is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1939, no 6, 04-11-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZATERDAG 4 NOVEMBER 1939 – No. 6 38STE JAARGANG VAN DE BLIJDE WERELD

Aan God behoort de aarde en haar volheid. Psalm 24:1

Tijd EN Taak

RELIGIEUS-SOCIALISTISCH WEEKBLAD

ONDER REDACTIE VAN DR. W. BANNING ADRES DER REDACTIE: BENTVELDSWEG 5 – BENTVELD

VERSCHIJNT VIJFTIG MAAL PER JAAR – 3 BSTE JAARGANG VAN DE BLIJDE WERELD

ABONNEMENT BIJ VOORUITBETALING PER JAAR F 3.40, PER HALFJAAR F 1.75, PER KWARTAAL F 0.90 PLUS 15 CENTS INCASSO – LOSSE NUMMERS 8 CTS POSTGIRO 21876 – GEMEENTEGIRO V 4500 – ADMINISTRATIE GEBOUW N.V. DE ARBEIDERSPERS, HEKELVELD 15, AMSTERDAM-CENTRUM

GOD EN DE^OORLOG

Het is een helaas vrij gewoon vers schijnsel: dat vrome lieden God graag voor hün karretje spannen en ook de ontzettendste gebeurtenissen der ges denis zó weten te duiden, dat Gods bedoelingen samenvallen met hun mens selijke streven het verschijnsel komt in alle kringen voor, tot zelfs in de atheïss tische (al spreekt men daar dan niet van God). Een merkwaardige en karaks teristieke uiting daarvan trof mij in het laatste nummer van het Katholieke orgaan „De Nieuwe Gemeenschap”, waar drs. C. A. Braun een beschouwing over de oorlog aldus eindigt: „Zo ziet men dat de huidige strijd, hoe verschrikkelijk ook, ons hij het streven naar een Nieuwe Gemeenschap niet met een verlammende passiviteit behoeft te slaan, doch dat het zeer goed mogelijk is, dat God in Zijn Oneindige Wijsheid, juist deze oorlog met al zijn ellenden gebruiken wil om de mensheid nader te voeren naar een Nieuwe Gemeenschap.”

Ook wij brengen op een of andere wijze de oorlog in verband met ons ges loof en trachten er zoal niet mee „in het reine” te komen („oorlog” en „rein”, hoe kan men de twee verbinden?) dan toch iets van Gods stem er in te horen. Maar aan een uitspraak als de bovens aangehaalde wordt mij toch wel scherp bewust, welk een ander karakter onze religie draagt. Ik noem twee dingen, die m.i. het wezenlijke raken, al weet ik heel goed dat er een vraagstuk volkomen onopgelost blijft staan.

Het eerste wezenlijk verschil is dit: als ik mij, nuchter en zakelijk, zonder sentimentaliteit en ook zoveel mogelijk zonder angst, indenk de werkelijkheid van de oorlog: gemechaniseerde vers nietiging, waarbij geen enkele menselijke waarde onaangetast blijft met als sterkste motief machtswil en drift tot doden, en ik stel daarnaast voor zover ik dat kan: de wereld van God zoals het Evangelie die verstaat: de wereld van barmhartigheid, gerechtigheid, liefde en

vrede dan wordt mij opnieuw bewust: van Gods wereld uit is de oorlog vers oordeeld als zonde, onvoorwaardelijk en volstrekt. Ménsen zijn het, die bewust de oorlog hebben voorbereid en hem nu voeren; ménsen zijn het, die met de uiterste verfijning der techniek er zich op toeleggen om hun medemensen zo? veel mogelijk leed aan te doen, ze murw te slaan om ze dan aan hun wil te onders werpen; m.a.w. ménsen zijn voor de oorlog verantwoordelijk, zij voeren hem, en de krachten die hem beheersen zijn steeds menselijke, ook als wij ze beests achtig noemen. Wij mogen uit gods= dienstig oogpunt God daarvoor niet aansprakelijk stellen; oorlog is menselijke daad, menselijke zonde.

Ik weet wel, dat ik nu een ontzaglijk moeilijk en voor ons geweten pijnlijk vraagstuk laat staan: hoe het kwaad in de wereld is ontstaan; hoe God de zonde heeft toegelaten. Het is mij niet onbes kend, dat in alle eeuwen de edelste denkers zich met hun heste krachten op dat vraagstuk hebben geworpen, en er als lerlei theorieën over hehben opgezet. .. het vraagstuk staat er nog, in al zijn grus welijke ernst. In tijden als de onze, waars in wij weer iets kunnen verstaan van Faust’s huiverende klacht; „de gruwzame levensellende grijpt mij aan”, mogen wij toch niet ’s mensen verantwoordelijkheid daarvoor wegwerken door de ellende maar aan Gods wil toe te schrijven. In volle zwaarte en tegelijk in haar bes vrijdende kracht laten wij de gedachte staan, dat Gods wegen hoger zijn dan menselijke. Zijn gedachten ondoorgrons delijk; maar dit kan nooit betekenen dat wij „zonde” en misdaad geen zonde meer noemen, en haar met de wil Gods gelijkstellen. Neen, God heeft de oorlog niet gewild, hij is de volstrekte onts kenning van de heiligste wet des levens, die der liefde.

Een tweede wezenlijk verschil ligt hiers in, dat allerlei vrome lieden zo vlotweg hün idealen vereenzelvigen met de wil

van God. De een verkondigt luide, dat een groot sterk nazisDuitsland in de bes doelingen van den Almachtige ligt; voor een ander is het de democratie onder Engelse bescherming, voor een derde de vrijheid der kleine naties, voor een viers de het socialisme, voor een vijfde de Nieuwe Gemeenschap naar Roomsskas tholiek model en de oorlog moet dan deze bedoelingen bevorderen. In een wijsgerige bui komt mij het woord van Rilke te binnen: „mensenwoorden zijn star en dom, zij brengen Gods geheimes nis om”. In een strijdbare bui en die heb ik eerder, wanneer ik op bovenaans gehaalde stichtelijkheden stoot komt alles in mij in opstand. Ik stel mij even konkreet voor: dat ik geroepen zou wors den hij een in de oorlog gewond medes mens hij zij Pool of Fransman of Ens gelsman of Duitser en hij zou mij vragen.... Zou ik ooit de moed künnen, en ook mogen hebben om te zeggen: „God in Zijn oneindige wijsheid wil de oorlog gebruiken om de mensheid nader te voeren naar de Roomsskatholieke Nieuwe Gemeenschap” of wat een ans der daar zou believen in te vullen?

Een dergelijke „troost” zou ik voelen als een hoon aan wie in lijdensnood vers keert. Maar ook als een gevaar voor hem die deze troost uitdeelt: zo wordt in de ziel de gewetenspijn die wij om de oors log behóren te hehhen, al te gemakkelijk gesust. Neen, het enige wat wij die achs terblijven zouden mogen zeggen, is dunkt mij dit: opnieuw gaat het Gericht over de wereld, omdat wij allen hebben ges zondigd tegen Gods heilige wetten, en wie het Gericht verstaat, wete dat hij zich heeft te bekéren. Ik kan de dood van hen die vallen, op geen enkele wijze goedpraten of goedtheologiseren. Het enige wat ik kan hopen is, dat wij inners lijk gelouterd straks (dus nu) bereid zub len zijn om God iets zuiverder te dies nen....

W. B.