is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1939, no 4, 21-10-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Lit de kerkelijke >rereld

Een belangrijk rapport

In deze rubriek is al meer dan eens gesproken over de Oecumenische Beweging. En steeds in getemperde verwachtingen. Verwachtingen, omdat wij menen, dat het ons, religieus-socialisten niet onverschillig kan zijn, wanneer vertegenwoordigers van verschillende kerken samen overleggen en daarmee de grenzen van hun eigen kerkgenootschappen en van hun eigen landen overschrijden. Waar ~gesprek” is, daar kan openheid zijn. En elke openheid houdt in deze tijd belofte in.

Het ~gesprek” gaat dan over twee kwesties, n.l. over de vragen van geloof en kerkorde, èn over de vragen van leven en arbeid. Dus: over dogma en moraal. Welnu, dit weer delven naar de grondslagen van het Christendom en de uitwerking ervan houdt de bekentenis in, er nog niet te zijn, en dat uitgangspunt is waardevol en hoopvol. Daarvan mogen wij veel verwachten.

Toch is ons spreken getemperd. Want wij willen geen illusies wekken ten aanzien van de resultaten. Ten eerste is de kennismakingsarbeid na eeuwen van vervreemding al zeer omvangrijk en ten tweede is de invloed naar binnen en naar buiten vooralsnog gering. Naar binnen bestaat de neiging om te bewaren wat men heeft, en dus geen discussie over de grondslagen toe te laten, naar buiten hebben de bestaande kerkformatles al weinig te zeggen en zoveel te minder bewegingen, die nieuw opkomen.

Het oecumenische werk vraagt dus naar zijn aard een perspectief van tientallen van jaren. Het tragische is, dat thans onmiddellijk antwoorden worden gevraagd, die pas over geruime tijd rijp kunnen zijn. Het grootste gevaar voor de oecumenische beweging is, dat zij aan deze spanning ten gronde gaat.

Eén van de kwesties, aan de orde gesteld, is het oorlogsvraagstuk, waarom, behoeft geen betoog. En dat men zich er niet met voorbarige conclusies mee af kan maken, weet men zeer goed.

De Nederlandse afdeling van de Oecumenische Beweging heeft dit probleem aan een commissie ter bestudering gegeven. Deze commissie heeft in een onlangs gepubliceerd rapport *) haar resultaat medegedeeld. Wij kunnen niet nalaten het verschijnen van dit rapport een der beste resultaten van oecumenisch werk te noemen. En het met klem ter bestudering aanraden.

De commissie heeft het zich niet makkelijk gemaakt, door de positie van „Kerk en Vrede” binnen de Christelijke kerken, volledig in ernst te nemen. Ofschoon de meerderheid tenslotte de conclusie van „Kerk en Vrede” afwijst, heeft zij zich er op waardige wijze mee bezig gehouden. Het is van niet te onderschatten betekenis dat er een christen-anti-militaristische beweging bestaat, die zich gehoor heeft weten te verschaffen. Vooral nu in de „wereld” (zie b.v. Frankrijk, om van de dictatuurlanden niet te spreken) het anti-militarisme op z’n best en bagateiie wordt behandeld.

Doel van wat volgt is een bespreking van dit rapport, opdat een zelfstandige kennismaking aanlokt.

Het rapport gaat uit van de Kerk, die, hoevele haar onderscheidingen ook zijn, haar eenheid vindt in Christus, door Wien God zich aan ons openbaart. Deze Kerk kent nationale geledingen, die met het volk mee moeten leven, maar zal zich nimmer hebben te beschouwen als Kerk van het volk.

Dit uitgangspunt roept vele vragen op. Maar tevens is het zo ruim gehouden, dat de gedachtenwereld van de bestaande kerken hierin inderdaad uitgedrukt wordt.

Met het oorlogsvraagstuk. zo gaat het rapport dan verder, weet men vrij algemeen geen raad. En al mag men toegeven, dat de factoren, die over oorlog en vrede beslissen, zozeer aan de invloed van den gewonen mens ontsnappen en hem een gevoel van onmacht geven, terwijl bovendien vaststaat, dat geen volk, noch enig mens in het bijzonder verantwoordelijk te stellen is voor de oorzaak van

*) Verkrijgbaar bij het Oecumenisch Bureau te De Bilt. Prijs ƒ 0.35.

de oorlog, toch mag ons dat niet verleiden, de zaak van internationaal samenleven te stellen buiten de sfeer van het zedelijke. Uitdrukkelijk wordt stelling genomen tegen de veelverbreide gedachte, dat internationaal machtsmisbruik inclusief oorlog, behoren tot de gevallen wereld, waar de Kerk niets aan zou kunnen doen. Neen, evenzeer als er in het individuele leven normen gelden, gelden zij ook in het samenleven der naties. Daarom aarzelt de commissie niet uit te spreken, dat oorlog in beginsel zonde is.

Verantwoord wordt dan over het oorlogsprobleem naar bijbelse opvatting gehandeld. Niet dat de oorlog rechtstreeks in de Bijbel verboden wordt. Maar hij wordt nergens geprezen, slechts als feit erkend (de Bijbel is nu eenmaal een realistisch boek). Daar echter inbreuk op de naaste zedelijk veroordeeld wordt, houdt dit eveneens een principiële afwijzing van oorlog in.

Als eerste oorzaak van de oorlog ziet het rapport het ontbreken van een internationale organisatie, die een rechtvaardige orde handhaaft. Daarnaar te streven is thans gebod.

Verder ziet het rapport als dieperliggende oorzaken in onze dagen (te duidelijk is, dat in verschillende tijden de oorzaken verschillen): lotsverbetering en verlangen naar machtsuitbreiding van verschillende volken. De lotsverbetering zal moeten worden aanvaard, maar niet langs de weg van oorlogsgeweld. De Christenen moeten zich er bewust van worden, dat in bestrijding van sociale misstanden een belangrijke oorlogsbestrijding ligt. Hier sluit het rapport onmiddellijk aan bij wat de sociaaldemocratie steeds en hartstochtelijk betoogd heeft. En hier zal de Kerk moeten leren, dat zij haar aandacht moet besteden aan die machten, die zulk een internationale sociale orde willen.

Het verlangen naar machtsuitbreiding, waarbij niet-materiële motieven overheersen (afwijzing dus van het Marxistisch gronddogma!), is het gevolg van een ideologie, die een demonische macht over de geesten heeft. Zelfverwerkelijking van een volk, dus het niet meer onderworpen zijn aan hogere normen, wordt echter door het Evangelie radikaal verworpen.

Intussen, volksbestaan heeft waarde. Niet, dat Nederland het Israël van het Westen zou zijn, noch dat een volk een geheel eigen goddelijke waarde zou hebben. Elk zelfstandig volksbestaan houdt vloek èn zegen in. De zegen van een volk is gelegen in de mogelijkheid om in gerechtigheid te leven, terwijl de vloek deze is, dat het volk een doel in zichzelf, en daarmee een bedreiging voor anderen wordt. Ais nu het zelfstandig volksbestaan gehandhaafd wordt, dan mag dat alleen maar, omdat volk bestaat tot de zegen der gerechtigheid. Daarzonder heeft een volk geen bestemming.

Maar hoe staat het nu, indien een zelfstandig volk wordt aangevallen? Mag het zich verdedigen? Of moet het zich met grote zelfverloochening, overgeven? Ziehier de vraag, waar het christen-anti-militarisme de kerken voor stelt.

Op de antwoorden wil ik de volgende week nader ingaan. Maar nu wil ik reeds hierop wijzen: over het bovenstaande was de commissie eensgezind. Dat betekent dus, dat mannen van verschillende politieke en godsdienstige richting ( overwegend orthodox en christelijk-historisch met Barthiaanse inslag) voor het forum der Nederlandse kerken zijn getreden met deze conclusie, dat de God-Nederland-Oranje-mythe verwerpelijk is; dat evangelische eis is te strijden voor een internationale rechtsorde, waarbij de sociale spanningen zijn gemilderd en dat een volk pas zijn bestemming volvoert, indien het niet zichzelf, maar gerechtigheid verwerkelijkt.

Het is zaak voor de kerken, dit goed te begrijpen; hiernaar goed te luisteren. Door in de prediking te laten horen, dat het Evangelie inderdaad niet van deze wereld is.

Zeker, deze commissie heeft geen doorsneemening gegeven van het „geloof der gemeente” op dit stuk van zaken. Dan zou het rapport er anders hebben uitgezien. Maar zij heeft wel verdergearbeid aan de christelijke waarheid.

die niet voor enkele zielen geldt, maar voor de ganse wereld; die niet de wereld naar de mond praat, maar de wereld de weg wijst.

Het is ook voor buitenchristelijke socialisten zéér de moeite waard naar dit waarlijk bovennationaal geluid te luisteren.

De gereformeerde Synode

Eerlijk gezegd: ik heb wel erg onwennig zitten staren naar de lange verslagen van de synodale zittingen der Gereformeerde Kerken, die in Sneek werden gehouden. Zes weken lang hebben die vergaderingen geduurd. Die verslagen lezende, kon men onder de indruk komen van de kwesties, die in gereformeerde kringen brandend werden geacht en zich erover verwonderen, dat de synode zo weinig reageerde op de ~bijzondere omstandigheden”. Maar ik zou dat alles als Hervormde niet hardop hebben durven zeggen, vanwege dezelfde bezwaren tegen onze eigen synodale verslagen, indien niet (dr.) G(eelkerken) in ~Woord en Geest” de vergaderingen aan een beschouwing onderwerpt en deze dingen ronduit zegt. Hij weet trouwens sinds Assen, wat deze vergaderingen betekenen.

Natuurlijk, voor éen synode, die slechts om de drie jaar vergadert, is er veel klein grut te bewerken. Dat moet geschieden, ondanks de spanning der tijden.

Maar er waren ook grote kwesties. En in dat opzicht faalde deze bijeenkomst, naar de mening van dr. Geelkerken geheel. Hij spreekt van het markeren van de pas.

De Oxford-beweging, waartegen bezwaren waren ingébracht, werd noch veroordeeld, noch aanvaard; de aandrang van de zijde der confessionele arbeiders, om de werkgevers te nopen zich in christelijke organisaties te scharen, werd afgewezen. Ten aanzien van de C.D.U., zo lazen wij, was de conclusie der synode niet duidelijk. Het promotie-recht van de Kamper Theologische School (een zéér oude kwestie) werd aan een volgende vergadering ter beslissing gegeven.

De lectuur van de verslagen heeft den buitenstaander niet de indruk gegeven, dat een profetische geest de Gereformeerde Kerken doorvaart. In Sneek schenen intussen wel veel priesters en schriftgeleerden bijeen te zijn. Helaas.

Shaw tot de aartsbisschop van New York

Vonder commentaar vertalen wij uit de New Statesman van 7 Oct. een ontboezeming van Bernard G. Shaw, die, in haar vereenvoudiging niet aanvaard kan worden, maar zeker de moeite van het overdenken waard is.

~De aartsbisschop van York heeft in zijn jongste radioreden gelegenheid gekregen een groot Christen-prelaat te worden. Helaas begon hij niet als een Christen-prelaat, maar als een echte heethoofdige Engelsman, door zijn zegen te geven op onze troepen, omdat zij ~gewijd” waren tot de allerhoogste onmiddelijke plicht, Herr Hitler en de zijnen te lynchen. Nu kan ik niet ingaan op de kwestie, waarom Herr Hitier bestemd zou zijn om gelyncht te worden, zonder griezelige analogieën te opperen tussen zijn geval en dat van Signor Mussolini, Generaal Franco, Stalin en de zijnen, en zonder gebeurtenissen in Indië en lerland op te rakelen, gebeurtenissen, die onvriendelijke pennen hebben voorgesteld als vrij dictatoriaal onzerzijds. Ik herinner enkel den Aartsbisschop er aan, dat, ofschoon wij makkelijk een honderdduizend volstrekt onschuldige Duitsers, mannen, vrouwen, kinderen, kunnen vermoorden met het doel Herr Hitler aan te pakken, maar dat wij dan tenslotte hem nog niet gelyncht hebben; en de vermoording van Duitsers en onze eigen verliezen gedurende het verloop van de oorlog, zou een geestesgesteldheid aan beide zijden te voorschijn brengen, die zou werken als een volstrekte vernietiging van het Christendom en die de aartsbisschoppelijke slotwijding onmogelijk zou maken. Als wij zouden winnen, zou een nieuw en erger Versailles te gebeuren staan. En indien wij, wat helaas mogelijk is. Rusland en Duitsland samen zouden drijven tegen ons om die catastrofe te verhinderen, iets, wat juist onze Stalinvrezers roekeloos pogen te bewerkstelligen, dan zullen wij inderdaad Gods hulp nodig hebben en deze niet verdienen.” L. H. RUITENBERG.