is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1939, no 6, 04-11-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in Engeland nodig heeft geacht een speciaal lichaam in het leven te roepen om te waken voor inbreuk op burgerlijke vrijheden en dat deze commissie sedert haar oprichting handen vol werk heeft gehad? Zolang in beide democratieën het kapitalisme bloeide, was het niet moeilijk om in een democratie te leven. En men had eerbied voor de vrijheid, omdat er geen onoplosbaar conflict was tussen de eisen van het bezit en de belangen der gemeenschap. Maar nauwelijks was het conflict er, ja reeds toen het dreigde, werd de inherente tegenstelling tussen kapitalisme en democratie duidelijk. De eigenaars van de productiemiddelen zijn niet geneigd de voorrechten aan hun bezit verbonden, op te geven. Zij kunnen het offer niet brengen dat gepaard gaat met de keus van gelijkheid en het opgeven van hebzucht. „Indien de democratie armoede en werkloosheid niet veel langer verdragen wil die, zoals Keynes zegt, terecht verbonden zUn met het tegenwoordige kapitalistische individualisme, dan zijn de bezitters bereid de democratie te vernietigen. E. C. KNAPPERT.

') Harold J. Laskl werd In 1893 geboren, studeerde in Oxford, hield voordrachten In Amerika, o.a. in Harvard, is verbonden aan de London school of economics.

Hij is lid van het scheidsgerecht voor geschillen tussen werkgevers en werknemers. Aan de universiteit van Cambridge doceert Prof. Laski staatswetenschap.

Duitsiand-Turkije tot 1918.... en later

Met grote belangstelling kijkt de wereld naar Turkije. Velen noemen de politiek van dit land „raadselachtig” en „onduidelijk.” Wat echter ondubbelzinnig vaststaat, is: met het Derde Rijk wil Turkije niets te doen hebben ondanks Papen! In dit verband zijn misschien enkele feiten en citaten die de verhouding Duitsland—Turkije tot 1918 belichten, niet zonder belang:

1867: De uit de Hohenzollern-Dynastie afkomstige koning Carol van Roemenië verklaart: „Ik weet dat het de historische taak van Duitsland is om zaïidoostwaarts te gaan.” 1884: De bekende Duitse historicus Leopold von Ranke schrijft: „De staathuishoudkunde van Duitsland is niet te scheiden van het noodlot van Constantinopel.”

1889: De jonge Duitse keizer Wilhelm II maakt zijn eerste reis naar het buitenland, en wel naar Constantinopel.

1898: Wéér bezoekt WUhelm II Turkije. 1908: Wilhelm II richt zich tegen de „omsingelingspolitiek die de enige en laatste weg van Duitsland naar de wereld over de Balkan naar Turkije voor ons land sluiten” wil.

1912: „Rusland heeft in Turkije niets te zoeken; het is in zijn eigen belang, als het zich niet in de Turkse aangelegenheden mengt”, waarschuwt de Duitse gezant in Constantinopel.

1914: Turkije gaat de oorlog in als bondgenoot van Duitsland.

1916; De Duitse politicus Prof. Dr. Ernst Jackh schrijft in een officieel boekje over „Die Türkei und Deutschland”; „De aansluiting van Turkije, Syrië en Palestina bij Rusland, Engeland en Frankrijk zou ónze uitsluiting uit deze in de toekomst economisch belangrijke gebieden hebben betekend. En daarmede zou de Duitse toekomst zijn uitgeleverd aan de Russische overmacht.”

1916: In hetzelfde geschrift lezen wij: „De Duitse en de Turkse belangen vertonen zóveel overeenkomst, dat zij één lijn moeten volgen.” En hoe oordeelde in 1918, enkele dagen nadat de wereldoorlog geëindigd was, Kemal Ataturk, de dictator van Turkije, over de politiek van zijn land? In een gesprek met den Engelsen journalist Ward Price zei hij: „Het land had bij zijn traditionele goede betrekkingen met Engeland moeten blijven.” Twintig jaar later, 1938, gaf Turkije’s minister van Buitenlandse Zaken, Saradjoglou, aan Ward Price de verzekering: „Men zal Turkije nooit meer aan de zijde van de vijanden van Engeland vinden.”

October 1939: Het Engels-Prans-Turkse verdrag wordt ondertekend.

Rad io- uitzendingen voor scholen

I n 1938/’39 verzorgde de Belgische School-I omroep niet minder dan 211 uitzendingen, die in drie gelijke gedeelten bestemd waren voor groepen kinderen van 10 tot 14 jaar, van 12 tot 15 jaar en voor de oudere scholieren. Het grootste deel van de onderwijsstof werd in de vorm van dialogen, reportages en korte hoorspelen de jonge luisteraars bijgebracht. Als men dit rooster nader beschouwt en in de gelegenheid is af en toe naar deze uitzendingen te luisteren, dan komt men tot de slotsom, dat België op het gebied van de schoolomroep, naast Engeland en de Scandinavische landen, het meest systematisch te werk gaat; een resultaat, dat niet in de laatste plaats te danken is aan de taaie inspanning van H. Opdebeek, die dit deel van het programma onder zijn hoede heeft.

Dit schoolprogramma is buitengewoon gevarieerd. Het omvat alle takken van onderricht. Deze uitzendingen, die reeds in tal van scholen, door de hiervoor in aanmerking komende klassen en onderwijzers of leraren beluisterd worden, hebben de bedoeling aansporend te werken. Zij volmaken het schoolonderwijs en vullen het aan. Haar basis is het bestaande schoolsysteem in België, waarin zij zich inschakelen. En wel naar ik mij kon overtuigen met het beste resultaat! Bekende pedagogen, kunstenaars, geleerden verklaren de muziek der monniken of spreken over het ontstaan van Leuven, vertellen korte verhalen in het Engels of bewerken sagen en legenden tot hoorspelen. Zij leren de leerlingen oude kronieken te ontcijferen of geven reportages uit industriële bedrijven. Onder leiding van haar onderwijzer bespreekt de klas dan het gehoorde, maakt notities, stelt vragen, schrijft opstellen. Met welke een mate van belangstelling de leerlingen deze uitzendingen volgen en hoe zij zich met het gehoorde bezig houden, bewijzen honderden schoolschriften, die de N.I.R. wekelijks ontvangt en waarin zich opstellen, tekeningen, vragen en antwoorden bevinden, tot welke de schooluitzendingen de leerlingen geprikkeld hebben. Die schriften worden dan nagezien door de leraren, die in het bureau van het Departement voor Openbaar Onderwijs zitten.

Elke maand verschijnen gedrukte „Mededelingen betreffende de radio-uitzendingen voor de scholen”, die voor de onderwijzers zijn bestemd. Deze vinden in de „Mededelingen”, die overigens rijk geïllustreerd zijn ,inleidende artikelen omtrent de voordrachten, die enige tijd later voor de radio worden gehouden. Deze kleine artikelen moeten de onderwijzers en leraren bijstaan bij hun voorbereidend werk. Zij zijn dus, als zij zich met hun leerlingen aan het radio-toestel zetten, voorbereid; weten ongeveer, wat de spreker straks zeggen zal en waarop de leerlingen attent gemaakt dienen te worden. Radiospreker, onderwijzend personeel, leerlingen; zij vormen eigenlijk een werkgemeenschap.

In de wenken van de Belgische schoolradio wordt o.a. gezegd: „De spreker voor de micro moet beslist kunnen rekenen op de medewerking van den klasseleider, wil de uitzending werkelijk vruchtbaar zijn.

Hij moet zijn leerlingen op de lezingen niet alleen voorbereiden, maar gedurende de uitzending moet hij discreet kunnen ingrijpen door een moeilijk woord op het bord te schrijven, een plaats op de kaart aan te duiden, enz. Meer nog, hij moet voor de leerlingen het levende voorbeeld zijn van den goeden luisteraar.

Noch voor den spreker, noch voor den leraar brengt de uitzending van de schoolradio een uurtje volledige verpozing. Alleen door inspannend samenwerken kunnen we degelijk werk verrichten ten bate der schoolgaande jeugd.” Een jaar of acht reeds verricht de Belgische schoolradio haar werk. De keuze der onderwerpen is steeds strenger en systematischer geworden. De voordrachten hoewel nog niet alle zijn niet meer zo droog en saai. Ze houden steeds meer rekening met de speciale radiotechniek.

Een leerling vertelde mij, dat hij zich het onderwijs zonder schoolradio niet meer kon voorstellen. Dat halfuurtje aan de luidspreker verlevendigt volgens zijn mening niet alleen het onderwijs als zodanig, maakt het niet alleen veelzijdiger, maar geeft de school ook contact met het leven van de grote stad.

In een artikel in het vorig nummer sprak ik over het niet al te hoge peU van het culturele leven in België. Wij hebben gezien, dat de omroep echter zeer belangrijke dingen doet en hier is het vooral de schoolradio, die ver buiten de Belgische grenzen de aandacht op zich vestigt. Het beste resultaat dat de omroep kan bereiken, is: activering der luisteraars. Een groot deel van de Belgische schoolgaande jeugd wordt door de voor haar gearrangeerde uitzendingen geactiveerd.

AUDITOR.

BOEKBESPREKING

Walter Lüthi: De komende kerk, 1939, Erven J. Bijleveld, Utrecht, 166 blz., ingen. ƒ2.—, geb. ƒ2.75. Vertaling van H. C. Touw.

De schrijver, die predikant te Basel is en tot de bekende groep der z.g. Zwitserse theologen behoort, geeft in dit boekje 12 preken, die hij van Dec. 1935 tot Oct. 1936 in zijn gemeente hield naar aanleiding van het oude bijbelboek Daniël. De heldhaftige profetenfiguur van Daniël, die als een eenzame rots in de branding van zijn dagen stand hield, heeft Lüthi bezield, om met Daniël voor ogen de kerk van onze dagen op ook hdar profetische roeping te wijzen. De wetenschappelijke problemen waarvoor het boek Daniël ons stelt, laat hij terzijde, zijn doel is immers een ander. Al is zijn theologie de onze niet en geven wij de voorkeur aan de preken van zijn geestverwant ds. Niemöller, dit neemt niet weg, dat ook deze prekenbundel een krachtig getuigenis geeft van een felle profetische verontrusting, waar veel vrijzinnige dominees nog van kunnen leren wat een preek naar z’ wezen eigenlijk zijn moet. Een enkel voorbeeld zij hier aangehaald: Koning Nebukadnezar ziet zich zo zegt het oude verhaal vanwege zijn trots door God z’n menselijk hart ontnomen en krijgt het hart van een dier, zodat hij nu voortaan daarbuiten moet rondzwerven in de cultuurloze wildernis waar dan zijn haar aangroeit tot arendsveren en zijn nagels tot die der vogels. De schrijver past dit dan aldus toe op onze tijd (bl. 58): de drager van een goddeloos geworden kuituur en een anti-chrigtelijk geworden overkultuur gedraagt zich tenslotte als een „wilde”. Ds geverfde en geparfumeerde en verbrande haren, de trots van den „kultuurmensch” van alle tijden, beginnen te groeien als der arenden vederen, en de gemanicureerde vingernagels zien er uit als vogelklauwen, en de fijnproever wordt verjaagd uit zijn burgerlijke of vegetarische keuken en mag blij zijn als hij met de ossen mag gras eten of draf met de zwijnen opdat de levenden bekennen, dat de Allerhoogste heerschappij heeft over de koninkrijken der menschen...” p. gm.

L. D. Weatherhead: Het lied van den herder, 1939. Erven J. Bijleveld, Utrecht, 233 blz. geb. /2.90. Vertaling van Roel Houwink.

Het Joodse boek der Psalmen spreekt de laatste tien jaar weer opnieuw tot ons geslacht; allerlei moderne uitgaven men denke slechts aan die van Glotzbach zijn er een aanwijzing voor. Geen wonder, waar het in dat oude psalmboek gaat om den bedreigden mens, die nochtans verzoening met het leven en nieuwe innerlijke kracht vindt. De moderne mens, die zich eveneens bedreigd voelt, grijpt daarom naar die oude woorden en tracht zich in te leven in de „oplossing” die hier geboden wordt.

De bekende Engelse schrijver Weatherhead heeft met dit doel een der meest bekende en ’ geliefde pralmen uitvoerig in bovenstaand boekje besproken: de Herderspsalm (23). Het is een vroom mensenhart, dat hier eigen geloof belijdt en daarom blijve in dit geval alle theologische critiek achterwege, die er stellig zou zijn aan te voeren. Het is stichtelijke lectuur, die werkelijk sticht. Tien illustraties verlevendigen de tekst.

F, Sm

Dr. J. N. Sevenster, De boodschap van het Nieuwe Testament, 2 dln. 116 en 124 blz. Van Gorcum Co., Assen. Prijs per deel ƒ0.90 ƒ1.50.

Ik kan mijn oordeel over deze boekjes in één zin samenvatten: omdat ik in ons land geen duidelijker en grondiger werkjes van dit soort ken, heb ik ze op het programma van onze Scholingscursus gezet. Wij hopen er veel plezier van te beleven, en ook nog wel iets meer. w. b.