is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1939, no 3, 14-10-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BUITENLANDSE KRONIEK

Overschakeling van Oost naar West

Zondagavond hebben de Duitsers aan het Westfront een nieuw wapen geïntroduceerd in deze toch al in technisch opzicht zo merkwaardige ooriog, namelijk de luidspreker. Tussen twee hevige kanonnades in werden met dit, uit de Spaanse burgeroorlog bekende, instrument passages uit de rede van Hitler de Franse soldaten in de oren geschreeuwd.

Het effect zal naar alle waarschijnlijkheid even weinig bevredigend voor de initiatiefnemers zijn geweest, als dat, wat de Geallieerden tot dusver met hun pamfletten-strooierijen hebben gesorteerd. Wat in Spanje, in een strijd tussen twee volksdelen redelijke zin had, wordt in een oorlog tussen waarlijk niet alleen door militaire tucht aaneengekitte naties min of meer absurd. De tijd van de muren van Jericho is voorbij; Maginotlinies zijn zelfs tegen een gemechaniseerd bazuingeschal opgewassen.

Overigens is de afwisseling van kanongebulder met luidruchtige sirene-klanken symbolisch voor de Woordenstroom, die de Duitse rijkskanselier ditmaal in een bijzonder koortsachtig tempo ten overstaan van zijn Janitsaren heeft lotgelaten. Zelden droeg een Rijksdagrede onsamenhangender en onevenwichtiger karakter, dan het betoog, waarmee Hitler vorige week de wereld zijn „vrede” aanbood.

Ongetwijfeld zaten er ook ditmaal in de verklaringen van den nazi-dictator demagogische eiementen, die bestemd waren argeloze toehoorders onder een bepaalde suggestie te brengen. In het bijzonder zal menigeen voor zich de zinloosheid hebben beaamd van een Duits—Franse vernietigingsoorlog, die grote delen van Europa tot puinhopen en kerkhoven zou veranderen. En het zou al wonderlijk zijn, indien er in Hitler’s pleidooien voor samenwerking niet op zichzelf genomen gezonde denkbeelden voorkwamen. Stellig is het, zoals Hitler zeide, verstandiger een oplossing voor de Europese vraagstukken te zoeken, alvorens milToenen mensen doelloos zijn gevallen en milliarden aan waarde zijn vernield. Dergelijke argumenten klinken echter weinig overtuigend uit de mond van den man, die zo juist een uiterst bloedige en kostbare, op barbaarse wijze gevoerde verdelgingskrijg achter de rug heeft, waaraan de lotgevallen van 35 millioen mensen zijn opgeofferd.

En een dergelijk beroep op het gezond verstand en de vredeszin der westerse massa’s wordt bepaald absurd, indien het als een slottirade wordt vastgeknoopt aan een uitvoerige en biufferige verheerlijking van de gewelddadige machtsvergroting, die men ten koste van een zwakken tegenstander en met medeplichtigheid van een alleronbetrouwbaarsten handlanger zo juist heeft volbracht.

Vorm en inhoud van Hitler’s „vredes-rede” versterken de indruk, dat het hele Duitse vredes-offensief niets anders is dan een tactische overbrugging van de tijdsruimte, die noodzakelijk was om de Duitse hoofdstrijdmacht van het oosten naar het westen over te brengen. Het feit, dat Hitier geen buitenlandsen boodschapper met de overbrenging van zijn vredes-aanbiedingen heeft kunnen belasten, moet voor hem zelf wel een aanwijzing zijn geweest, dat de uitwerking van zijn bevredigings-actie niet al te groot zou zijn.

Het is daarentegen misschien ook gevaarlijk, dit vredes-beroep van den nieuwen Duitsen „Obersten Kriegsherr” als een teken van zwakheid te beschouwen. Stellig zal de Duitse legerleiding en zuilen zij, die de verantwoording voor de Duitse voikshuishouding dragen, niet blind zijn voor de gevaren, welke een langdurige oorlog voor de weerstandskracht der Duitse natie inhoudt. Maar Hitler zelf is een te hartstochtelijk speler, dat hij na de verblindende successen met de daadwerkelijke oorlog in het oosten het er met dit nieuwe kansspel ook niet tegenover zoveel machtiger

tegenstanders als de westerse mogendheden op zou willen wagen. De prijs en het mogelijke bankroet aan het eind zijn hem niet onbekend, maar heeft dat ooit aan de speeltafel iemand voor zijn noodlot behoed?

Hitler s „kreeftengang Niet ten onrechte heeft men bijzondere aandacht geschonken aan het program, dat Hitler voor de Duits-Russische voogdij over Oost-Europa heeft ontw.kkeld. Te meer omdat het Derde Rijk met de nodige voortvarendheid met de uitvoering van dit program een begin heeft gemaakt.

Wat betekent die „ordening van de Duitse levensruimte voigens nationaliteiten”, deze „oplossing voor die minderheden-vraagstukken, weike niet alleen deze ruimte betreffen, doch bijna alle Zu.d- en Zuid-Oostelijke Europese staten”? De praktijk van deze ordening blijkt uit de massale, feitelilk gedwongen „terugtocht” van tienduizenden Duitsers uit de Oostzee-landen, die daar sedert de Dertiende Eeuw als de pioniers van de Duitse „cultuur” werden verheerlijkt. En reeds is er sprake van, dat ook de Duitse minderheden uit landen als Hongarije en Roemenië naar het Derde Rijk zouden worden overgebracht. Evenals indertijd bij de T.roolse volksverhuizing kan men zich hierbij afvragen, of men te maken heeft met een ad absurdum (tot in het ongerijmde) gevoerde toepassing van het bloed en bodembeginsel, waarbij overigens het element „bodem” terwille van de vereniging van aiie „bloed” binnen één staatsverband wordt opgeofferd.

Eerder is die verhuizing van tienduizenden Baitische Duitsers een nieuw bewijs van de niets-ontziendheid, waarmee de Duitse machthebbers mensen en hun lotgevallen, hun bestaan en hun hele levensverband willekeurig aan de ogenbiikkelijke oogmerken der machtspoiitiek onderwerpen. Evenals de Tirolers uit Italië werden teruggehaald om een mogelijke steen des aanstoots met den zuidelijken bondgenoot voor ééns en voor aitijd te verwijderen, evenzo worden thans de Baltische Duitsers uit Letland, Estland en Litauen teruggehaald om den nieuwen „vriend en bondgenoot”, aan wien deze ianden ais „ievensruimte” zijn afgestaan zijn nieuwe bezit in geen enkel opzicht te bezwaren. Want dat de Baltische Duitsers, die ook wanneer zij naar het Rijk teruggekeerd waren (Rosenberg is één van hen), verwoede voorstanders van de „Drang nach Osten” waren, voldoende begrip zouden hebben gehad voor de nieuwe Duits—Russische verhouding aan de Oostzee, valt te betwijfelen.

Overigens is het feit, dat de drie kleine Randstaten aan de genade van den van ouds in dit gebied gevreesden en gehaatten Russischen overheerser zijn uitgeleverd een voldoende aanwijzing, dat het bij deze „regelingen” helemaal niet om een oplossing van het minderhedenvraagstuk gaat, maar om een doodgewone internationale diplomatieke koehandel, waarbij met hele volken wordt betaald. Zelfs de „bevrijding” van de Wit-Russen en de Oekrainers uit de Poolse overheersing is een camouflage, die de naaktheid van het nieuwe Russische imperialisme evenmin kan bedekken als de kwasi-revolutionnaire maatregelen, welke van Russische zijde in de nieuw-verworven gebieden worden genomen. Wie ook maar iets weet van de onderdrukking, welke de Russische boeren heeft getroffen, sedert Stalin’s bureaucratie de macht in de Sowjet-Unie heeft gemonopoliseerd en van de gelijkschakeling, waaraan alle „autonome republieken”, vaak, zoals in de Oekraine, met bloedig geweld zijn onderworpen, zal zich over het ware karakter van Staiin’s „bevrijdingswerk” in Oost-Europa geen iilusies maken.

Voor Duitsland is deze hele kreeft-politiek ongetwijfeld de prijs, die het Derde Rijk moet betalen voor de mogelijkheid, al zijn krachten tegen het westen te kunnen concentreren, zonder een twee-frontenkrijg te behoeven te voeren. Zolang de strijd in het westen duurt, kan Duitsland ook een vreedzame toestand in Zuid-Oost-Europa, waarbij eventueel aan

Italië de rol van pacificator zou kunnen worden afgestaan, niet anders dan van strategisch, maar vooral ook van economisch voordeel zijn. Het is aileen de vraag, of deze speculatie opgaat en of het Derde Rijk zelfs bij een beschikking over de voorraden van heel Midden-Európa om de niet al te hoog geschatte Russ.sche reserves buiten beschouwing te laten tegen de westerse mogendheden, die als het ware over de voorraden van de gehele wereld 'kunnen beschikken, het op de duur zal kunnen bolwerken.

In de wereldoorlog beschikte Duitsland over weinig minder dan waartoe het thans toegang heeft en toch was dat onvoldoende! Het Derde Rijk zal heel wat zwaarder eisen aan zijn leveranciers moeten stellen en het is de vraag, of die deze zwaardere druk voldoende gecompenseerd achten door een bevrijding van het onrustige, maar ook vaak productieve Duitse nationale element uit hun midden.

Franse afwijzing

Dinsdagavond heeft de Franse ministerpresident in een sobere verklaring Hitler’s „vredes-initiatief” van de hand gewezen, omdat het niet de minste waarborgen voor een duurzame veiligheid kon bieden en al te duidelijk de begeerte liet doorschemeren, het pas verworven bezit vooreerst te consolideren, teneinde naderhand met nieuwe kracht de opmars naar een Europese overheersing door geweld voort te zetten.

De opgewonden toespraak, waarmee Hitler diezelfde middag de campagne voor de Duitse „oorlogs-winterhulp” had geopend, bood het wereldpubliek aan de radio een uitzonderlijke gelegenheid te beoordelen, welke van de beide staatslieden het meest reeds in de oorlogspsychose was bevangen. De verwarring, welke diezelfde middag allerlei sensationele geruchten onder het Duitse publiek teweegbrachten, kon de indruk van morele kwetsbaarheid bij het Derde Rijk slechts accentueren. Daarentegen leek ons Daladiers scherpe uitval aan het adres der Franse communisten, die het er overigens naar hebben gemaakt, bijna overbodig door de zelfmoord-tactiek, waarmee deze blinde volgelingen van Stalin bezig zijn zichzelf te „liquideren”.

Daladier’s weigering, op de voorstellen van Hitler in te gaan, een weigering, welke naar alle symptomen uitwezen, door Chamberlain zou worden herhaald, kan alleen voor diegene een teleurstelling zijn, die meende, dat er op dit ogenblik nog of reeds redelijke gronden voor een bevrediging aanwezig waren. Het is echter beter, dergelijke volslagen ijdele illusies te laten varen. Merkwaardig genoeg hebben wij de laatste dagen herhaaldelijk mensen hun verwachting van een nieuw „München” horen uitspreken, die nog zeer kort tevoren hun ongeduld te kennen gaven, dat er aan het Westfront „niets gebeurde”. Beide uitingen wijzen op een onevenwichtigheid, welke juist in de huidige oorlog, die in zo hoge mate door en met de zenuwen wordt gevoerd, noodlottig zou kunnen worden.

Zelfs de onschuldige vraag naar een „positief oorlogsdoel” bij de Geallieerden heeft iets voorbarigs. Men dient niet te vergeten, dat deze oorlog de westerse mogendheden is opgedrongen als een schier onontkoombare noodzaak en dat juist de soberheid en nuchterheid, waarmee deze beproeving door de westerse volken is aanvaard, een morele factor van betekenis is, die gunstig afsteekt bij de in schijn veel idealistischer, maar in wezen chauvinistischer stemming, waarin de volken, ook in West-Europa, in 1914 ten oorlog trokken.

„Het moet nu eindelijk uit zijn” is de alies overheersende opvatting. Over dat „het” Is men het in uitgebreide kring eens. Ongetwijfeld zal na verloop van tijd de vraag praktisch aan de orde komen, hoe ervoor te zorgen, dat „het” niet alleen „nu” uit is, maar ook in de toekomst, ook na een eventuele ineenstorting van het Derde Rijk, niet terugkeert. Of in het oude nog altijd vastgeroeste politici als een Chamberlain of zelfs een Daladier deze vraag zulen kunnen beantwoorden, valt te betwijfelen. Laten wij er hen dan tenminste voor erkentelijk zijn, dat zij hun volken niet met parolen pogen te verblinden, waaraan niet alleen zij zelf, maar ook de volksmassa’s nog zo weinig toe zijn.

B. W. SCHAPER.