is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1939, no 5, 28-10-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op den Hogen Commissaris zijn aangewezen, gaat het om twee dingen: naturalisatie en arbeid. Deze hangen samen, want het is gebleken wat trouwens voor de hand ligt dat in het algemeen gesproken eerst dan de ganse persoonlijkheid zich inzet, wanneer de uitgewekene bij de wet behoort tot het land, waar hij veiligheid zocht. Niet zonder reden wordt ook daarom in het Rapport aangedrongen op verlaging der naturalisatiekosten, en bespoediging van het proces der naturalisatie. Dat hier voor de regeringen moeilijkheden liggen, bezwarender door het optreden van Duitsland, wordt grif erkend. Bovendien past het ene volk zich gemakkelijker aan dan het andere. De Armeniërs b.v. wensen niets liever dan opgenomen te worden in het andere volk. De Russen daarentegen zijn er over het algemeen moeilijk toe te krijgen. Wat het verschaffen van werk betreft over de werkloosheid in eigen land wordt in dit verband gezwegen arbeidsvergunning kost geld, wat voor de meesten een onoverkomelijk beletsel is. En zij die toestemming hebben, hebben zich vaak bitter te beklagen over plagerijen van ondergeschikte ambtenaren. Uitzonderlijke moeilijkheden biedt de behandeling van Sudeten en Tsjechen. Toen de Hoge Commissaris in Januari van dit jaar, Praag bezocht, kon hij zich krachtens zijn mandaat, alleen het lot aantrekken van die Duitsers en Oostenrijkers, welke in Tsjecho-Slowakije met toestemming van de regering asylrecht hadden verkregen. Het behoeft geen toelichting hoe onzeker en wankel dezer bestaan was. De onderhandelingen over de vestiging van het merendeel dezer maatschappelijk ontwrichten, voornamelijk in Engeland, waren in volle gang toen de gebeurtenissen van Maart j.l. de ganse situatie opnieuw veranderden. Onder de talrijke bewoners van Bohemen, Moravië, Slowakije, die toen naar Polen vluchtten, waren een groot aantal, voor wie de commissie uit de Volkenbond verantwoordelijk was. De aan Sir Emerson toegevoegde Zwitser, Kullmann ging naar Warschau, onderhandelde m«t Buitenlandse Zaken en met particuliere vluchtelingencomité’s en kreeg gedaan dat deze opgejaagden in Polen mochten blijven, totdat het gelukt was ze naar elders, Engeland, Frankrijk, Amerika enz., te transporteren. In het officiële rapport wordt met nadruk melding gemaakt van het begrip en de menselijkheid van de Poolse regering.

Helaas kon Polen niet toestaan, gezien het Jodenvraagstuk in, eigen land, dat aan een zo groot aantal Joden als Sir Emerson voorsteide, een tijdelijk verblijf in Polen werd toegestaan. Deze weigering wordt verklaarbaar, als men bedenkt dat door het Britse Comité tussen 15 Maart en 30 Juni ongeveer 1700 dier ongelukkigen van Polen naar Engeland konden worden overgebracht. Enige hondertallen werden bovendien door Noorwegen en door Zweden gemachtigd, zich in die landen te vestigen. Als dan in Mei een groot aantal Joden uit Bohemen, Moravië en Slowakije toch weer beginnen door te dringen in Polen, moet getracht worden dit te verhinderen. Engeland, Frankrijk, Scandinavië en andere landen, ook het onze, hebben zich over hen ontfermd. Helaas ontbreken de middelen voor een massale emigratie van Joden uit Tsjechië. Dat de pogroms van November j.l. het Rapport spreekt van gebeurtenissen of daden zonder enige qualificatie het vluchtelingenvraagstuk nog ingewikkelder heeft gemaakt, behoeft geen betoog. Ook wij weten hier het nodige van. Van de 120.000, volgens andere berekeningen

140.000, zielen die het vorige jaar Duitsland verlaten hebben, neemt men op goede gronden aan, dat 60.000 een nieuw vaderland en bestaansmogelijkheden gevonden (hebben. Een andere 60.000 in West-Europa, zijn of geheel, of gedeeltelijk voor hun onderhoud afhankelijk van particuliere organisaties. De Verenigde Staten, Palestina, Australië, en de landen van Zuid-Amerika hebben het grootste aantal verwerkt. Maar welk land heeft niet een groter of kleiner aantal van deze ongelukkigen opgenomen?

En hoe vele duizenden zijn er niet in ons land en elders die wachten op het ogenblik, dat zij toestemming krijgen om uit te wijken naar Noord- of Zuid-Amerika?

Het Rapport maakt melding van de gedegen

onderzoekingen of vestiging van grote groepen mogelijk zou zijn in Britsch Guyana, op de Philippijnen, op St. Domingo en in Noord-Rhodesia. Om economische redenen schijnt dit laatste uitgesloten. Pioniers zouden in andere gebieden goed werk kunnen doen ter voorbereiding van massale nederzettingen.

Of de middelen toereikend zullen zijn voor vestiging op grote schaal, is een vraag die het Hoge Commissariaat met bezorgdheid vervult. Wat zeer te betreuren zou zijn, want een bezoek aan de Belgische en Nederlandse vluchtelingenkampen heeft Sir Emerson ervan overtuigd, dat tal van Jonge mannen en jonge vrouwen gereed staan om in verre landen pionierswerk te ondernemen.

Kon men maar over ruimer middelen beschikken, want de Volkenbond zou veel beter in staat zijn om zijn invloed te doen gevoelen en zijn aandeel te vergroten aan deze grote humanitaire taak, als zijn vertegenwoordiger nu en dan financiële hulp kon aanbieden aan particuliere organisaties, die nu de volle last alleen moeten dragen. Zij verdienen al de steun die men ze geven kan, want zij verrichten een groots werk in moeilijke en vaak neerdrukkende omstandigheden. Een van de zeer schaarse bemoedigende kanten van de huidige tragedie ligt in de wijze waarop duizenden helpers uit tal van landen een probleem trachten op te lossen, waarvan de proporties en de ingewikkeldheid eer zullen toe- dan afnemen. En het Rapport dateert van voor 3 September.

Wie oorlog zegt, behoeft waarlijk niet alleen te denken aan slagvelden en loopgraven. Het vluchtelingenprobleem, waarvan het officiële Rapport van de Volkenbond spreekt, wijst op gevolgen, die een som van lijden vertegenwoordigen als misschien nimmer tevoren over de mensheid is uitgestort. E. C. KNAPPERT.

ONZE SCHOLINGSCURSUS

TWEE BRIEVEN

De éne: ik zou graag uw cursus van twee jaar volgen, maar ik kan er de tijd niet voor vinden. Toch lijkt het me zulk mooi werk... Mag ik u voor die twee jaar een bedrag sturen, zodat een ander er van profiteren kan?

De andere: niettegenstaande ik gemobis liseerd ben, zou ik graag uw tweejaars lijkse cursus volgen. De tijd zal ik wel vinden. Maar van de soldij kan bet niet af. Zou bet nu tóch mogelijk zijn?

Mijn vraag na die van de twee brieven: Zijn er meer zo als de ene, en meer zo als de andere? Voor gemobiliseerden die mee willen doen, vinden we stellig een weg.

BOEKBESPREKING

P. Eldering: Wondergeloof en Wonderverhalen, z.j. De Tijdstroom, Lochem, 122 blz. ingen. ƒ1.75, geb. ƒ2.40.

De schrijver begint zelf met te erkennen, dat de strijd over wat men dan populair het „wonder” noemt niet meer zo in het middelpunt der belangstelling staat als in de vorige eeuw. Onze tijd is een andere, met een andere tegenstelling op geestelijk terrein: niet meer de tegenstellingen: natuurlijk bovennatuurlijk, doch redelijk bovenredelijk, anti-redelijk!

Toch komt de wondervraag zelf in beperkte zin telkens nog weer aan de orde, waar immers de bijbel zelf vol „wonderen” staat. Toen de schrijver een reeks lezingen hield over dit onderwerp voor dc V.P.R.O. die hierbij dan gebundeld zijn bleek hem dan ook, dat er veel belangstelling voor dergelijke vragen was. Vandaar deze uitgave. Het is een boekje geworden, dat zich prettig en vlot laat lezen en waar vooral de bijbellezer en de catecheet een en ander aan hebben kan, ook al ziet men sommige dingen anders. P. Sm.

Dik Trom klassiek?

Het stukje van mej. E. C. K. in het vorige nummer van „Tijd en Taak” over ~Het Klassieke Hollandse Kinderboek” mag misschien voor de oningewijden nog wel een kleine toelichting.

De tentoonstelling van kinderlectuur uit 45 landen door het „Bureau international d’Education” te Genève kwam in het laatst van het vorige decennium tot stand. Er behoort een rapport en een boekenlijst met korte gegevens over elk boek bij. Dit rapport verscheen in 1929.

Voor ons land werden 55 boeken uitverkoren. Deze keuze kwam tot stand door de medewerking van mej. Clercq te Utrecht, mej. Kluit te Rotterdam, mej. Dyserink te Den Haag, mevr. Van Hoogstraaten te ’s-Gravenhage, mej. Suze Groshans, den heer Mulder te Gouda, mej. Francken te Zutphen en mej. Saskia Lobo, dus van één heer en zeven dames, vnl. werkzaam in kinderbibliotheken.

De uitgekozen boeken zijn in vijf groepen verdeeld, daaronder is groep c die, welke kinderboeken aanduidt als klassiek, „als een soort erfenis voor de jeugd”.

Van de 55 boeken, die voor Holland uitgekozen werden, zijn vier deze eretitel waardig gekeurd. Welke?

1. De koning der mensenredders door Tjeerd Adema.

2. Op moeders schoot door Herm. J. Jacobs.

3. Uit het leven van Dik Trom door C J. Kieviet.

4. De wereldreis van Bulletje en Boonestaak door A. M. de Jong.

Nummer 1 kent waarschijnlijk geen 5 pet. van de Nederlandse jeugd; het gaat over Dorus Rijkers. Nummer 2, ja, wat is dat?, dat is een verzameling bakerrijmpjes, maar de Bodenheimpjes zijn veel meer bekend. En dan komen nummer 3 en 4.

Zijn deze klassiek? D.w.z. staat het vast, dat dit boeken zijn, welke door de jaren heen gelezen worden en zullen worden, zoals b.v. Robinson Crusoë, Alleen op de wereld en dgl.? Mij dunkt, dat zal de tijd moeten uitmaken. Een in deze zin klassiek oorspronkelijk Hollands boek is mij niet bekend.

Verstaat men onder klassiek „tot op heden veel gelezen”, dan komt Dik Trom zeker deze titel toe, hoezeer mej. K. en ik dit ook mogen betreuren. Maar dan had Pietje Bel toch zeker ook genoemd moeten worden. Ongetwijfeld hebben de adviseurs dit laatste ook gekend. Dat ze het niet op de lijst hebben gezet, mag voor ons aanleiding zijn om aan te nemen, dat voor hen bij het uitverkiezen van Dik Trom „klassiek” nog iets anders betekend heeft dan ~veel gelezen”. Zij moeten dit zelf maar verantwoorden.

Ik heb het stukje in „De Groene” niet gelezen, maar is de veronderstelling nu zo heel ongegrond, dat de auteur daarvan Dik Trom „klassiek” genoemd heeft op gezag van voornoemde adviseurs? Deze laatsten zouden dan hierin meteen een voorbeeld kunnen zien hoe ver inderdaad hun verantwoordelijkheid reikt.

Trouwens, ook in ander opzicht heb ik aanmerking. De toelichting bij een van mijn eigen boeken: Keteltje in de Lor zie, luidt aldus:

Story of a little vagrant; the son of a rich family becomes hls friend and attends to hls education.

Het gecursiveerde is onjuist en niet alleen dat, maar het maakt, dat men onwillekeurig moet denken: nou, dat is ook een afgezaagd thema, terwijl ik juist bedoeld heb te tekenen, welke opbouwende krachten er leven onder de weinig met aardse goederen gezegenden.

Wat nu ~Afkes tiental” betreft, ~klassiek” in de zin van: „het werd, wordt en zal worden gelezen door de jaren heen”, kunnen we er nog niet op toepassen, omdat het daarvoor nog te jong is. Wanneer we in ~klassiek” echter tevens onze hoop en verwachting mogen uitdrukken, dan sta ik natuurlijk geheel aan de zijde van mej. K.

Bij het opmaken van een dergelijk klassiek lijstje zouden wij trouwens helemaal wel tot een ander resultaat komen dan degenen, die deze permanente tentoonstelling inrichtten en bijdroegen tot de samenstelling van de catalogus. COR BRUIJN.