is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1939, no 2, 07-10-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet weg, dat God óók wil, dat wij ons steeds met alle krachten tegen alle oorlogsgeneigdheid met al zijn gruwelen zullen verzetten, dat is de paradox, die elk religieus mens heeft te aanvaarden. Zo kan ik ook het Marxisme (niet den persoon Marx, wiens drang naar gerechtigheid wij kunnen eren) zien als een middel, in de voorzienigheid begrepen, om in een bepaalde periode de arbeidersmassa te helpen en te formeren. Doch dit neemt niet weg, dat wij persoonlijk als religieus mens steeds tegen het zeer onvolmaakte en moreel verkeerde in dit middel zullen moeten blijven protesteren, ja steeds verplicht zullen zijn dit middel te blijven bestrijden met al onze krachten. Daarom kan men nog wel verdraagzaam zijn tegen theoretische aanhangers van de Marxistische leer en met hen samenwerken, wanneer deze desondanks en blijkbaar de gerechtigheid willen dienen.

Ik behoef zeker in dit blad de Marxistische theorie niet uitvoerig te bestrijden. Slechts één ding: de leer, dat de economische verhoudingen (de stand der productietechniek) alle geestelijke verschijnselen in den mens in laatste instantie volkomen bepalen, vastleggen of determineren, is wijsgerig volkomen verouderd èn ... dit is het voornaamste: moreel uiterst verderfelijk in zijn geestelijke, dikwijls niet geziene ver doordringende consequenties en wel hierom, omdat deze leer een zelfstandiggeestelijke, onafhankelijke, scheppende, menselijk-originele kracht, die zich juist losmaakt van de economische beklemming, waarin hij geboren is, uit zijn aard niet kennen kan. Ook een schijnbaar zelfstandige, door economische machten geschapen geestelijke factor kan zulk een originele geestelijke kracht, strevende naar gerechtigheid, nimmer zijn, omdat een economische verhouding nooit en te nimmer tot iets kan determineren (volkomen vastleggen), wat uit zijn aard scheppend, vrijwillend, losmakend en veranderend is, zoals geestelijke factoren dit zijn. De bewustheid van de wil tot verandering en verbetering, ontstaan hieruit, dat de geest (persoon) inziet, dat het bestaande moreel afkeurenswaardig is, kan nimmer economisch bepaald zijn, omdat dit economisch bepaalde nu eenmaal is, zoals het is, en derhalve goed noch slecht kan zijn. Bewustheid, dat is de mogelijkheid (bij wijze van periscoop in een duikboot) om zich heen, en om verder te zien, om te handelen en te doen veranderen, is in het Marxistisch systeem volkomen overbodig en derhalve onbegrijpelijk. Wil echter het socialisme een nieuwe maatschappij doen ontstaan, dan moet er juist geloof zijn in zichzelf en geloof van anderen in leiders in de losmakende kracht van hen, die zich blijken te kunnen losmaken uit eigen economische beklemming: zowel de leider uit arbeiderskring, als de leider uit de andere klassen, die beiden verder hebben leren zien. Beide leiders zijn nodig, wil de maatschappij zich harmonisch tot hoger orde kunnen ontwikkelen.

Voor den Marxist is deze vrije losmakende geest een ondenkbaarheid, speciaal voor hen, die doordenken in deze richting, en dat zijn juist de gewone doorslaggevende leiders der beweging; de massa zelf (principieel slechts oppervlakkig beroerd door het Marxisme) volgt de leiders. Op zijn best voert dit gebrek aan geloof aan geestelijke scheppingskracht tot scepticisme en door paradoxaal-menselijke noodzakelijkheid in zijn wangeloof in zijn medemens tot onderschatting van dien mens en overmoedig vertrouwen in de eigen kracht, in laatste instantie tot dictatuur.

Het religieus socialisme kan niets te danken hebben aan de Marxistische terminologie, omdat deze terminologie uit zijn aard van preciese woordbepaling een dogma is, dat steeds terugkeert tot de diepste grond van het verderfelijk historisch materialisme. Moet deze laatste bron soms de „harten plooien”?

Het is niets vreemds, dat de mensen uit de Marxistische school doen zoals Stalin doet. Natuurlijk, vele Marxisten handelen uit drang naar gerechtigheid, maar dit doen zij niet, omdat 'zij pseudo-Marxist zijn, al maken zij zichzelf dit wijs. Hoe gemakkelijk is het niet voor hen, die de productiefactoren als enige bron van geestelijk leven zien, om ook al hun politieke handelingen uit die factoren af te leiden. Voortdurend ziet men immers het be-

lang het economisch eigenbelang der mensen afgeleid uit deze onderliggende factoren. Wat is nu gemakkelijker dan om het belang, dat men zelve ziet voor partij, staat of individuele machtspositie deterministisch af te leiden uit de productieverhoudingen en hun noodwendige annexe gevolgen en eisen voor de naaste toekomst, zoals die in de Staat (b.v. in de Sowjetrepubliek) thans heersen? Morgen komt er wel een theoreticus, die u haarfijn uitlegt waarom de productieverhoudingen in Rusland gecombineerd met die in Polen tot de inval moesten leiden. Dit kan niet dnders zo zijn... voor ieder, die de gerechtigheid als originele God-menselijke drijfkracht niet erkent. De „niet-heldere sfeer van de Marxistische analyse der werkelijkheid” moet juist leiden tot wanhopige pogingen om alles tot de economische ondergrond terug te voeren, pogingen, bij voorbaat tot mislukking gedoemd, doch die omdat zij tóch wijsgerig stuntelig zijn aan eerzuchtige, niet al te kieskeurige personen aanleiding geven theorieën te bedenken of te laten bedenken, welke zij zelve maar half geloven, maar die zij „staatsnuttig” achten. Het „deterministisch” Marxisme is uit zijn aard even totalitair als het determinisme van bloed, bodem en ras; in beide gevallen worden de scheppende menselijke geestelijke krachten, die het determinisme doorbreken, uitgeschakeld. Zo ook de scheppende kracht van de vrije geest, die zich uit in controle en critiek, welke verantwoorde doelbewuste verandering beoogt en bereikt. Ook dit wordt uitgeschakeld. En door deze uitschakeling wordt een zogenaamd dynamische, naar het staatsbelang van het ogenblik steeds gewijzigde, cultuur en moraal mogelijk. Dit is Russisch èn nationaal-socialistisch!

Wij kunnen Chamberlain. Daladier enz. wantrouwen in hun machtsbegeerten, terecht... doch wij weten en dit niet door Marx —• dat deze machthebbers steeds ook door andere motieven dan zuiver Imperialistische worden geleid, of althans gedwongen worden zich in die andere richting te ontwikkelen. Deze meer idealistische motieven mogen zwak zijn, zij zijn er, en principieel moeten zij uiteindelijk winnen. Bij Molotof en Stalin hebben wij dit weten en deze overtuiging niet, dit is het verschil.

Wie christen tracht te zijn en de gerechtigheid wil, moet veel gevoelen voor het sterke gerechtigheidselement in het feitelijke communisme, hij voelt allicht voor de experimenten, doch hij weet, dat deze volgens de Marxistische methode niet tot een definitief bevredigend resultaat kunnen leiden. De Russische inval in Polen is niet vreemd, gezien als een gevolg van dictatoriale menselijke machtswellust, waartegen het amorele Marxisme geen enkele rem geven kon.

Ten slotte: kniebuigingen voor het Marxisme komen misschien uit traditie nog wel bij religieus-socialisten voor. Zij kunnen de samenwerking met andere socialisten vergemakkelijken, maar zij zijn uit den boze. Een religieussocialist moet aan de intense gerechtigheidsdrang en zijn Goddelijke bron steeds overvloeiend genoeg hebben om de maatschappij te kunnen hervormen tot in zijn diepste grond.

L. W. R. VAN DEVENTER.

Kleine belangrijkheden

Onze „Daad”

Wij ontvingen twee ingezonden stukken, blijkbaar van mensen, die de wereldoorlog van 1914—1918 ook hebben doorleefd, en die toen zeer gegrepen zijn geweest door de houding van o.a. De Ligt, en die nu van de rel-soc. beweging verwachten een openlijke propaganda vóór en een aansporing tot de „daad” der dienstweigering.

Wij zullen deze vrienden moeten teleurstellen, en ik acht de zaak „belangrijk” genoeg al is zij dan klein bij de aardbevingen, die wij ondergaan om er in ons blad iets over te zeggen.

Voorop sta dan, wat wij voortdurend hébben gezegd, dat naar onze overtuiging de moderne oorlog met het Evangelie niet te verenigen valt. Wil men het met de woorden van „Kerk en Vrede”: dat de oorlog zonde is tegen God. Nu

kan ik mij indenken, en ik zie dat het gebeurt, dat op grond van deze overtuiging mensen tot persoonlijke dienstweigering komen, en de cel, eventueel de dood verkiezen. Zij hebben er recht op, dat wij hun gewetenskeuze ten diepste eerbiedigen, en hun de steun geven die het beginsel en het hart vragen.

Maar ik kan mij ook indenken, eri ook dat zie ik gebeuren, dat mensen, die overtuigd zijn, dat oorlog zonde is, nochtans bereid zijn om de wapenen op te nemen om het Hitlerse geweld uit ons land te helpen weren. Ik ken een geval van iemand, die in 1914 de dienst weigerde, en nu bereid is tot vechten. Deze man heeft waarlijk óók zijn gewetensstrijd gekend, en zal óók zijn slapeloze nachten hebben gekend, hij zal ook tot God hebben gebeden. Meent iemand in ernst, dat wij het recht hebben, om deze keuze te veroordelen?

Ik zie ook en opnieuw denk ik aan een mij bekende, die de dienst eenmaal weigerde en zijn straf uitzat —, dat een mens tot de conclusie komt: ik weet het niet meer, ik durf over de vraag van landsverdediging ja of neen geen standpunt verdedigen. Want tegenover het gruwelijk onrecht van oorlog staat het andere gruwelijk onrecht van een nazi-dictatuur, en ik weet niet welke zonde tegen God de ergste is. Meent iemand in ernst, dat wij het recht hebben om deze keuze te veroordelen?

En zou men in ernst mogen vragen, dat de religieus-socialistische beweging één der drie genoemde houdingen als d e daad normatief gaat stellen? Het is reeds onmogelijk om de feitelijke samenstelling der beweging maar dit argument zal ik laten liggen. Het is vooral zedelijk ongeoorloofd, en met het wezen van een waarachtige gewetensbeslissing in strijd, om wanneer het godsdienstig oordeel, dat oorlog zonde is, ons verenigt één der mogelijke houdingen aan allen voor te schrijven of als de zedelijk hoogst staande daad voor tc stellen.

Naar mijn mening is „de daad”, die wij van elkaar mogen vragen, deze: dat wij in oprechte d.w.z. niet hoogmoedige kameraadschap verbonden willen blijven met hen, die uit ons gemeenschappelijk beginsel tot een andere practische houding komen dan die wij voor ons zelf aannemen. Het is mede een van de sterke motieven, waarom ik meen dat de tegenstanders der gewapende landsverdediging in ons land, met de socialistische arbeidersbeweging verbonden kunnen blijven. Zeker, er is een politiek opportunisme, dat voor de zedelijke kracht van een beweging eenvoudig dodelijk kan zijn. Maar een hoogmoedig individualisme het opleggen van de eigen gewetensbeslissing aan anderen brengt geen geringer zedelijke gevaren met zich mee. W. B.

ONTVANGEN BOEKEN

Ds. A. Trouw, „De Jezus der historie en de Christus des geloofs", üitg. van Gorcum & Comp. N.V. Assen.

Jolan Neufeld, „ Dostojewski”, Uitg. N.V. Uitg. Mij „De Tijdstroom” Lochem. Prijs ƒ2.90.

Ed. van Cleeff. „Sociaal-economische Ordening”, Uitg. Van Loghum Slaterus’ Uitg. Mij N.V. Arnhem. Prijs: ƒ4.90 ing., geb. ƒ5.90.

Dr. H. Paber, „Wat heeft de Godsdienst ons te zeggen?”, Uitg. Holkema & Warendorf N.V., Amsterdam. Prijs: Ing. ƒ1.20, Geb. ƒ1.90.

Mia Kloek-Pirée, „Het woord geneest”, Uitg. N.V. Uitg. Mij. „De Tijdstroom”, Lochem. Prijs Ing. ƒ2.—, Geb. ƒ2.90.

INHOUD

Bladz.

Wien zullen wij dienen? W. B 1 Buitenland, W. Verkade 2

Kruisdagen, F. Kalma—Koops 3 Binnenland, J. A. Bruins 4 Bij Gandhi’s zeventigste verjaardag, W. B. 5

Uit der Kerkelijke wereld, L. H. Ruitenberg 5—6 Kritische Kroniek: Gevaren van het dichterschap, dr. G. Stuiveling 7

Leonardo da Vinci-tentoonstelling te Milaan, Nelly Posthumus—Meyes 8 Perspectieven, H. Roland Holst 9

Europesche geest, René 9—lo Nieuwe tijden, nieuwe taken, D. Tinbergen 10 Marx en de realistische politiek, L. W. B.

van Deventer 10—11 Kleine belangrijkheden 11