het verlaten der kerk: Heeft u het al gehoord? De Russen zijn Polen binnengevallen. Thuis vind ik de kranten; meer dan de helft van de inhoud heeft op de oorlog betrekking; rubrieken, gewijd aan wetenschap en kunst, kerk en school, zijn lelijk in het gedrang gekomen. Er komt bezoek, een militair met verlof en verhalen over inkwartiering, dienst, veldpost, vergoeding enz. Ik ga eens na, wat ik in de Kroniek voor deze week zal bespreken en kan met de beste wil niets vinden, dat geen betrekking heeft op de oorlog.

In de middeleeuwen gebeurde het wel, dat er in het Zuiden van een groot land al enige weken duchtig gevochten werd, zonder dat men er in het Noorden iets van wist of merkte. De middelen van berichtgeving waren toen zeer gebrekkig en werkten uiterst langzaam. Daarin is een ontzaggelijke verbetering gekomen. Telegraaf en radio maken het nieuws van de uiteinden der aarde in enkele ogenblikken aan millioenen bekend. Daarbij komt nog, dat de oorlog thans veel dieper ingrijpt in ons leven dan vroeger. Wij zouden thans geen tachtig jaar oorlog kunnen voeren als onze voorouders; er zou van ons land niets overblijven dan een puinhoop en een kerkhof. De totale oorlog is totale vernietiging in korte tijd voor de zwakkere partij en voor de sterke een aderlating met een bloedverlies, dat bijna onherstelbaar is. De oorlog grijpt diep en wijd om zich heen. In mijn dorpje zijn geen militaire gebouwen of werken, zelfs geen enkele fabriek of brug als object voor het oorlogsgeweld; toch zorgt men er voor mogelijke slachtoffers van een luchtbombardement en stelt men daarvoor ledikanten beschikbaar en zal de school als hospitaal ingericht worden, wanneer dit nodig is. Het is dus zeer begrijpelijk, dat we telkens weer over de oorlog spreken. Er zijn nog twee bijzondere redenen voor.

Het verlicht ons, dit te doen, zoals het een zieke doet, zich eens uit te klagen. Dooi met begrip en meegevoel naar klachten te luisteren, verlicht men het leed. Zo gaat het ook met de klachten over de moeilijkheden en de pijnlijke vragen, die met de oorlog in verband staan. Zwijgende vrees en smart zonder tranen zijn het ergst. Kleine kinderen huilen zich uit; wij ouderen praten ons uit.

Wij spreken niet alleen om de mededeling, maar soms alleen om de deelneming. Waarom zeggen we tegen mensen, die het even goed weten als wij, dat het mooi weer is, wanneer na een tijd van regen en wind een mooie stille, zonnige dag aanbreekt.

We zeggen het niews, dat geen nieuws is, omdat we deel willen nemen in zijn vreugd en willen laten delen in onze vreugde over het mooie weer. Daarom praten we ook met wildvreemde medereizigers in trein en bus, als ten minste fatsoen en deftigheid tegen onze natuur ons het zwijgen niet opleggen. De mens is gemeenschapswezen en daarom zoeken onze gedachten, onze hoop en vrees, onze vreugde en ons leed, die van anderen als waterdruppels, die samen een streep, een plas vormen.

We hebben de vorige keer tegen de bewustzijnsverenging door de oorlog gewaarschuwd; het spreken over de oorlog bij iedere gelegen-

heid heeft echter ook zijn waarde. Het kan

ons helpen met elkaar door de duisternis van deze tijd, die ook onze geest verwart en verbijstert, heen te komen. Mond en pen vloeien over, nu het hart vol is van de allerzwaarste problemen.

Egoïsme in de nood

In de nood komt het allerlelijkste en het allermooiste der menselijke natuur naar boven.

Bij een zaalbrand vechten de mensen, om bij de deur te komen, zwakken en kleinen worden onder de voet gelopen en vertrapt; de wilde zucht tot zelfbehoud maakt vaak meer slachtoffers dan het vuur. Maar er zijn er ook, die een vrouw, een kind in hun armen nemen en door rook en vlammen heen redden en zo hun kracht gebruiken niet voor zichzelf maar voor hun naasten. Wij hebben in de oorlog van T4 vele nieuwe woorden gekregen, ook de woorden hamsteren en oorlogswinst. De regering heeft daartegen thans tijdig maatregelen genomen en in menige plaats heeft de politie ijverig meegewerkt tegen het ontduiken van die maatregelen. Men heeft er mee gespot, dat ons voor de oorlog geraden werd, voorraden te vormen van levensmiddelen, die kunnen duren om een pietsje te hamsteren, terwijl het ons thans verboden is een ietsje te kopen voor langere duur dan een week. Het eerste werd echter geraden, toen er nog geen nood was en men niet ten koste van anderen voor langer dan de gewone tijd insloeg. Thans is er echter reeds gebrek aan het nodige, de voorraden verminderen in elk geval en kunnen niet voldoende bijgevuld worden; rantsoenering en distributie zijn op komst. De prikkel, om te hamsteren, werkt echter sterker, nu de nood nabij is. Enige maanden geleden vonden velen het niet nodig, om extra hoeveelheden van dit en dat te kopen en telkens weer aan te vullen in de gedachte, dat het wel zou loslopen met het oorlogsgevaar. Het is echter lelijk vastgelopen en straks komt een tijd van allerlei kleine ontberingen en voor velen zelfs van grote nood. Als de regering niet tussen beiden gekomen was, zouden de winkels nu leeggekocht en de prijzen omhooggevlogen zijn. Het gemeenschapsgevoel is in tijden van nood bij sommigen zwak; men zorgt voor zichzelf en eigen gezin, zonder aan anderen te denken. Nog lelijker motieven dreven de mensen in T4, om als de ratten te handelen. De hamsterrat sleept voedsel in zijn nest, om de winter door te komen, vaak veel groter voorraden dan hij ook in de langste winter nodig heeft. Hij is zich daarbij niet bewust, zijn mederatten kwaad te doen, die omkomen, omdat zij niet genoeg hebben kunnen vinden en bijeenslepen. De mens laat zich echter vaak door beweegredenen leiden, waarvan de rat niet weet. De mens vormde voorraden, die hij later in de sluikhandel tegen fabelachtige prijzen verkocht. De thee werd in de vorige oorlog zo wel verkocht, tienmaal duurder, dan ze gekocht was. Een andere oorlogswinst werd door sommigen gezocht. De overvloed smaakte zoeter, naar mate het gebrek der anderen bitterder was. Het kopje thee uit de grote voorraad smaakte veel lekkerder, toen anderen zich met allerlei rare surrogaten moesten behelpen en hunkerden naar een kopje echte thee. Het moge al niet de bedoeling geweest zijn, het was wel de werking van de gehamsterde overvloed.

Wij dragen de schuld en moeten ook de nood van deze meedragen. Gebrek draagt men gemakkelijk, als men weet anderen daarmee te helpen, althans het met anderen te delen. Ook de beste wetten kunnen niet bewerken, dat de ellende, die zeker komt, ook al blijft de oorlog ons land bespaard, naar recht en billijkheid over allen verdeeld en door

allen gedragen zal worden. De stedeling krijgt er een groter portie van dan de buitenman, de arme een veel groter deel dan de rijke, ook al hamstert deze niet. Maar wettelijke maatregelen kunnen toch veel goed doen. In de N.R.Crt. verklaart een fabrikant:

„Wij hebben thans meer dan ooit vrijheid van handelen, dus handelsvrijheid nodig”. Indien de regering echter prijsopdrijving niet verboden had, zouden oude voorraden tegen veel hogere prijzen verkocht zijn en er was dadelijk een bron van vuile oorlogswinst rijkelijk gaan vloeien. „De Standaard” noemt niet elke prijsverhoging onredelijk en als prijsopdrijving af te keuren. Dat zal niemand ontkennen, maar wij achten wel verkeerd een prijsopdrijving ter dekking van schade en verliezen, die later in een zaak geleden kunnen worden. Grondstoffen zullen duurder worden, invoer zal moeilijk worden, de koopkracht zal verminderen en daarmee ook de afzet. Dat alles is mogelijk, zelfs waarschijnlijk, maar mag geen reden zijn, om thans op de goederen in voorraad buitengewone winsten te maken. De gemeenschapsgedachte beheerst niet een kapitalistische zaak, die op het maken van winst voor den ondernemer is ingesteld; zou ze nu echter wel toegepast moeten worden bij het dragen van de risico van het bedrijf en mogelijk verlies? Dat is een te eenzijdige toepassing der gemeenschapsgedachte.

Wij moeten in de tijd van nood bij en in onszelf het egoïsme zoveel mogelijk tegengaan en de overheid moet zorgen, dat de gemeenschappelijke nood zoveel mogelijk gemeenschappelijk gedragen zal worden.

Oorlog onder toezicht

Het voetbalspel, dat licht ruw wordt en tot vechtpartijen aanleiding geeft, staat onder toezicht. De speler, die gemene praktijken toepast, kan uit het veld gestuurd en zelfs voor enige tijd van deelname aan wedstrijden uitgesloten en ook de hele club kan gestraft worden. Ook in de oorlog zijn enkele regels, die niet overtreden mogen worden; het rodekruisteken moet ontzien worden, het gaswapen is bij internationale overeenkomst verboden, steden zonder militaire verdedigingsmiddelen mogen niet gebombardeerd worden, In China, Spanje, Abessynië en Polen heeft men zich aan die regels niet gehouden. De oud-president der Verenigde Staten, Hoover, stelt voor, dat uit de kleine neutrale staten, ook ons land, een commissie gevormd zal worden, om schennis vast te stellen der verplichtingen, die oorlogvoerenden op zich genomen hebben om de oorlog niet te voeren tegen onschuldige mannen, vrouwen en kinderen, In dezelfde geest is het verzoek der Nederlandse Afdeling van de Internationale Vrouwenbond voor Vrede en Vrijheid aan onze regering om te onderzoeken, of het vormen van een onzijdige commissie ter onderzoek van oorlogsgruwelen niet als een onvriendelijke daad zou worden beschouwd door een der oorlogvoerende partijen en of de regering, zo dit niet het geval is, aan de Oslostaten en Zwitserland zou willen voorstellen dit politietoezicht op zich te nemen.

De taak van zulke commissie zou heel moeilijk zijn. Het is bijna onmogelijk onpartijdige getuigen te vinden van voorvallen, die geschied zijn tijdens al de verwarring en opwinding van de oorlog. Beide partijen beschuldigen elkaar steevast wederzijds; ieder verklaart, dat de andere zich aan oorlogsgruwelen schuldig maakte. Duitsland verzekert, dat de Polen ermee begonnen zijn en dat het daarom de Poolse vrouwen en kinderen niet ontzien heeft. Het is ook niet erg waarschijnlijk, dat de oorlogvoerenden, vooral niet zij, die in het land van den vijand de krijg voeren, een commissie van toezicht zullen dulden. En wat gebeurt er, als de commissie een schuldige aan wijst? Macht om te straffen is er immers niet. Om het vonnis van het wereldgeweten geeft men in oorlogstijd en -stemming niet.

Terecht neemt de Internationale Vrouwenbond voor Vrede en Vrijheid het standpunt in, dat de enige werkelijke humanisering van de oorlog de afschaffing van de oorlog is.

Men kan de stroom van vuur en as en steen uit een krater niet dwingen om door een behoorlijke bedding te gaan en aldus zo weinig mogelijk kwaad te doen. J. A. BRUINS.