is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1939, no 14, 30-12-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BUITENLANDSE KRONIEK

Bij de wisseling van het jaar

Oorlogskerstmis-1939 is weer achter de rug. Het had erger kunnen zijn. Wel heeft Helsinki de Kerstdagen in de kelders moeten doorbrengen en heeft de strijd in de witte oorlogshel van Finland onafgebroken voortgeduurd: wel zijn er ook tijdens de Kerstdagen schepen tot zinken gebracht; maar in een „totale oorlog” had men erger dingen kunnen vrezen gedurende de dagen, waarop een groot deel der mensen aan andere dingen denkt en de waakzaamheid verslapt... Het had ook erger kunnen zijn achter de fronten. De grootste grief, welke men tegen deze Kerstviering in de huidige omstandigheden kan hebben, is haar onbenulligheid. Die is natuurlijk pijnlijk genoeg en ook is het geen kleinigheid, wanneer de Franse kleuters hun ~Père Noel” om een Maginot-linie in miniatuur vragen en de Londense dreumessen met vuur-uitbrakende tank-j es spelen. In ’t algemeen schijnt er echter wel enige soberheid in woord en gedrag te zijn geweest. En dat is al veel, al zou men wensen, dat er dagen waren, waarop de eenheid van het mensdom zich spontaan kon openbaren.

De oorlog is nog altijd dè „sensatie”. Men mag er nog over spreken. Men ziet hem nog in de bladen, tijdschriften en bioscopen. Men ziet hem op straat in uniform en in reclames. Ja, men ziet zelfs niets anders dan hem. Maar desondanks is hij evenmin in staat, ons chaotisch massa-mensdom ook maar slechts één ogenblik tot het bewust ervaren van een allen-omvattende solidariteit te brenr""

” Misschien is het een romantisch droombeeld, dat zelfs niet vrij is van gevaarlijke aspecten. Vindt in dit verlangen naar een massale eenheldsbeleving niet die massa-organisatie haar oorsprong, die wij in haar meest geperfectionneerde en ook meest afschrikwekkende gedaante zich in het Berlijnse „Sportpaleis , in Neurenberg, op de Piazza Venezia te Rome of op het Rode Plein te Moscou zien manifesteren? Wie de Eerste Meidag kent, weet, ondanks de vervlakking, die ook daar .s ingetreden, dat er andere mogelijkheden zijn. Maar thans is de natie richtpunt, meer dan de klasse, welker historische functie onmiskenbaar terugtreedt. En de overgang van nationale eenheid tot internationale solidariteit is tot dusver alleen voor kleine groepen mogelijk gebleken, wier geest aan geen grenzen gebonden was.

Van de Middeleeuwen tot de opkomst der arbeidersbeweging is het internationaiisme de zaak van een geestelijke aristocratie geweest. Met de verbreding van haar maatschappelijke basis en het ingroeien in de nationale gemeenschap Is het internationale karakter der arbeidersbeweging verzwakt en al zijn er ongetwijfeld mogelijkheden, ook het moderne socialisme met zijn strakke gerichtheid op ordening over te brengen op een boven-nationaal plan en al zal dit internationale plan-socialisme zelfs na de oorlog een noodzakelijkheid blijken te zijn, zo is daarmee nog niet automatisch een internationaal levensgevoel bij de massa’s opgewekt. De arbeid van ingenieur en technicus is reeds lang niet meer aan nationale grenzen gebonden. Maar contact met de volksmassa anders dan via een arbeidscontract heeft de constructeur en bouwer slechts bij grote nationaie werken. Het zal nog wel wat duren, al moeten in deze richting de materiële en sociaalpsychologische grondslagen voor een nieuw international sme worden gezocht, aleer de Europese mens zich zijn Europese sol.dariteit bewust wordt in een groots arbeidsplan.

De militarisering en kazernering der volkeren zal echter naar alle waarschijnlijkheid reacties van uiterst individualistische aard te weeg brengen bij de fijnste geesten. Ook al zouden die elkaar over alle grenzen weten te vinden, zo zouden zij de bruggen niet weten te bouwen, waarover de massa’s tot elkander kunnen komen.

Daarom beseffen wij wel, dat het een illusie is, te hopen op een massaal eenheidsbesef, dat aan de grote, gemeenschappelijke nood over de gehele wereld ontspringt. En toch zal dit besef ons de ontgoocheling, welke elke oorlogskerstmis opnieuw moet brengen, niet kunnen besparen.

De Paus spreekt De beste illustratie voor de geringe bindende kracht, welke er in internationale zin van de christelijke kerk en haar symbolen op de mensheid uitgaan kan, leverde juist in de Kerstdagen het optreden van den Paus. Pius XII heeft voor het eerst tijdens deze oorlog gesproken. Het is wel niet geheel toevallig, dat de veroordeling, die het hoofd van de kathol.eke kerk uitsprak, zich voornamelijk tegen den Russischen aanvaller richtte. Het zai noch de Duitse, noch de Italiaanse geestelijkheid, die altijd nog een modus vivendi (soort compromis) poogt te treffen met de gevestigde machten in het eigen land, onwelgevallig zijn, dat de pauselijke uitspraak niet reeds direct op de overweldiging van Polen is gevolgd. Desniettemin wordt ook de Duitse en Italiaanse expansie-drift, ofschoon niet bij name, op indirecte wijze veroordeeld. „De wil tot leven (wie denkt daarbij niet aan de leer van de „levensruimte”, welke in het Derde Rijk wordt verkondigd?) mag nimmer het doodvonnis betekenen voor een ander volk”. Dat geldt evengoed voor Polen, Tsjechoslowakije, ja ook Oostenrijk en Albanië als voor Finland. Duidelijker te zijn zullen diplomatieke verwikkelingen den Paus wel hebben belet. Grote weerklank, om maar te zwijgen van de verdergaande reacties, welke, naar René in dit blad uiteenzette, verwacht mochten worden van een pauselijk vonnis onder de oorlogvoerende volkeren, zullen de woorden van den Paus met vinden.

Evenmin zijn het grootse perspectieven, weike Pius XII in zijn vijf beginselen voor een billijke internationaie vrede opent. Af zien van geweld, internationale ontwapening, juridische regeling voor het uit de weg ruimen van geschiilen, vreedzame herziening der verdragen: het zijn allemaal waardevolle uitgangspunten, maar het vormt, voorai ook door zijn diplomatieke vaagheid, geen inspirerrad vredesprogram. Een verdere binding en beperking der nationale eigenmachtigheid dan die in de handhaving der verdragen tussen de staten ligt opgesloten, zal men tevergeefs in de kerst-rede tot de kardinalen zoeken. Het behoeft geen kwaaddenkendheid te zijn, wanneer men in deze blindheid voor de noodzaak van een beperking der nationale souvereiniteit, een gedachte, welke in uitgebreide kring in en buiten Europa tot gemeengoed wordt, de invloed van de fascistische omgeving van den Paus veronderstelt. De „heren-overeenkomst” van den Paus met de Italiaanse staat tegen het „communisme” is dienaangaande niet erg geruststellend.

Ondertussen is het pauselijk woord toch ook weer niet geheel zonder positieve betekenis. Evenmin als men het feit mag verwaarlozen, dat het hoofd van de grootste democratie ter wereld, president Roosevelt, het nodig heeft geoordeeld door een persoonlijk gedelegeerde gedurende de oorlog permanent met het hoofd van de katholieke kerk in contact te staan. Het mag een e genaardige indruk maken, deze Joodse staal-magnaat Myron Taylor, voorzitter van de Evian-commissie voor vluchtelmgen, die de verbindingsman vormt tussen twee typische representanten van de Oude en Nieuwe Wereld, als symbool voor het wegvallen van vooringenomenheden, het nauwer aanhalen der internationale banden en de groeiende bezorgdheid voor het behoud der beschavingsgoederen heeft het zijn waarde. Alleen: Roosevelt is al n et veel vrijer op het Kapitool te Washington, dan Pius XII m het Vaticaan. De Roosevelt van December 1939, aan de vooravond van de presidents-verklezingen, welke volgend jaar moeten plaats vinden, is niet meer de Roosevelt, die in het

begin van dit jaar zijn Boodschap de wereld inzond, tegen de fascistische agressie en voor een democratisch eenheidsfront. Balans

Het is wel een rampjaar, dat thans afloopt. 1939 heeft de ondergang van drie staten gezien, terwijl een vierde een strijd op leven en dood te voeren heeft gekregen. De nieuwe wereld-oorlog, sedert jaren voorzien, door Amerikaanse ingewijden in het begin van dit jaar reeds verwacht, ;s ons niet bespaard gebleven. Knappe statistici hebben uitgerekend, dat 70 procent der mensheid zich thans in oorlog bevindt. Al neemt die zeventig procent niet overal even actief deel aan de worsteling, de invloed van de oorlog op de levenswijze en gewoonten der mensen reikt nog veel verder. Want ook het merendeel der neutralen en niet-oorlogvoerenden is in zijn gehele bestaan door de oorlog zwaar getroffen. Het heeft geen zin, zich in bespiegelingen te verdiepen over hetgeen 1940 ons brengen kan; men kan er slechts voor huiveren. Reeds nu is het verlies aan materiële waarden, door deze oorlog over de gehele wereld gebracht, ontstellend. Daarbij moet men niet enkel denken aan de verwoestingen in Polen en Finland en aan het tot zinken brengen van zo talloze nuttige en schadelijke, maar gelijkelijk kostbare vaartuigen. Ook de verarming en economische ontreddering, die b.v. de mobilisatie van 500.000 Belgen of 350.000 Nederlanders meebrengt, is reeds verbijsterend genoeg.

Het enige lichtpunt, wanneer men HBlans voorbijziet aan de reeds van vroeger jaren daterende cultuurvernietiging in de totalitaire staten en aan de knechting en kneveling van het Tsjechische en het Poolse volk, is de betrekkelijk krachtige weerstand van de morele krachten in de westerse wereld. Er gaat reeds ontzaglijk veel verloren. Zo is b.v. het Franse litteraire leven plotseling van een hele generatie beroofd. Grote kunstenaars men denke ten onzent aan den Limburgsen glazenier Joep Nicolas, die de toekomst in ons werelddeel te somber inzag en naar Amerika vertrok; men denke aan anderen, die naar Zuid-Afrika zijn gegaan trekken weg uit Europa en het is nog maar de vraag, of zij in een nieuwe omgeving niet tot onvruchtbaarheid zullen vervallen. '

Maar er is op sommige punten toch een morele weerbaarheid aan de dag getreden, die met geen mode-beweging te maken heeft, maar bewijst, hoe in het kritieke uur krachten opstaan in de veel gesmade wereld van de productieve en reproductieve geest, die zich van hun verantwoordelijkheid voor de toekomst der beschaafde mensheid bewust blijken. Thomas Mann heeft in een zo juist in Zweden uitgegeven rede over het „probleem der vrijheid” (het emigranten-tijdschr.'ft „Sozialistische Warte” ontleent er een belangrijke passage aan) aangetoond, hoe een overmaat van laagheid bij het sceptische intellect het gevoel voor en de erkenning van wat goed is en waar is heeft doen herleven.

„Een periode van teruggang in beschavingsopzicht, van wetteloosheid en anarchie :s klaarblijkelijk aangebroken in het leven naar buiten van de volkeren; maar juist daardoor is de geest een moreel tijdperk binnen getreden; een tijdperk van vereenvoudiging en onderscheiding zonder hoogmoed van goed en kwaad”. Thomas Mann spreekt van een „morele bindmg”, die ook in de kunstenaarswereld wordt aanvaard en deel uitmaakt van een algemener zelftucht der vrijheid in sociaal opzicht.

Merkwaardig genoeg betoogt in hetzelfde tijdschrift een jonge Tsjech, hoe de jongste generatie, in tegenstelling met het negativistische, a-sociale nihilisme van de generatie, die haar levenswijsheid uit Dostojewski en Nietsche putte, zonder illusies omtrent de waarde van deze wereld toch tot een eenvoudige solidariteitszin geraakt. Maar h er, bij deze jongste generatie, geraken wij op nog vrijwel onbekend terrein. En hier is de vrees gewettigd, dat de oorlog niet alleen aan mensenlevens, maar ook aan morele en geestelijke kracht een zware tol zal heffen. En hier is de vraag naar de reserves, ééns voor het herstel vereist, nog benarder dan in het economische leven. B. W. SCHAPER.