is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1939, no 12, 16-12-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KRITISCHE KRONIEK

Poëzie in wording

Sinds het voorjaar van 1939 bezit de jongste generatie in de Nederlandse letterkunde een eigen maandblad: Werk; sinds het najaar bezit ze ook reeds een eigen overzichtelijke bloemlezing: In aanbouw (Leopold, Den Haag, 1939). Uiteraard volgt de kleine kring van dichterlijk;e belangstellenden met gespannen aandacht de ontwikkeling der jeugdigste talenten, omdat uit hun midden de enkelingen naar voren zullen komen, wier werk van beslissende betekenis zal zijn in de wordende litteratuur. Met grote nadruk dient men uit te spreken, dat het bij kunst van blijvende waarde altijd om enkelingen gaat en dat derhalve de merkbare neiging om de prestaties der jongeren te karakteriseren met termen, die men slechts met voorbehoud bij Vondel en Hooft durft gebruiken, weinig minder dan ridicuul en verderfelijk is. Wie de ongeveer 150 bladzijden leest, door K. Lekkerkerker bijeengebracht, zal slechts hier en daar iets aantreffen, dat zich boven een zeker algemeen niveau verheft. Er is nog maar weinig persoonlijke stem hoorbaar; veelal bemerkt men een soort vaag spreekkoor, waarvan men zich zelfs afvraagt, of het ook niet reeds eerder zo of ongeveer zó werd vernomen. Is ook de vorige generatie, thans naar de veertig lopende of deze mijlpaal reeds voorbij, in de jaarboeken Erts niet begonnen op een wijze, die in wezen toch slechts geringe verschillen toont?

Wanneer ik de Noord-Nederlanders apart beschouw, vind ik daarin een gestegen aandacht voor het vers-technische deel der poëzie; de gedichten zijn over het algemeen metrischer geschreven en hebben een duidelijker strofenbouw. Het vrije vers verloor terrein. Weer is de bekoring van een zekere romantiek, vaag en avontuurlijk, zij het slechts in gedroomde avontuurlijkheden, een overheersend thema. Herhaalt de geschiedenis zich toch? Komt opnieuw, na het kortstondige tijdvak van het vitalisme, dat te vergelijken is met de tijd van ’BO, een periode van bezinning en ver-

langen, van verstandelijkheid en ambachtelijke verskunst, zoals De Beweging heeft gekend? Er zijn stellig enige symptomen, maar eer deze zich versterken tot een prlnclpiëel verschil, zullen nog een paar jaren moeten verlopen. Zoals de toestand zich thans vertoont, zien we een groep is het wel een groep? van zeer wisselende leeftijd, waarin enkele reeds bekende namen het recht hunner bekendheid bevestigen en de overigen de noodzaak hunner onbekendheid slechts zelden twijfelachtig maken. Want wat zich hier tot uiting dringt, is bijna nergens belangrijk; het zijn oude gevoelens, duizendmaal gezegd en duizendmaal beter gezegd; het zijn vooral litteraire gevoelens, en daardoor verliest dit boekje als levensgetuigenis zoveel van zijn waarde. Steeds weer vraagt men zich af, of niet al deze poëzie een soort gezelschapsspelletje is, waaraan men mee kan doen als men lust heeft en dat men nalaat als men andere bezigheden vindt. Er heeft zich in de laatste vijftien jaren een dichterlijke taal gevormd, die momenteel door een halfhonderd „dichters” met vaardigheid wordt toegepast. Is dit reeds bedenkelijk, ernstiger is het merkwaardige feit, dat men onder de oudere critici eer geneigd schijnt om al maar van bloei te spreken, dan ronduit te zeggen, wat toch de waarheid is, dat ook onder de jongeren velen zich blijkbaar geroepen achten, terwijl er maar weinigen uitverkoren zijn.

De samensteller heeft het ons overigens gemakkelijker gemaakt om tot de menselijke waardigheid van een deel der vertegenwoordigde schrijvers door te dringen: hij heeft namelijk van een paar dozijn jongeren een portret opgenomen. Nauwelijks groter ondienst had men de jongste poëzie kunnen bewijzen, dan deze galerij van ijdelheid, pose. branie en geschminkte diepzinnigheid. Gelukkig bleef een klein getal der besten behoed voor deze vernederende, ja vernietigende confrontatie met zichzelf maar van Bert Decorte, Hanno van Wagenvoorde, L. P. J. Braat, Louis de Bourbon, A. Mar ja, Johan Daisne en Jan D’Haese berooft het portret ons van de laatste rest verwachtingen, niet alleen omdat zó’n gelaat alleen de spiegel van zó’n ziel kan wezen, maar vooral omdat deze personen blijkbaar zich zó aan een groter publiek wensen voor te stellen. Er zijn tenslotte ook foto’s denkbaar, die men verscheurt.

Men moet naar de leeftijd blijkbaar de groep zeer gevarieerd achten: Gerard den Brabander en Jac. van Hattum, die beiden van het eeuwjaar dateren, staan broederlijk tussen jongens van onder de twintig. Preek van Leeuwen heeft ook zijn plaats gevonden in deze kring, ofschoon zijn debuut héél wat verder terug ligt dan de gestelde grens van tien jaren. Van Jac. van Hattum verschenen inmiddels aparte bundeltjes: Frisia non cantat (Mees, Santpoort 1938) en Bilzenkruid (Boosten en Stols, Maastricht, 1939), waarin hij zijn talent bevestigt; het talent van iemand die sterk afhankelijk is van zijn jeugdherinneringen en in zijn stijl een gezuiverde retoriek handhaaft, waardoor zijn verzen vertrouwd aandoen zonder evenwel door plotselinge flitsen van schoonheid te overtuigen. Beter ook dan uit de vijf gedichten in de bloemlezing kan men de merkwaardige dichter Eric van der Steen leren kennen uit zijn bundeltje Controversen (Mees. Santpoort, 1938). Speelt reeds in de titel Contro-verzen de geest van ironie en litteraire grapjes mee, nog duidelijker blijkt de aparte humor uit de gedichten zelf. Een fantastische inslag, zoals eigenlijk alleen Richard Minne bezat, geeft lichte gloed en charmante glans aan de vaak sombere woorden. De weinige keren dat Van der Steen zijn speciale taalvormen niet vónd maar kennelijk zócht, zijn gering in aantal naast de vele malen, dat hij op oorspronkelijke wijze associaties aanbracht en daarmede de sfeer van droom en tegelijk gruwelijke ernst in hun onderlinge tegengesteldheid indrukwekkend beschreef.

Tot de jongeren, die misschien wel uitgenodigd waren maar niets inzonden, misschien ook overgeslagen zijn, behoort de Vlaamse dichter-criticus-prozaist Maurice Gilliams, van wie de bundel gedichten ~Het verleden van Columbus” werd uitgegeven (Meulenhoff, Amsterdam 1938). Ik houd Gilliams voor een begaafd schrijver; zijn boek „Elias of het gevecht met de nachtegalen” heeft mij destijds zéér getroffen, maar deze gedichten blijven me vreemd. Als ik het hier aanwezige Marialeven

vergelijk met de onvergetelijke verzen van Rilke, begrijp ik niet, hoe iemand ze kan doen drukken. Groot is overigens de tegenstelling wel tussen de vrije en meestal rijmloze, nog al zakelijke gedichten uit Columbus en de zware, zwoele, dreunend retorische prestaties waarmee zijn landgenoten vertegenwoordigd zijn in het overzicht.

Van een drietal dichters bereikte mij nog een uitgaafje; van hen behoort althans één, inmiddels reeds overleden, tot de groep der jongsten: Will Wemerman. Door de zorgen van Victor van Vriesland werd uit de nalatenschap een klein bundeltje uitgegeven: Twee Kasteelen (Mees, Santpoort 1939); in dit werk ontmoet men een sympathiek jong mens, nog dichterlijk ongevormd maar stellig begaafd; iemand die eer poëtisch aangedaan moet heten, dan een scheppend poëet; derhalve klinkt zijn stem niet dóór temidden van de anderen. Van welke leeftijd A. ter Haghe en H. Asder zijn, is mij niet bekend; wat productie betreft behoren ook zij stellig tot de jongsten, althans van na 1900 Naar mijn oordeel echter voegen noch de Hardnekkige Monologen van de eerste (Mees, Santpoort 1939) noch de Keuze van de laatste (Boucher, Den Haag 1939) een nieuw element toe aan het totale karakter der wordende poëzie en evenmin iets van nieuwe schoonheid aan onze algemene litteratuur, al bewijst een gedicht als De Zondige Bede bij Asder een zeker talent. G. STUIVELING.

rijkers. Een dergelijke regering zou, wanneer een behoorlijke vrede gesloten ware, van helerharte medewerken aan de opbouw van een federalistisch systeem in West- en Centraal-Europa. Kan dit? Stalin zou er niets van willen weten, want de parlementaire democratie zou er door verstrekt worden over een groot deel van Europa. Bovendien zou de beweging van de grond op moeten worden gebouwd met als aanknopingspunt de kleine ..ondergrondse” groepen, die zelfs onder de terreur zijn blijven voortbestaan. Doch er zijn nog andere moeilijkheden.

Zijn Engeland en Frankrijk bereid?

Zijn de Engelse en Franse regeringen bereid binnen Duitsland politieke groepen te steunen, wier tegenhangers in de eigen landen door hen bestreden worden? Is Chamberlain, is Daladier bereid om de Duitse socialisten te helpen, Hitler af te zetten? Een Duitse democratische revolutie, onder voornamelijk socialistische leiding, zou een oorlogsdoel zijn, dat Labour van harte zou onderschrijven. Laat ons eens aannemen, dat dit, zo niet Chamberlain’s, het oorlogsdoel van Groot-Brittannië is met betrekking tot Duitsland. Wat zou hieruit volgen? Duitsland zou dan moeten weten, dat Engeland op een dergelijke mogelijkheid wacht om niet als vijanden, maar als medearbeiders met vroegere dwalingen af te rekenen en de grondslagen te leggen voor een betere Europese ordening. Kortom de Geallieerden moeten inderdaad strijden voor een federale oplossing van het probleem. De oorlog moet verklaard worden niet zozeer aan de nazi’s als wel aan de ganse opvatting van Staatssouvereiniteit, waarvan het nationaal-socialisme een extreme toepassing is. Dit begrip moet in Engeland en in Frankrijk zo goed als in Duitsland bestreden worden. En Engeland moet bereid zijn om alle gevolgen ervan te aanvaarden voor het Britse Imperium. E. C. KNAPPERT.

') Directeur van de Engelse Bank.

BOEKBESPREKING

De zwarte hengst Bento, door Dltha Holesch, geautoriseerde vertaling van M. C. Castendijk. Uitg. Cultuur-serie, Zuid-Holl. Uitg. Mij. Den Haag.

Dit boek vertelt het leven van een paard, dat in Duitsland geboren, naar Brazilië getransporteerd, een tijd lang in de wildernis doorbrengt, totdat het uit zichzelf weer de mensen en de dienstbaarheid opzoekt. Het boek is geschreven van uit een grote liefde voor het edele paard en dit geeft er een eigen bekoring aan. Het vertelt interessant van het leven in de Braziliaanse wildernis, van de dieren, die er voorkomen en hun leefwijze, en van de toestanden op de Braziliaanse farms. Het is nergens diep of treffend, en de prospectus, die herinnert aan Curwood, overdrijft juist iets te veel, maar het is leerzaam en aangenaam en in de laatste bladzijden stijgt het toch wel tot een zekere bewogenheid. Maar men moet van dit soort lectuur houden. Ook de besten in dit genre, Curwood en Jack London, slagen er niet in tot de diepte door te dringen van de dierenziel. Ik heb altijd als bezwaar tegen deze boeken gevoeld, dat ze pogen ons te doen vergeten, dat een dier een mysterie Is. Men ziet een dier allerlei doen, en het kan met grote aandacht waargenomen zijn en echte liefde, tenslotte ontgaan ons de innerlijke drijfveren. Wat bezielt een dier? Dergelijke schrijvers voeren de dieren denkende en pratende op, maar dieren schijnen nu eenmaal niet te denken en hun bewustzijn wat weten we ervan? Ze gaan langs ons, ze leven met ons, maar we kennen ze niet. Te schrijven de roman van een dier: wat een onmogelijke opgave!

Het boek is fraai uitgegeven en met prachtige foto’s verlucht, waarom zegt de uitgever niet, uit welke taal (Duits of Portugees) het vertaald is? RENÊ

Levende Gedachten van Tolstoy door Stephan Zwelg Montaigne door André Gide. Spinoza door Arnold Zwelg. Schopenhauer door Thomas Mann. Uitg. Servire. Prijs per deeltje, fraai geb. ƒ2.50.

In beginsel heeft elke ernstige poging om het rijk van de geest tot uitdrukking te brengen onze hartelijke instemming. De reeks die hier in Hollandse bewerking voor ons ligt, is een breed opgezette internationale onderneming; de boeken worden uitgegeven in Argentinië, Bulgarije, Canada, Denemarken, Engeland, Frankrijk, Hongarije, Nederland, Noorwegen, Polen, Roemenië, Tsjechoslowakije, Yoego Slavië, Zweden. Er ontbreken, zoals men ziet, een paar Europese landen: Duitsland, Italië. Daar is ‘momenteel voor de geest van Tolstoy en Spinoza geen plaats...

De poging heeft onze Instemming, al zien wij ook wel de zwakheden. Een inleiding over Spinoza. hier do.or Zweig gegeven, zou stellig door een van onze Hollandse Spinozisten beter zijn geschreven, en over Tolstoy ware eveneens dieper gravend te handelen. Maar dat blijft bij ondernemingen als deze nu eenmaal het moeilijke pimt. De boekjes (elk van ongeveer 200 bladz.) bestaan uit een inleiding, meer historisch dan wijsgerig, gevolgd door een bloemlezing. Zo iets dus als „Uren met...” Men mag ze niet beschouwen als wetenschappelijkgrondige behandeling, wèl als eerste inleiding. Als zodanig zeer aanbevolen. Ze zullen hun weg wel vinden. W. B.