is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1939, no 13, 23-12-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De oudste droom

Lk. 2 : B—l4.8—14. In die landstreek nu hielden enige herders dien nacht in het open veld wacht over hun kudde. En bij hen stond een engel des Heren, en de heerlijkheid des Heren omscheen hen, zodat grote vrees hen beving. Maar de engel zeide tot hen; Vreest niet: want ik kondig u een grote blijdschap aan, bestemd voor het ganse volk; want u is heden, in de stad van David, een verlosser geboren, namelijk Christus, de Heer. En hieraan zult gij hem herkennen: gij zult een kind vinden in doeken gewikkeld en liggende in een krib. En plotseling was bij den engel een schare van het hemelse heirleger, die God prees en zeide: Ere zij God in den hoge en vrede op aarde onder de mensen, waarin hij welbehagen heeft.

Daar zijn er, mensen als Verwey, met eeuwen Christendom achter zich, voor wie de beelden uit Lukas 2 de oudste, meest eigen droom blijven vormen, die elk jaar naar voren komt, even natuurlijk als de bladeren neerdwarrelen. Daar zijn er, als hij, die een lap zij beschilderde met het tafereel dat deze bladzij siert, die, geraakt door het verhaal van zendelingen uit de verte, daarin hun tehuis vonden.

Daar zijn er ook en het zijn er zovelen die juist dat innige contact met die paar regels uit het oude boek niet, of niet meer, kennen. Wij weten ook zo ellendig veel. Wij weten, dat dit stellig niet een historisch verhaal is. Wij weten, dat vele trekken aan de O.T.ische profetieën zijn ontleend, dat andere met „heidens” geloof samenhangen. Wij weten, dat

de datum niet door het lot geschonken, maar door mensen gekozen is.

En ai dat weten verwart misschien het sterkst degenen, die in hun jeugd leerden: zo is het „echt” gebeurd. Maar wij weten nóg meer. Wij weten ook hoezeer de engelenzang een droom gebleven schijnt. En misschien is dat de grootste hinderpaal op de weg naar Bethlehem.

Nee, wij willen onze kennis en onze schuld niet opbergen voor een paar dagen, wij wiUen eerlijk en nuchter blijven en toch zouden we in zo diepe eerbied willen luisteren en in zo stille gehoorzaamheid op weg willen gaan naar het heil als de drie hierboven.

Is het Kerstverhaal een samenraapsel van heterogene motieven? Het Kerstverhaal is veel wonderlijker dan een nauwkeurig relaas zou zijn, omdat het geloof die motieven alleen gebruikte, zich dienstbaar maakte, om aan de hartgrondige overtuiging vorm te geven.

Niet bewust, niet als een slimmigheid: maar zoals een groeiend wezen instinctief zijn bouwstoffen kiest, zo is in het Kerstverhaal gegroeid wat er in hoorde, om heel precies een waarheid te vertolken. Een overvloed van min of meer verwante beelden en overleveringen is eenvoudig ter zijde gelegd.

Pleit dit voor de artistieke genialiteit van de groep of de mens die dit verhaal zijn huidige vorm heeft gegeven? Misschien, maar meer nog voor de fundamentele verbondenheid van mensen uit alle tijden en werelddelen, die in dezelfde woorden de eigen diepste droom zien uitgedrukt, meer nog voor de vormgevende kracht en de stelligheid van het geloof, dat

deze dingen als waarheid zag en ziet. En voor de waarheid verbleekt de vraag naar de werkelijkheid.

Waarom wij er dan bij stilstaan juist in de Decembermaand? Waarom juist op die datum, die de oude kerk koos in een doelmatige bestrijding van het Perzische Mithrasfeest op diezelfde dag? Zoals het verhaal tot ons komt met tweeërlei opdracht: één aan ons verstand . hoe zit het met dat verhaal? —, één aan ons hele wezen wat zégt je dit verhaal? zo komt ook die datum, die Kerstnacht. Ons verstand moet weten hoe het zit met die datum, ons hart heeft dan, juist dan te luisteren en te kiezen. Zoals de traditie ons inhouden aanbiedt, zo biedt zij de tijden aan. Goddank. Het zou ons anders te machtig zijn. En wij mogen de traditie niet afwijzen, omdat zij deel is van de werkelijkheid van het gegevene, waarin God tot spreken wil.

Neen, het weten is voor wie dóórdenkt, geen belemmering. Het verdiept de vreugde.

Maar de schuld? Het is niet dit jaar voor het eerst dat mensen het hoofd niet durven opheffen naar het grote licht van „de heerlijkheid des Heren”. Het is een geluid, dat altijd weerklonken heeft. Vondel vraagt ook ons al, hoe wij ’t licht verdragen kunnen, dat schijnt in de duisternis van de Kerstnacht. Wij zijn toch niet beter dan Herodes? Zelfs de herders moesten al gerustgesteld worden; „Vreest niet”. M.a.w. het Kerstverhaal zelf vangt onze schaamte al op: „Vreest niet”.

Maar in deze wereld wilt ge geen Kerstfeest vieren? Ge kunt inderdaad kaarsen en groen en lekkernijen weglaten, zo ge wilt, maar dat is ook Kerstmis niet. Kerstmis ligt in de boodschap, in de troost, in de opdracht. En daarover hebben wij niets te zeggen. De dag komt en het woord komt, ondanks ons weten, ondanks onze schuld. De vraag is of wij zullen luisteren.

„Ik kondig u een grote blijdschap aan”. Waarom zouden wij niet luisteren? Wü mogen niet meer de schouders ophaien over een oud verhaal. Want in dat oude verhaal is ons aller diepste zekerheid uitgedrukt. Waarom kijken we niet met stralende ogen op? Behoeven wij de vreugde niet meer dan ooit? Behoeven wij niet boven alles de blijdschap „die allen volke wezen zal”, blijdschap voor allen, die lijden, juist nu? Zijn wij soms bang om het reddende begin te herkennen? Bang dat het iets te maken heeft met het kruis?

Bang, dat het heel ergens anders wacht op onze herkenning dan waar wij het zochten en zoeken? Zijn wij bang voor het geheim in dit alles en durven wij ons leven daarop niet in te stellen?

Het komt misschien in deze wereld boven alles aan op ogen, die het verscholen begin van het nieuwe herkennen, op voeten, die eindeloze afstanden willen gaan om het te zoeken. Het komt aan op harten, die dan ook zonder terughouding durven dienen, wat zij als heil herkenden.

Zij zullen het engelenlied verstaan in een hartbrekende blijdschap. F. KALMA—KOOPS.

Mij werd geen laatre droom beschoren. Waarnaar ik zo hartstochtlijk tuur Als naar die oudste: de englenkoren Bij heldre lucht in ’t nachtlijk uur. Juichend: daar is een kind geboren In doek en krib, in stal en schuur.

Want iedre winter als de twijgen Kaal staan en dunne sneeuw op duin De stappen van mijn vrolijk stijgen Bedekt en in mijn lage tuin

De stemmen van mijn vrienden zunjgen En ’t laatste groen verstierf tot bruin.

Zodat ik, droeve en eenge wachter, De dagen in mijn nevel tel,

Dan vonkt een schijn me in ’t hart en achter Zijn duister zie ’k de sterren wel.

Die mij, haast twijflende verachter. Weer troosten en met stemmenspel

Gestalten door mijn nacht doen gloren. Die roepen: waak, nu is ’tuw uur! Een koning heeft uw hart verkoren Voor doek, voor krib, voor stal, voor schuur! U is een kind, een zoon geboren.

Die eeuwig u als Heiland duur’!

A. VERWEY.