is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1939, no 10, 02-12-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eerstelingen

REMBRAND!

Genesis 22 : 9—19. Toen zij nu aan de plaats die God hem gezegd had gekomen waren, bouwde Abraham daar het altaar, schikte het hout, bond zijn zoon Izaak en legde hem op het .altaar boven op het hout. Nu stak Abraham zijn hand uit en greep het mes, om zijn zoon te slachten; maar de engel van Jahwe riep hem toe uit den hemel: „Abraham, Abraham!” En hij zeide: „Hier ben ik”. Hij sprak: „Sla uw hand niet aan den knaap en doe hem niets: w.ant nu weet ik dat gij godvrezend zijt en uw zoon, uw enige, mij niet hebt onthouden.” Toen nu Abraham zijn ogen opsloeg, daar zag hij een ram, met de hoornen in de struiken verward. Hij ging dien ram halen en offerde hem ten brandoffer, in stede van zijn zoon. En Abraham noemde die plaats: „Jahwe zal gezien worden” zoals men thans zegt: „Op den berg van Jahwe zal hij gezien worden”. Ten tweeden male riep de engel van Jahwe van den hemel tot Abraham en zeide: „Bij mijzelven zweer ik, spreekt Jahwe, omdat gij dit gedaan en uw zoon, uw enige, mij niet onthouden hebt, zal ik gewis u zegenen en uw nakroost talrijk maken als de sterren des hemels en de zandkorrels aan het strand der zee; opdat het de poorten zijner vijanden in bezit neme. Met den naam van uw kroost zullen alle volken der aarde zich zegen toebidden; omdat gij naar mij geluisterd hebt.” Hierna keerde Abraham naar zijn knechten terug, en zij stonden op en gingen gezamenlijk naar Bersjeba. En Abraham woonde te Bersjeba.

Kaïn offert van de nieuwe veidvruchten. Abel brengt een van de eerstgeborenen van zijn vee en Abraham maakt zich op om zijn zoon af te staan, zijn zoon, zijn enige, dien hij liefheeft. Daar iigt iets groots in. Het eerste is altijd iets bijzonders. Al zal de oogst veel van die aren geven, al zal het leven alles herhalen, telkens weer, dat eerste heeft een eigen vreugde gegeven, naar dat eerste is het meest verlangd, juist het eerste heeft iets, dat nooit herhaald kan worden.

En nu hebben altijd en overal kinderlijke mensen dat heel bijzondere, dat zeer begeerde en zeer dierbare weer afgestaan aan de geheimzinnige onkenbare wereld, waaruit het gekomen was.

ABRAHAM OFFERT IZAAK

Daar mag dankbaarheid in schuilen en dat doet het zeker. Wie ooit gezien heeft hoe op Bali de vrouwen voor de talloze offeranden ergens een klein optochtje vormen, zomaar over een weggetje tussen de velden, hoe zij in hun kleurige statie de kunstig versierde oogstgeschenken op het hoofd dragen, die kan niet weer vergeten dat offeren een feest is, een plechtige blijdschap in een schone wereld. Er is ook zeker de hebberige slimheid in, den mens evenzeer eigen, van een spiering uitgooien om een kabeljauw te vangen. Maar is die slimheid practisch gefundeerd of ergens in het onderbewuste, waar wü weten dat er verband is tussen de moed tot offeren en werkelijk gewin?

Hoe dan ook, voor de eerste samenleving, waar ons O.T. mee rekent, was het eerstelingsoffer ook dat van mensen klaarblijkelijk levensgewoonte, een zo diep gewortelde traditie, dat niemand er aan twijfelde of zij was Gode welgevallig. Gen. 22 breekt met die traditie. In korte, onvergeteiijke zinnen wordt verteld hoe Abraham in het oude gebruik een persoonlijk gebod verstaat, en hoe hij gehoorzaamt: zo gingen die twee tezamen. Knechten en ezel zijn al achtergebleven. Op de vragen van den jongen en van zijn eigen hart heeft Abraham maar één antwoord: Jahwe zal voorzien.

En dan wordt het gewone, het voortleven van Izaak, tot een wonder van genade. Het offer hoeft niet gebracht te worden. En toch zal Abrahams nageslacht veelvuldig gezegend zijn. De wU tot gehoorzaamheid was voldoende.

Een verhaaltje dus om een barbaars gebruik te bestrijden? Ook dat misschien, maar deze heel oude, uit de diepte gegroeide verhalen

zijn nergens door een enkele verklaring uitgeput.

Genesis 22 is o.a. ook een nauwkeurige illustratie van de algemeen menselijke ervaring, die Mevrouw Holst op hddr wijze beschrijft in het gedicht op deze bladzij. Altijd weer eist het harde leven of een harde plicht op wat men „het eerst heeft liefgehad”. Voor de dichteres ongeveer de stille innigheid uit de „sonnetten en verzen”; Wij hebben de geluiden van weleer uit ons geplukt als uit een bos de bloemen.’) In gehoorzaamheid is zij bereid dat alles op te geven, waar strijd geëist wordt in een rumoerige wereld.

Als dan de wil om het allereigenste op te geven het leven haast gebroken heeft, nadert de wiekslag van de genade. De hand met het mes wordt tegengehouden. Het offer wordt niet meer gevraagd (of is het innerlijk al gebracht?). Het eerste, eigenste en de toekomst waaraan men het meende te moeten offeren, mogen beide blijven, ja moeten beide blijven.

In het nieuwe licht zou Abrahams offer moord heten en de toekomst afsnijden. In het nieuwe licht zou ook het streven-in-de-wereld dor blijven, als het niet meer gevoed werd door die eigen hof, dat eigen erf. Het offer, dat hoogste plicht leek, dat ons tot gehoorzaamheid opvoedde, blijkt tenslotte overbodig, ja verboden. Daarin ervaren wij nog in deze eeuw genade, zoals Abraham het doet in Genesis 22.

Dit valt niet te verklaren of te vergoelijken, of te bejammeren, wij hebben het eenvoudig te zien.

De eerstelingen van het leven, de eerste echte belangstelling, het eerste ideaal, de eerste liefde, het eerste kind, daar ligt iets in van ongereptheid en argeloze vreugde. Zij zijn het onvergetelijke, zeer eigene. Wij vechten om ze vast te houden, en als Gods eis komt, duurt het lang eer we Abrahams gehoorzaamheid bereiken: „uit vreemde kelken dronk ik bitterheid”.

Maar wie tenslotte iets weet van gehoorzaamheid, leert ook genade kennen. Nieuw en anders ontvangt hij als uit Gods hand het eigenste terug. Maar ook nu pas staat hij met die schatten in het werkelijke leven. Nu pas is de tweespalt opgeheven tussen natuurlijke begeerten en de met weerzin gehoorzaamde plicht, nu pas is er van harte gerichte wU, nu pas is er één vaste grond.

Wij weten er iets van, de een wat meer, de ander wat minder, wij weten ook dat in deze richting het ware leven ligt. Genesis 22, dat „vreemde verhaal” spreekt tenslotte een duidelijk woord.

F. KALMA—KOOPS.

‘) Nieuwe Geboort.

Nu wijkt het diepe, donkre zielsverdriet; niet uit de dingen, uit de wereld niet, zij ligge’ in duister smartélijk-verward waar wit in luister ontbloeit verjongd het hart.

Op vreemde gronden graasde ik langen tijd; uit vreemde kelken dronk ik bitterheid. Gebanne’ uit eigen hof, van eigen erf, twijflend „zal ik ze weerzien eer ik sterf?"

Maar altijd zocht ik, worstelde om weer te vinden ’t eig’ne, om dat éne zeer vertrouwde herwinnend, na langen dool, toch de vrucht te behoude’ in levens school

gerijpt. Nu ten leste wordt mij verleend deze genade. In mij wordt vereend wat was gescheiden: ’t eig’ne en wat ik vond buiten mij, worden tot één vasten grond. H. ROLAND HOLST.