is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1939, no 10, 02-12-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

•, I lil yj I^^

De Eerste Kamer

Zelfs de N.R.Crt. heeft in TB, toen zich door het knallen van de zweep van Troelstra ook bij conservatieven een ongewone ijver, om te hervormen, uitte, de Eerste Kamer overbodig genoemd en zich voor haar afschaffing verklaard. Zij is eens aanbevolen als bolwerk voor de Troon en als een dam tegen de wassende stroom der democratie. Dat was ze ook eens, toen haar leden alleen uit de kringen van het hoogste intellect en van het grootste bezit werden gekozen. Nog is deze Kamer in het algemeen meer conservatief dan de Tweede. Zij wordt geprezen om haar bezadigdheid en het wordt nodig geacht, dat zij daardoor al te wilde sprongen van de Tweede Kamer kan tegen gaan. Deze laatste gaat echter ook waarlijk niet over ijs van één nacht en in haar hervormingsarbeid doet ze meer denken aan het voorzichtig stappen van een grijsaard dan aan het rennen van een wilden knaap. Prof. Krabbe zag eens als een belangrijke taak der Eerste Kamer, om de besluiten der Tweede te toetsen aan het rechtsbewustzijn van het volk. Nu is ieder echter geneigd, om zijn eigen rechtsbewustzijn met dat van het volk te vereenzelvigen. Men kan niet met onpartijdigheid en beslistheid vaststellen, wat het volk wil en zijn rechtsbewustzijn eist. Alleen reeds door de wijze, waarop de ieden gekozen worden, staat de Tweede Kamer dichter bij het rechtsbe'wustzijn van het volk dan de Eerste.

De laatste jaren is de Eerste niet veel anders dan een doublure van de Tweede Kamer en er wordt dan ook niet veel notitie van haar genomen. Krantenlezers slaan weinig of geen acht, op hetgeen in de Eerste Kamer verhandeld wordt. Men noemt haar tegenwoordig ook wel de Kamer van herhaling. Het laatste schriftelijke stuk met beschouwingen over de Rijksbegroting 1940, het antwoord der regering is verschenen en men kan er niet anders van zeggen dan; Niets nieuws! Men mag dit de regering niet verwijten. Zij had toch te antwoorden op aan- en opmerkingen, die reeds door de Tweede Kamer tot haar gericht werden. Thans zullen er een paar weken redevoeringen over de verschillende hoofdstukken der begroting gehouden en veel „nationale” tijd nutteloos besteed worden. Daarbij zullen de ministers, die in deze tijd zoveel en zo zwaar werk te doen hebben, ook van hun tijd en kracht moeten geven. De Tweede Kamer en de regering hebben de laatste maanden snel en veel gewerkt; er is niet veel tijd verpraat. De depiocratie blijkt best in staat, in moeilijke tijd flink en vlug te handelen; we hebben daartoe niet de hand van den sterken man nodig. De Eerste Kamer gaat thans herkauwen, wat voor parlementaire arbeid echter overbodig is.

Er is thans geen tijd en gelegenheid voor een Grondwetsherziening; bij een volgende mag echter wel dit blok aan het been onzer democratische staatsinrichting weggenomen worden.

In het gedrang

De positie van Nederland tussen de staten ie thans wel zeer onaangenaam. Wij zijn als een jongen, die in een dicht gedrang staat tussen twee grote, sterke mannen, die ruzie hebben. Wij krijgen een deel der klappen, die zij voor elkaar bestemd hebben en wij kunnen niet uit het gedrang komen. Zullen we om de onverdiende klappen dan ook maar gaan vechten? Wij hebben tegenover beiden reden, om van ons af te slaan, maar krijgen dan ook een dubbele portie terug. En daar onze hand-

jes maar kunnen tikken, terwijl de knuisten der twee beuken, doen we verstandig, kalm te blijven en onze handen in de zakken te houden. Niemand verwacht dan ook, dat wij Engeland of Duitsland de oorlog zullen verklaren, omdat zij tegen het recht in schuldig zijn aan de verlamming onzer scheepvaart, aan de ondergang van vele onzer schepen en de dood van vele onzer zeelui.

Maar wie vraagt er nog naar recht, nu de oorlogvoerenden bezeten zijn door de vernielingswaanzin? Engeland wil, dat niets meer Duitsland in- of uitgaan zal en knoeit daarmee onze handel en welvaart; om de wetten en bepalingen van het volkerenrecht bekominert het zich daarbij niet. Duitsland voert thans een mijnenoorlog tegen Engeland, maar een mijn is een dom en dood ding en maakt geen onderscheid tussen een Engels en Nederlands schip. De Sliedrecht, een onzijdig schip, op weg naar een onzijdig land werd getorpedeerd en de bemanning aan een ontzettend lijden of de dood overgelaten. Wij kunnen niet anders dan ernstig en krachtig protesteren tegen het onrecht en de onmenselijkheid, waaronder wij lijden. Wie zich het ergst tegen ons misdraagt? Het is moeilijk uit te maken; de mijnen dragen niet het adres van den afzender en bovendien zijn ze onvindbaar, als zij hun werk gedaan hebben. Maar 'wij hebben reden, om ons over beiden te beklagen. Indien de regering krachtig en moedig de stem van het recht doet horen, doet zij, wat haar plicht is, en het is van waarde, dat die stem gehoord wordt, nu het geweld al meer de plaats van het recht inneemt.

De zwakke behoeft niet bang te zwijgen, als de sterke hem onrecht aandoet. We horen liever het protest van een ernstig betoog van onze aan andere regeringen dan het protest door het bulderen der kanonnen en het ontploffen der bommen.

Geen weermacht

Evenals de S.D.A.P. hebben ook de Vrijz.- democraten het beginsel van nationale ontwapening prijs gegeven of beter opgeschort tot betere tijden. Ook zij menen, dat Nederland thans tot landsverdediging verplicht is. Op de Jaarvergadering in de vorige week hebben wij de stem van Prof. 'Van Embden niet gehoord. Toch ontbrak niet geheei een getuigenis voor ontwapening. Een deel van de afd. Bussum verklaarde de instandhouding ener weermacht om idealistische en economische redenen verwerpelijk te zijn. Maar dit standpunt had in de vergadering slechts een zeer geringe aanhang. Of onze weermacht inderdaad enige staat zal weerhouden, om ons aan te vallen? ■Wij durven hier geen oordeei uitspreken, maar zeker heeft die macht onze beide buurstaten niet weerhouden, om grievend onrecht tegen ons te plegen. En wat staat ons nog te wachten? In een botsing met legermachten der grote mogendheden zou het ons gaan als met een kleine baby-auto, die door een zware vrachtauto aangereden wordt. Hoe zou het ons echter thans vergaan, als we geen oorlogsmacht maar slechts een veiligheidsmacht hadden? Indien wij tijdig ontwapend hadden. Zou onze onzijdigheid, naar we menen, evenzeer ontzien worden als thans. Dat „zeer” betekent niet veel!

Er is een kleine staat, Luxemburg met een kwartmillioen inwoners, die nog dichter bij de oorlogshaard gelegen is dan Nederland. "Volgens een verdrag van 1867 is het groothertogdom een niet gewapende, neutrale staat. De minister-president verklaarde onlangs, dat het een souvereine staat is en geen rekening

en verantwoording behoeft af te leggen over de wijze, waarop het zijn landsverdediging organiseert. Luxemburg heeft een legertje van enige honderden mannen vrijwilligers; men mag het gerust een veiligheidswacht noemen. Volgens den minister-president worden vreemde vliegtuigen onmiddellijk geïnterneerd, ook al heeft men geen wapenen, om het overvliegen, tegen te gaan. Het leger der vrijwilligers is met 100 man versterkt; zij moeten met de douane en rijksveldwachters de grenzen bewaken. Om incidenten aan de grens te voorkomen, 'is het vissen in de grensrivieren verboden en ook het jagen in het grensgebied. De regering denkt er ook over een burgerwacht op te richten, om deserteurs der oorlogvoerenden te kunnen interneren. Uit neutraliteitsoverwegingen waakt de regering ook, dat de luidsprekers niet te luid spreken en de Luxemburgse zender doet geen Duits of Frans meer horen, maar zwijgt. Het zal nog moeten blijken, of op de duur de neutraliteit van Luxemburg ontzien wordt; hetzelfde geldt echter ook van de onze, ondanks onze weermacht.

Engeland en Duitsland beiden tonen de laatste tijd in hun optreden tegen ons al heel weinig eerbied voor ome weermacht, om van vrees maar niet te spreken.

Christenen en de militaire dienst

De Maasbode schreef onlangs; Altijd is de oorlog een gruwzaam bedrijf geweest. Hij is het zeker niet minder in onze tijd, die de vernietiging van goed en leven met de middelen der moderne techniek op de meest geraffineerde wijze heeft opgevoerd. Hoe kan dit ooit behoren tot de verrichtingen van een priester?

Men weet, dat de geestelijken, de bedienaren van de godsdienst van de militaire dienst zijn vrijgesteld. Terecht, meent dus de Maasbode.

Terecht heeft echter A. B. K. hierbij opgemerkt; Wie er zo over denkt, die moet verlangen, dat al zulke daden als zedelijk ontoelaatbaar zullen worden verboden aan allen, die haar het woord der Kerk luisteren.

„Niet tweeërlei oirbaarheid voor gewijden en ongewijden, maar een zedewet voor alle geschapenen, die als zodanig allen gewijden zijn.”

Prof. Wagenaar schrijft in „Evangelisch Zondagsblad” over deze kwestie, dat de dienaren der Prot. kerken al hun krachten zullen moeten inspannen om op gronden, ontleend aan het priesterschap van alle gelovigen, de kerken een principieel afwijzende houding tegenover de ooriog te doen aannemen.

„Wanneer het zo ver komt, dat de kerken 'zich haar roeping in deze bewust worden, zodat het verzet niet van een enkelen princi'piëlen dienstweigeraar uitgaat, dan zullen wij zeker meer dan door vele vredesconferenties, die zich op de goede wil der naties beroepen, vorderen op de weg, die de vrede tussen de volkeren versterkt.” Prof. Wagenaar noemt het verder waarschijnlijk, dat de kerk daarbij misschien de staat tegenover zich zal vinden.

Dit komt neer op het standpunt van „Kerk en 'Vrede”, die de oorlog zonder uitzondering in volstrekte strijd acht met het Christendom en oordeelt, dat men niet tegelijk kruis en zwaard kan dienen.

Het is vooral in deze tijd niet makkelijk, om te oordelen over weermacht en landsverdediging, over de noodzaak, om geweld tegenover geweld te plaatsen.

Maar wie zijn vaderland trouw wil zijn, dienen en verdedigen in de geest van Christus, zal zich door alle bezwaren en bedenkingen niet laten weerhouden, om tegenover iedere oorlog het gewetenswoord: Neen! te zeggen. J. A. BRUINS.

BOEKBESPREKIN G

Het nieuwe Testament. Nieuwe vertaling van het Ned. Bijbelgenootschap.

In de rubriek Uit de Kerkelijke Wereld, in ons blad van 18 Nov., raadt ds. Ruitenberg deze nieuwe vertaling te kopen, als volgende maand de goedkope uitgaaf van ƒ 0.40 verschijnt. Mag ik nog even vóór Sinterklaas een lans breken voor de nu verschenen grote uitgaaf, een mooi gebonden boek, ruim en met grote letter gedrukt, voor de prijs van ƒ 1.90? Toen een van onze grote kinderen Vaders exemplaar zag, kwam het dadelijk op haar „verlanglijstje”, terwijl ze al twee bijbeltjes bezit. H. B.—S.