is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1939, no 2, 07-10-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIJ CANDHI'S ZEVENTIGSTE VERJAARDAG

„Ik ben maar een gewoon mens, zeide Gandhi eens in mijn bijzijn, en vol zwakheden en zonde. Maar ik bezit één ding, dat de armen dadelijk in mij herkennen: zij weten, dat ik hun ellende deel. Gij zoudt dezelfde im vloed kunnen hebben, als gij hets zelfde doen wildet.”

(Andrews, „Indië en de strijd tegen het Westen”, blz. 47.)

De enig vruchbare wijze, waarop wij onze eerbied aan waarlijk groten kunnen tonen, is: met hun boodschap blijven worstelen, ons hart open blijven stellen voor hun woord, hun leven, hun ziel, en luisteren.... om dan te keren naar eigen wereld en levensomstandigheden, en eigen waarheidsweg te zoeken.

Het is met de waardering, die men in Europa voor Gandhi heeft gekend, eigenaardig gegaan. Toen men zag, dat zijn methode reëel politiek succes had en een bedreiging inhield voor het En* gelse imperialisme, werd hij toege* juicht.... ook al begrepen de bewon* deraars niets van de geesteskracht waar* uit de Mahatma leefde, niets van de godsdienstige krachtbron die hem voed* de. Europa, ook het Christelijke, denkt overwegend politiek; India, ook het politieke, denkt overwegend religieus. Maar toen Europa steeds meer in de greep van het militaristisch geweld ge* raakte, toen de bewapeningswedstrijd heviger en de geweldsideologie fanatie*

ker werd, verachtte men Gandhi’s ge* weldloosheid als laf en slap, en werd de voorstelling gewekt, dat de oude man had afgedaan, en verdrongen zou wor* den, reeds verdrongen was door meer moderne, d.w.z. meer op geweld ver* trouwende geesten. Men heeft voortdu* rend Gandhi gewaardeerd vanuit onze Westerse gezichtshoek, vooral vanuit ons Westers meerwaardigheidsbesef. En dus was men er altijd, wat het wezen* lijke betreft, naast.

De „oude man” is nu zeventig, en nóg de geliefde, de aangebeden heilige, de geestelijke held van het ontwaakte volk. Zijn waarde hangt niet af van zijn suc* cessen en mislukkingen die er natuur* lijk zijn geweest; zijn onvergankelijke waarde, door het volk intuïtief zuiver verstaan, ligt in zijn brandende liefde voor de uitgeworpen verdrukten, een liefde die zijn leven maakte tot een hoge vlam, wier licht in alle werelddelen doordrong.

Zijn „methode” voor ons? Alle wes* terse argumenten in mij zeggen: neen, wij hebben haar niet (nog niet?) levend en vruchtbaar kunnen maken. En toch: zijn „boodschap” is ook, ja juist voor ons, en alle besef van onze westerse armoede doet mij eerbiedig opzien tot hem, die wist dat het rijk der ziel en haar geesteskracht het enig waarlijk be* vrijdende rijk, de enig waarlijk reddende kracht is. En het zou kunnen zijn, dat de nacht die nu over Europa dreigt te

vallen, de nacht die wij opriepen door ons practisch materialisme, onze machts* waan en onze geweldverheerlijking, ons ontvankelijker maakt voor Gandhi’s waarheid, dat Vrijheid alleen vast ge* worteld is in de ziel. De politieke en sociale en nationale vrijheid om van de geestelijke te zwijgen kunnen al* leen veroverd worden (of behouden) door een volk, dat de vrijheid der ziel kent, en bewust de krachten der ziel ontgint en aanwendt.

In dit opzicht schieten wij hopeloos tekort, óók ons socialisme. In dit op* zicht staan wij ondanks de ontdek* king, de openbaring van Christus, dat alleen wie in de liefde is, in God is nog maar aan het begin. Is misschien daarom Gandhi’s methode voor „ons” tot nog toe onbruikbaar gebleven, om* dat wij wel praten over, maar nauwe* lijks geloven in de revolutionerende kracht der ziel?

En toch hebben ook de groten uit het Westen uit deze kracht geleefd....

Wij, kinderen van het in geweld ver# stikkende Westen, hebben waarlijk geen reden om Gandhi af te wijzen. Onze „successen” zijn heel wat armzaliger dan zijn „mislukkingen”. Wij mogen en kun# nen hem ook niet na#doen. Maar zijn „boodschap” kunnen wij niet missen. In hem heeft goddelijk vuur, zuiverder dan in millioenen anderen, gebrand, en het heeft vooral de armen en ellendigen op* gericht. W. B.

Lit de kerkelijke wereld

De Freek ais paspoort Een tijdsbeeld

Moet men altijd alle achtergronden van elk gebeuren in het bewustzijn meedragen? Neen. Want indien wij dat deden, zou het leven onleefbaar zwaar worden. Dit ter inleiding. Zo ging ik dan Zondagavond ergens in Friesland preken. Met een auto van zoveel cent de kilometer, maar als je er geen chauffeurspet bij opzet, kan je doen, of je de trotse eigenaar bent. En dan lijkt het heel wat. Laat ik bekennen, dat het een bijzondere sensatie was op deze eerste benzine-loze Zondag te rijden. Er hing een calvinistische sfeer over de wegen. Alleen de fietsers waren zelfbewuster dan anders, want zij werden door weinig gevaren bedreigd. Maar het opzij stuiven voor een onverwachte auto was een herinnering aan de heerschappij van de benzinemotor, die nu slechts in volle kracht wordt gehandhaafd door taxi-chauffeurs, militairen, dokters en dominees. Van die categorieën lijkt de dominee het meest op een gewone burger, want hij heeft zelfs niet het bordje achter zijn voorruit, dat de dokterauto onderscheidt van andere. En juist als gewone burger was het zo buitengewoon die Zondag. De oorlog had ons, predikanten, ineens geheven boven de grote massa van weggebruikers: wij bleken toch anders te zijn dan iedereen, ofschoon de predikanten zich tientallen van jaren er in geoefend hebben om „gewone mensen” te zijn. Maar dat was Zondag anders. Op weg naar stad begon ik mij te verbeelden, dat de mensen verwonderd keken. (Zoals sommigen niet zullen weten, zijn er in Friesland weliswaar elf steden, maar er is slechts

één stad.) Die verwondering kon mijn zelfvertrouwen slechts opvoeren. In de stad zelf waren de straten leeg, ofschoon er heel wat mensen zich bewogen. Politie-agenten keken spiedend, maar deden niets. Helaas, dat viel tegen. Plotseling dook het verlangen op om aangehouden te worden. Waarvoor stonden die mannen daar eigenlijk? Om frauduleuze rijders te laten ontglippen? Om onder hun ogen plezierauto’s Neerlands benzine te laten verslobberen? Met deze twijfelvragen doorkruiste ik de stad. Op de grote straatweg, die toen volgde, had ik weer niets ander te doen dan fietsers te verjagen. Totdat, plotseling, rood flikkerlicht mij tot stilstaan noopte. Dat bevredigde mij: ik zou kimnen laten zien, dat ik géén plezierende burger, maar een werkende predikant was. Twee koelbloedige marechaussées stonden voor mijn raam. Waarom L zijn het er altijd twee? Om elkaar tot plichtsbetrachting te nopen? Om indrukwekkender ; te kunnen optreden? Hoe het zij, op hun , vraag, of ik gerechtigd was te rijden, ant: woordde ik: als predikant. De mannen waren , niet tevreden. Terecht. Zij vroegen: „Kunt u dat waarmaken?” Daar zat ik. Waar kon ik het aan tonen? Een witte boord wordt door ; méér mensen gedragen, een zwart pak en een stemmige das evenzeer. Een onverwachte ner; veusheid doorvoer mij. Ik dacht aan de straf op het onbevoegd rijden, vier jaar zitten of : f 10.000 betalen. Dat deed mij naar de zak grijpen. Daar zat mijn preekboekje. „Is dat voldoende?” De mannen namen het in de hand en keken elkaar aan. Eén repeteerde zijn instructie en zei: „Geestelijke”. Zij sa; lueerden. Ford V 8 schoot verder door de avond.

Toen heb ik begrepen, dat tientallen keren

het uitspreken van een preek alleen maar slaap schijnt te wekken, maar dat het kan voorkomen, dat het laten zien van een preek onmiddellijk succes heeft.

Alle rode lichtjes, die daarna dreigend dansten, ben ik die avond in volmaakte gemoedsrust tegemoetgereden. De preek was mijn paspoort.

Kerkdijk Polen

Hier volgt een samenvatting van het artikel, dat Hermann Priebe geeft in de jongste „Christliche Welt” over de kerkelijke situatie in Polen.

De kerkelijke kaart van Polen was bontgekleurd. In zielental bovenaan stonden de Rooms-Katholieken met hun 20 millioen aanhangers of 64 % van de gehele bevolking. De Rooms-Katholieke Kerk omvatte het eigenlijke Polen. Zij was staatskerk. In het oosten, in het thans door Rusland bezette gebied, leefden de aanhangers van de Poolse autocefale (= zelfstandige) orthodoxe kerk met 3.700.000 zielen, of 11 % van het totaal. In Galicië woonden ruim 3 millioen of 10 % z.g. geunieerden, die de liturgische vormen van de Grieks-Katholieke kerk behouden hadden, maar het oppergezag èn de leer van de R.K. Kerk aanvaarden. Het Protestantisme telde slechts 800.000 aanhangers.

Het lage getal Protestanten zou niet doen vermoeden, dat in de 16de eeuw de Hervorming snel postgevat had in Polen. De adel ondersteunde haar als politiek middel tegen de koningen. Toen de adel ontrouw was geworden, hield het in de steden wonende Duitse burgerdom taai aan het Protestantisme vast. Maar het leed onder zijn verdeeldheid. Toen de contra-reformatie begon, heeft zij een periode van bijna 200 jaar ingeluid, waarin het Protestantisme klein gehouden werd. Dit zou voortduren tot de allerjongste tijd, omdat