is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1939, no 1, 30-09-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BUITENLANDSE KRONIEK

Nationaal en Sociaal

Naar de uiterlijke schijn is met het losbraken van de oorlog de sociale strijd in de oorlogvoerende — en zelfs in de neutrale — landen, zo niet gestaakt dan toch tot een minimum teruggebracht.

Het nationale belang overheerst, leder moet offers brengen tot een mate die de belangen voor de oorlogvoering eisen.

Maar een van de eerste dingen, die de Russische bezetting in Polen heeft gedaan, was een bevorderen van de opdeling van het grootgrondbezit der Poolse landadel in die landstreken, die door Wit-Russen en Oekrainers bewoond worden. De arme dagloners en kleine boertjes, die van hun schamele lapje grond niet konden leven, krijgen er enkele bunders bij. De Poolse heren zijn verjaagd voor zover zij niet gesneuveld (of vermoord?) zijn.

Een stuk sociale revolutie schijnt zich te voltrekken, die door nationale grenzen niet wordt tegengehouden; Hongarije, het oer-conservatieve en sociaal achterlijke land van Midden-Europa, heeft nu een gemeenschappelijke grens met Sowjet-Rusland; en het beantwoordt dit bewustzijn niet alleen onmiddellijk met het aanknopen van diplomatieke betrekkingen na twintig jaar van negatie, maar ook met de aankondiging van een herziening van het grootgrondbezit, dat de sociale verhoudingen op het Hongaarse platteland nog geheel bepaalt.

Roemenië, dat reeds kort na de vorige oorlog zijn groot-grondbezit sterk inperkte, kan het buurschap van de Sowjet-Unie ietwat geruster afwachten dan Hongarije, maar het heeft een stuk van het Tzarenrijk geannexeerd, Bessarabië, en het internationale grootkapitaal Is er machtig en het geld speelt een grote invloed in de politiek. De moord op den ministerpresident Calinescoe is met harde hand gewroken, maar de voorgeschiedenis van deze moord bewijst wel dat er ook in Roemenië zeer gevaarlijke sociale en politieke spanningen kunnen optreden.

Bijzonder pikant wordt de Russische politiek in het bezette gebied van Polen echter, als men de situatie aldaar met die in Duitsland en het door de Duitsers bezette gebied vergelijkt. Wie de geschiedenis van de republiek van Weimar kent, weet dat een van de allergrootste vraagstukken voor de regeringen van Duitsland na de oorlog steeds weer de ~Ost-polltiek” is geweest: de aandrang van de kleine boerenstand en van het werklozenleger om het groot-grondbezit der Pruisische adel in Oost-Duitsland te beperken en het overgrote deel daarvan voor landkolonisatie beschikbaar te stellen. De „Junkers” hebben dat steeds weten te voorkomen.

Zij hebben zelfs staatssubsidies voor hun landbezit in slechte tijden kunnen gebruiken voor mechanisatie, die nog meer werkloosheid bracht. De hulp van Hindenburg, die zelf grondbezitter was en groot-grondbezitter werd, heeft hen vooral in de laatste jaren van de republiek veel voordeel gebracht. En ieder, die deze positie aanviel, moest van het politieke toneel verdwijnen. De vervanging van Brüning door Von Papen in Mei 1932 werd bij Hindenburg doorgezet, omdat hij plannen had tot inwendige kolonisatie met verdeling van dit

Oost-Pruisisch groot-grondbezit. En de vervanging enige maanden later van Von Sleicher door het kabinet dat met Von Papen als vlce-kanseller Hitler aan het bewind bracht, was wederom veroorzaakt door het feit, dat het landbezit der „Junkers” door Sleicher’s „brede basis” bedreigd werd. Zelfs het nationaalsociallsme heeft dit groot-grondbezit nooit anders dan in schijn aangedurfd. Daar komt nog bij, dat de Duitse macht in de Poolse gebieden vóór 1918 grotendeels berustte op de sociale macht der Duitse landedellieden over de arme Poolse bevolking.

De politieke hervormingen, die Rusland thans in Oost-Polen gaat doorvoeren, zijn dus voor het Hitler-regime, dat de sociale tegenstellingen beweert opgeheven te hebben, al zeer weinig plezierig. En zelfs Italië reageert critisch op de naderbij gebrachte „bolsjewisering” van Zuld-Oost-Europa.

Werkelijke weerkracht

Deze enkele feiten werpen even een schel licht op het sociale element in het oorlogsgebeuren, dat maar al te weinig aan de oppervlakte komt. De nederlaag van Polen heeft weer eens de oude waarheid bevestigd dat een massa, „die niets heeft te verliezen dan haar ketenen”, al zeer weinig waardevol is in de moderne oorlog, die de hoogste krachtsinspanning van het gehele moreel en het economische leven der landen eist. Niet alleen kan de vijandelijke spionnage met weinig geld zeer veel mensen vinden, die bereid zijn wat te vertellen; niet alleen ontbreekt dan een ontwikkelingspeil, dat in een moderne technische oorlog node gemist kan worden; maar bovenal ontbreekt daar het gevoel van eenheid en vertrouwen in de leiding, dat onmisbaar is om een verdedigingsoorlog met vrucht te voeren; op zulk een moment wreken onderdrukking en uitbuiting zich.

Keren wij met deze stelling terug tot een vulgair-marxisme, dat alleen met stoffelijke waarden rekent? En dat in een religieussociaiistisch orgaan? Geenszins, want deze stelling „over een massa, die niets te verliezen heeft dan haar bestaan”, geldt waarlijk niet alleen voor economische onderdrukten.

Onze overtuiging is dat zij ook geldt voor die landen, waar de materiële omstandigheden wellicht wat beter zijn of de sociale gelijkheid wat strakker is doorgevoerd, maar waar de politieterreur, de partijbevoorrechting en de geestelijke onvrijheid het leven weinig de moeite waard maken. Voor het ene geval zullen wellicht de arbeiders en plattelandsdagioners de zwakste plek in de nationale weerkracht vormen en voor het andere de intelligentia, de kerkelijke en de artistieke wereld, maar er bestaat evenzeer in de dictatuurlanden als Duitsland en Rusland een bevolkingsgroep, die het leven onder dit regime niet de moeite waard vindt om er offers voor te brengen. In nóg heviger mate geldt dit voor de bevolking van streken, die door minder sterke nationale en culturele banden aan de heersende groep gebonden zijn: zoals de Oostenrijkers en vooral de Tsjechen en Slowaken.

Er is nergens romantisch enthousiasme voor de oorlog In brede lagen van de bevolking, maar er is toch een opmerkelijk verschil in de

vrijwillige samenwerking voor het oorlogsdoel in Engeland en Frankrijk en de overgeorganiseerde wijze, waarop men in Duitsland zijn mensen op gang moet krijgen en de volkomen matheid, waarmee de Italiaanse bevolking lijdelijk verzet pleegt tegen een actief optreden aan de kant van Duitsland. Van Rusland horen wij niets; alleen weten wij, dat daar honderden van de intelligentia, militairen en hoge ambtenaren, ter dood gebracht zijn voor het nastreven van een politiek, die thans door Stalin en Molotof wordt uitgevoerd.

Om ons tot de hoofdfactor, Duitsland, te bepalen, het is volkomen begrijpelijk, dat daar reeds een grote oorlogsmoeheid bestaat. Daar is immers reeds een jaar of drie, vier het land in politiek, economisch, cultureel en politioneel opzicht in oorlogstoestand geweest. En de buitenlandse successen hebben maar nauwelijks de stemming, die gedrukt wordt door de zware offers, op peil kunnen houden. Hoe wil men daar de spankracht wekken, die leeft In het Engelse en Franse volk? Die zetten nu pas hun volle kracht in, in het besef, dat „het nu eindelijk maar eens uit moet zijn” en door de algemene instemming, die het oorlogsdoel heeft, kunnen de inperkingen der individuele vrijheid en van het levenspeil ook veel gematigder zijn dan in de dictatuurlanden; de sociale rechten, die daar verworven zijn, blijven geheel onaangetast. Oppositie tegen een verschuiving van de oorlogsdoeleinden van die van internationaal recht naar imperialistische belangen blijft mogelijk; de parlementaire oppositie is niet in de regering getreden.

Het Duitsland echter hoort nu van aanslagen, moeten allerlei pijnlijke geruchten door Göbbels worden tegengesproken, krijgen de soldaten in de depóts geen scherpe patronen en zelfs de oudere lichtingen langs de Nederlandse grens niet. In Tsjecho-Slowakfje komt het tot opstootjes, de Oostenrijkse gouw heet onbetrouwbaar.

Als men dit vergelijkt, wijst alles er op, dat die staten, waar tegelijk een politieke en een sociale democratie in een enigszins volgroeide vorm bestaan, met meer nationale kracht de oorlog ingaan.

Na de vrede

Maar laat men zich niet vergissen: De vorige oorlog heeft geleerd dat de sociale kracht in dienst van de natie wordt gesteld in oorlogstijd, met rente weer wordt teruggevorderd na de vrede. En de teruggekeerde frontsoldaten hebben veelal verleerd dit op democratische en formeel-juiste wijze te vragen. Het bolsjewisme en fascisme zijn beide kinderen van de vorige wereldoorlog. Laat men zich geen illusies maken omtrent de sociale spanningen, die na deze oorlog tot uiting zuilen komen of de oorlog in een revolutie zullen omzetten.

Wanneer de democratie haar taak verstaat, zal zij niet alleen het internationale probleem der collectieve rechtsorde, maar ook het sociale probleem van de bestaanszekerheid de heropbouw van de verwoeste wereld en het verwoeste bestaan van de tienduizenden, moeten oplossen.

De sociaal-democratie in. de neutrale landen In het bijzonder heeft hier een taak van voorbereiding. W. VERKADE.

Abonneert U op Tijd en Taak