is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1939, no 7, 11-11-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De ontmoeting

Handelingen 8 : 26—40: Een Engel de 5 Heren zeide tot Filippus: „Maak u op en ga zuidwaarts den weg op van Jeruzalem naar Gaza; die is eenzaam.” Hij maakte zich op en ging op reis. En zie, een Ethiopiër, een invloedrijke kamerling van Kandacé, de koningin der Ethiopiërs, haar opperschatmeester, die naar Jeruzalem was getrokken, om er tr aanbidden, was op de terugreis en las, op zijn wagen gezeten, in den profeet Jezaja. En de Geest zeide tot Filippus: „Ga dicht bij dien wagen lopen.” En toen Filippus er bij kwam, hoorde hij hem in den profeet Jezaja lezen en zeide: „Verstaat gij wel wat gij leest?” Hij zeide: „Hoe zou ik dat kunnen wanneer niemand mij den weg wijst?” en nodigde Filippus uit bij hem op den wagen te gaan zitten. De afdeling der Schrift die hij las, was deze: „Als een schaap is hij ter slachting geleid, en als een lam, stom voor zijn scheerders, zo doet hij den mond niet open. Toen hij vernederd werd, werd het vonnis over hem vernietigd; zijn nakroost, wie zal het tellen? Want zijn leven wordt van de aarde opgeheven.” Nu vroeg de kamerling Filippus: „Ik bid u, van wien zegt de profeet dit? Van zichzelf of van een ander?” Toen opende Filippus den mond en bracht hem, van dat Schriftwoord uitgaande, de blijmare over Jezus. En toen zij de reis vervolgden, kwamen zij aan een water en zeide de kamerling: „Daar is water, wat belet mij gedoopt te worden?” Hij liet den wagen stil houden; beiden, Filippus en de kamerling, daalden in het water af, en hij doopt.e hem. Toen zij uit het water opstegen, voerde de Geest des Heren Filippus weg; de kamerling zag hem niet meer en vervolgde zijn weg met blijdschap. Wat Filippus betreft, men vond hem terug bij Azotus; hij reisde rond en verkondigde de blijde boodschap in alle steden, totdat hij te Cesarca kwam.

zijn zo gewend om bij nieuw-testamen” “ tische verhalen te denken van het Christendom uit. Dat moge zijn religieuze betekenis hebben, als gezichtspunt, historisch is het fout. In die eerste jaren waarvan het boek der Handelingen vertelt, was het Christendom een troepje predikers met hun aanhang, kleine gemeenten in enkele steden. Het Jodendom echter betekende heel wat meer dan wij gewoonlijk beseffen; in de steden van Klein Azië, in Syrië, ja in Griekenland en Egypte vond men Joodse kolonies. Al waren die naar verhouding niet groot, hun geloof stond in aanzien. In die tijd van gisting waren heel wat niet-Joden naar afkomst, tot „Jodengenoten” geworden, d.w.z. zij bezochten de synagogen, of zelfs ge-

heel tot het Jodendom overgegaan, wat uitdrukking vond in de besnijdenis.

Zo was hij dan heel uit Ethiopië komen reizen (de negus van Abessynië had immers ook zijn oud-testamentische verwantschappen!) om in Jeruzalem, ook voor hem de heilige stad, de tempel te bezoeken, zo trok hij dan nu Afrika weer tegemoet, de opperschatmeester van Kandace. Nee, hij was niet de eerste de beste in zijn land, en hij reisde deftig, in een wagen, met extra paarden en bedienden en onder gewapende bescherming. Hij was ook de eerste kinderlijke verrukking van het reizen te boven en deed ai? geblaseerde moderne mensen, en als wereldverachtende geestelijken: hij las op reis. Was het verveeldheid van den hoveling of de vurige begeerte om met die wereld van de tempelberg in contact te blijven? Hij las Jezaja, en hij las als een goed Oosterling hardop. In de verte achter hem blonk nog de witte stad, zichtbaar, tastbaar; aan deze letters en woorden had hij geen houvast.

Rembrandt

Doop van den Moorsen kamerling

Dan opeens loopt er, op die eenzame weg naar Gaza, iemand naast zijn wagen en spreekt den „invloedrijken kamerling” zonder complimenten aan: „Verstaat gij wel wat ge leest?” Het is een vraag, die wij aan vreemden niet plegen te stellen. Wij doen gewoonlijk alsof de millioenen woorden, die dagelijks onder mensenogen passeren, ook inderdaad begrepen worden.

Maar de kamerling Is niet beledigd. En hij geeft vlot toe, dat hij er niet veel uit wijs kan worden. Het is een wonderlijke ontmoeting Het geloof zegt: een engel des Heren zond Filippus naar die plaats, en zie, een Ethiopiër reed daarlangs. De wereld zegt: toevallig kwam Filippus een Ethiopiër tegen. Die verschillende manier van zeggen is niets erg als het geloof maar weet, dat de wereld precies ditzelfde „toeval” noemt, en als de wereld maar weet, dat het geloof Gods engel hier een plaats geeft.

Zo zinvol-toevallig is dus die ontmoeting. En de mannen blijken het te beseffen. Zij komen onmiddellijk tot de zaak. Filippus ziet waar het hapert bij den opperschatmeester; deze geeft zich dadeiijk geheel bloot en nodigt den wildvreemde In zijn hofkoets (waarschijnlijk tot ergernis van den hantainen held te paard!).

Zij verstaan elkaar, want de vraag van den Ethiopiër wijst al naar het antwoord: wie zou die ander kunnen zijn, waarvan Jezaja spreekt? Filippus geeft het antwoord van zijn geloof en vertelt, hoe Jezus’ leven de profetie concreet heeft gemaakt: hij heeft den lijdenden knecht des Heren gezien. De kamerling ziet het met hem, en vraagt om de doop; hij wil, nu zijn ogen geopend zijn, ook metterdaad belijden.

Filippus verdwijnt: de gebeurtenis is vervuld, tot haar volle zin gekomen; Filippus heeft zijn werk gedaan. En als de proef op de som staat er achter: de kamerling vervolgde zijn weg met blijdschap.

Zulke ontmoetingen kennen wij te weinig. Waar de duur zin heeft: in een huwelijk, in een vriendschap, mist onze tijd de volharding om vol te houden. Waar bij de éne ontmoeting het essentiële gezegd is, zeuren wij door: we moesten elkaar eens vaker zien, wanneer past het U?

Het is in beide gevallen stijlloos. En deze stijlloosheid berust tenslotte op ongeloof. Wij durven niet aanvaarden: dit is voor altijd, of: dit is voor één keer, omdat wij in „het toeval” Gods engel niet herkennen.

En toch, heeft niet elk van ons ervaringen van zo’n ontmoeting? Met een landschap, een gedicht, een mens? Piet Paaitjens ziet zijn schone in de trein voorbij rollen, onherroepelijk het onbekende In. Wij lachen om de spot met onszelf daarin, maar het verhaal hierboven is een betere remedie voor alle sentimentaliteit

Ook in „toevallige” ontmoetingen van één keer, hebben wij aan elkaar een taak te vervullen; het is een bijzondere vorm van het algemeen priesterschap, dat wij ook in zo’n vluchtig ogenblik de bodem kunnen raken en het eigenlijk ook moeten. Maar wij hoeven ons dat niet steeds bewust te zijn, zoals Filippus. Het is een taak, die echte mensen, ik bedoel de werkelijk waarachtigen (de opeenstapeling van woorden toont al bedenkelijk, hoe zeldzaam zij zijn of: hoever wij onder de maat blijven), ondanks zichzelve vervullen.

Merkwaardig is dit door M. Buber beschreven: Twee mensen zitten op een eenzame plek naast elkaar. Zij spreken niet samen, ze zien elkaar niet aan. Ze weten niets van elkaar en hebben elkaar deze morgen voor ’t eerst op hun tocht ontmoet. De een denkt nu niet aan den ander, het doet er niet toe, waaraan zij denken. Maar de ene zit op de bank, zoals dat klaarblijkelijk zijn aard is: rustig, open voor wat er ook komt; zijn wezen schijnt te zeggen: je moet niet alleen bereid zijn, maar ook werkelijk hier zijn. De andere wordt niet door zijn houding verraden; hij is een gesloten mens. Wie hem kent, weet, dat hij van kind af leeft onder de vloek van het zich-niet-kunnenuitspreken. En nu wonderlijk uur wordt die vloek opgeheven. Hij spreekt niet, verroert zich niet. Het is aan hem gebeurd. Maar nu doet hij zelf iets. Hij zet de deuren open en het is of zonder woorden alles wat in hem besloten lag, uitstroomt, en alsof de ander deze zwijgende mededeling zwijgend aanvaardt.

Hier is de gebeurtenis uit Hand. 8 tot de uiterste grens teruggebracht. Wanneer wij dit verstaan kunnen wij misschien ook eens een ander „de blij mare” brengen.

F. KALMA—KOOPS

Slechts éénmaal heb ik u gezien. Gij waart Gezeten in een sneltrein, die den trein Waar ik mee reed passeerde in volle vaart. De kennismaking kon niet korter zijn.

En toch, zij duurde lang genoeg om mij Het eindloos levenspad met fietsen lach Te doen vervolgen. Ach! geen enkel blij Glimlachje liet ik meer, sinds ik u zag.

Waarom ook hebt gij van dat blonde haar. Daar de englen aan te kennen zijn? En dan Waarom blauwe ogen, wonderdiep en klaar? Gij wist toch, dat ik daar niet tegen kan!

En waarom mij dan zo voorbijgesneld. En niet, als ’t weerlicht, ’t rijtuig opgerukt. En om mijn hals uw armen vastgekneld. En op mijn mond uw lippen vastgedrukt?

Gij vreesdet mooglijk voor een spoorwegramp? Maar, Rika, wat kon zaalger voor mij zijn. Dan, onder hels geratel en gestamp. Met u verplet te worden door één trein?

PIET PAALTJENS.