is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 50, 23-09-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I I

(Troost, troost mijn volk. Jez. 40:1.)

... .. De eerste gedachte, die rijzen kan bij het lezen van dit opschrift is, dat het rijkelijk voorbarig is reeds nu naar aans leiding van de donkere dagen, waarin wij leven, van troost te spreken met een verwijzing naar de aanhef van de schone troostredenen van de tweede Jczaïa. Het Joodse volk stond aan het eind van zijn beproevingen naar de visie van den profeet. Zegt ons nuchter begrip van de historische werkelijkheid ons niet, dat wij eerst aan de aanvang van de ellende staan, die met de oorlog over de wereld en de mensheid is heen* gebroken. Hebben wij niet juist kunnen lezen, dat de Engelse regering met een oorlogsduur van ten minste drie jaren rekent. En dan zou men van troost wil* len spreken met aanhaling van een woord van den profeet, dat onder gans andere omstandigheden en uitzichten werd gesproken? Is er niet veel meer reden om dat andere altijd wederkeren* de thema uit de profetische prediking over te nemen en daarop de volle na* druk te leggen: dat van de eis der be* kering en van het onvermijdelijke oor* deel, mdien men zich niet bekeert? Is niet heel de verschrikking dezer dagen monzer collectieve zonde en schuld, de uitkomst van onze onwil om te luisteren naar de wil van God en die te aanvaarden? En moeten wij niet met reden verwachten, dat indien daar ook nu onder het oordeel geen bekering volgt, de ellende geen einde nemen zal? O, zeker, al deze dingen zijn waar en de

bekeert u, moet nu telkens en teb kens weer gesteld. Toch heeft het zijn goede recht, ja, is het eis van barmhar? tigheid daarnaast het woord der vers troosting niet te verzuimen, nu het leven voor velen zo zwaar geworden is, ja, zwaar werd voor allen, die de nood van deze dagen met bewustheid ondergaan en daaraan lijden.

De nood dezer dagen! Wat verstaan wij eronder? Het lijden en sterven der duizenden aan de fronten en daars achter? De dreiging, die hangt over ons eigen volksbestaan, de angst en de zekerheid, de scheiding en de eenzaam* heid, heel de ellende, die door de mobili* satie werd teweeggebracht voor hen, die werden opgeroepen en hen, die achter* bleven? Zeker, dat alles verstaan wij er mee onder. Maar toch niet uitsluitend en niet in de eerste plaats, hoe zwaar dit alles ook weegt. De nood van deze tijd echter willen wij trachten nog dieper te verstaan. Ik zou hem willen omschrij* ven naar zijn diepste wezen als de zin* loosheid, waarmee ons leven door de oorlog wordt bedreigd. Want immers de zin van ons leven ligt niet in het leven zelf maar in dat, wat daar boven uit gaat en wat in en door ons leven verwerke* lijkt worden moet. De zin van ons leven ligt in zijn cultuurtaak, in wat het ver* wezenlijkt van eeuwige waarden. En daarom bedreigt oorlog ons leven, het leven met zinloosheid, omdat oorlog massale vernietiging van cultuurwerke* lijkheid en van cultuurmogelijkheid be* duidt: de cultuurcentra, die verwoest kunnen worden; de ontijdige dood van velen, die beloften droegen, die nimmer werkelijkheid zullen worden, omdat de krijg hen voordien heeft weggerukt.

lemand zei me dezer dagen, dat het hem hinderde, al die angstige zorg voor onze kunstschatten. „Zonder dat kunnen we ook nog wel leven.” Ik heb gezegd: leven wel, maar das Leben ist der Güter höchs stes nicht. Wij leven niet om te leven Het doel des levens gaat niet op en zijn bestemming wordt niet vervuld in eten, drinken, zich kleden, genieten en geluks kig zijn. Het leven is strijd om waardem verwerkelijking. En het ergste van de oorlog is, dat hij die levenszin ontkent.

En daarom kan de troost ook niet ligs gen in illusies, die wij wekken bij ons zelf en anderen (en velen zijn daar ijve* rig mee bezig): dat het misschien nog wel meevalt; dat het misschien maar kort zal duren en dat ons land er mis* schien wel buiten blijft. Het is zaak om op het ergste voorbereid te zijn en te leren de troost dier illusies te ontberen,

De enige troost kan daarom slechts zijn: het weten, dat ondanks alles het leven zijn zin behoudt, ook ondanks de oorlog, hoe lang hij dure. De grond van dit weten ligt in God, die regeert, ook nu, die almachtig is, 'ook nu, die' vol* hardt, ook nu. God, 'die niet varen laat de werken zijner handen, ook nu niet God, die blijft bouwen aan zijn Rijk en die ons roept tot de mede*arbeid. Als wij maar zijn roep verstaan en volgen en ons voegen tot die arbeid (en die arbeid is het wezen der cultuurtaak van de mens), dan hebben wij de blijvende zin van het leven, van ons leven verstaan, die vertroost over de vertwijfeling, die de gedachte aan de zinloosheid van'alle leven wekt. De diepste troost is, dat het leven door God zijn zin behoudt', ook nu in deze dagen.

J VINK

der XII

Tjof 1--1 • » i er in mense "kiXefen Thn 1 cynisme en machteloosheid vervallen; anderen komen tot enkeUn Ons bereikterenkeip nfp uns bereikten enkele brieven, die vermoede' 1 wat t- T I- yperend kan heten voor het geestehjk proces in de socialistische beweging. Met tot eeTS dlTaktoJk bLtoSkÏÏeSem een oriei de zakelijk belangrijke gedeelten.

Dp cPTiipiair,™ 1 f V, . aanleiding tot het schrijven van deze bne IS Uw lezing over het boek van Durant, die Ik zoeven hooide. De oorzaak ligt natuur-tonigT hto ® van zo n boek grote totter vaïde LpL T*"' advLereL ons J moeten was trherzton en as, te herzien en wel principieel. WIJ moeten nen gevangen houdt. Geen amusement namensziln Geen cïrlLsOen natiLato O van litïratuuOOOtoPuO; o,nst literatuur, beeldende kunst, in een woord g Ost Oï to'chTltifd lOkf" mensen geest, die toch altijd sterker zijn gerfs dit IS zo moeilijk! Och nee, je kunt het gemoeó On°kr?cht h houiin Mito overttotonO rO OO “"'•it foof? IS bezlOzOh tP OnLpn loot) is pas bezig zich te vormen, (t Is niet

mooi gezegd, maar zo druk Ik het toch het beste uit. niet ifc vorm myn overtuiging, maar vormt zich.) Doch: tegen sterke stoten is

OP de Zondag van de oorlogsverklaring zijn mijn vrouw en ik voor ’t eerst naar de kerk geweest. Geheel onbevredigd zijn we niet naar gegaan. Bij ons domineerde (als goede deringbezoekers): hij heeft het goed gezegd. Maar ik voel wel: dat is de hoofdzaak niet. Wel vraag ik: wat werkt zo’n bijeenkomst uit? Hoe beleven de kerkgangers zo’n preek met alles wat er bij hoort? Ik I’k zeg ’t vertrouwen in en zo reinig hoop op. Dit is géén verwijt! Kijk onmacht van „onze” organisaties: ivaar is het eigen geluid. (Uw artikel in T. en T. heeft mij wel bevredigd: geen phrasen en geen illusies over een betere toekomst.) Maar: wat moeten we nu? Als ik het maar eens wat „verheven mag zeggen (als Fries ben ik doodsbenauwd voor dikke woorden): persoonhjk moet ik beginnen met versteviging van Godsvertrouwen. Voorlopig komt dat neer op t lezen van enige boeken. Ik lees voor '' """ ment (zoals u ziet rijkelijk laat!), maar, hoeduisters in is, er schemert zoiets dat daar toch eigenlijk niets boven gaat. Maar dan leg ik weer het verband: Nieuwe Testament en Kerk en dan huiver ik. is mensenwerk enz. (is dat zó?!), maar je kerkganger, ik, dunkt me, nooit. (Dit

briefschrijver. Natuurlijk ga ik met hem in de krant niet -.discussieren” – debat hoort niet bij een openhartig uitgesproken en zo direct uit een

bewogen geest opkomend getuigenis. Ik beperk mij tot één opmerking. Voortdurend kwam uit deze brief één vraag weer in mijn aansoS"t geile, naar de belofte Zijn Ityk richten, wat moeten wij toch beginnen met de kerk... beginnen met

Nu wilde ik, dat ik zonder enige aarzeling en zonder enige reserve kon antwoorden, en positief „ja” zeggen tegen de kerk Voor miin nersoon voor het gSi?k leven hele volk is de kerk inderdaad een positieve en be langrijke factor – er L m ooit behoefte aan die plaatsen, waar het Evangelie kan worden verkondigd, en duidelijk kan worden gezegd: oorlog is zonde voor God. En als socialisten de weg to het Evangelie en ook tot de kerk terTgvinden dan vSLg ik mij...

Maar o, die feitelijk bestaande kerk, die juist niet durft te zeggen wat zij zeggen moet omdat zij verstrikt is in banden van maatschappij, burgerlijke geest, onderworpenheid aan de machthebbers in de Staat... die feitelijk bestaande kerk met haar sleur en deun en ™de aan ’ profetische gÏLt .. ’

Wat moeten wij beginnen? Wij zoeken godsdienstig gemeenschapsleven, wij willen luisteren paar de Evangelische boodschap... Het is de vraag van duizenden, die de gevoelsverbinding met de oude kerk verloren en haar niet terug kunnen vinden. De vraag karakteriseert de positie der kerk in een belangrijke periode van kentering der geesten.

Opnieuw word ik mij bewust: welk een enorm werk er ons, religieus-socialisten, ook naar deze kant wacht. Eerst: samenbinden wat nu en eenzaam zoekt. Waarachtige religieuze gemeenschap beleven. En overal waar wij kunnen, ook vernieuwend werken in de kerk. W. B.