is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1939, no 14, 30-12-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van de Uitgeefster

Aan onze lezers.

De buitengrewone omstandigheden van deze tijd in het bijzonder de belangrijke prijsstijgingen van materialen: papier, inkt, enz. stellen de uitgeefster van „Tijd en Taak” voor de noodzakelijkheid óf van enige verhoging van de abonnementsprijs, óf van enige beperking van de omvang der krant.

Na rijp beraad en in overleg met den redacteur is het laatste gekozen. De moeilijkheden voor velen onzer lezers in deze benarde tijd willen we niet nog groter maken dan ze al zijn.

Besloten is nu, dat voortaan eens per twee weken de omvang van de krant tot acht p a g i n a’s zal worden teruggebracht. Eén van elke twee nummers dus. Het andere blijft, zolang als ons dat mogelijk is, uit twaalf pagina’s bestaan.

Met deze maatregel wordt en dit wel zeer tot ons leedwezen de uitbreiding van „Tijd en Taak” van 8 op 12 pagina’s, die we in de aanvang van 1939 met zoveel blijdschap en verwachting begonnen zijn, ten dele ongedaan gemaakt.

Onze lezers zullen deze beperking van omvang en inhoud naar wij hopen willen beschouwen als een klein, maar onvermijdelijk offer.

Wij hopen op hun steun en op hun trouw in deze moeilijke periode te mogen rekenen. Meer dan ooit heeft „Tijd en Taak” in deze tijd een taak te vervullen.

De uitgeefster:

N.V. „De Arbeiderspers'

Kerstsproke

voor Joannes Reddingius

In een witte wolk van vlokken Ben ik door het land getrokken, Ben ik door den nacht gegaan. Heb ik bij uw deur gestaan.

’k Heb geklopt: „Och, doe mij open!” ’k Ben rondom uw huis geloopen. In uw kamer was nog licht. Maar gij hield uw venster dicht.

G’hebt niet naar mijn stem geluisterd; Bij uw raam heb ik gefluisterd: „Toe dan, doe mij open, kind; ’k Wacht hier in den barren wind.

In de koude, natte vlagen. ’k Kom u om een schuilplaats vragen. Om een plaatsje bij het vuur; ’t Is hier buiten koud en guur.”

Maar gij deed de deur niet open. Naar het venster toegeloopen. Sprak gij, zonder medelij: „Bedelkind, ga maar voorbij!”

Om zoo weinig mededoogen Schreiend, is het Kind getogen Naar een oude schapenstal In het witte winterdal.

En de armsten van de armen Trachtten ’t kindje te verwarmen Met hun mager, koude lijf, Met hun handen, koud en stijf;

Dekten ’t met hun eigen kleêren. Dat de kou het niet zou deren; Deelden met Hem ’t schamel brood; Koesterden het in hun schoot.

Toen, voor hun verbaasde oogen. Daalde lichtglans uit den hoogen Op het Kind, dat wonderbaar Straalde als een engel klaar.

Aan eenvoudigen der aarde Was ’t, dat Hij zich openbaarde; Zij, den kinderen gelijk. Zagen in zijn Heerlijkheid.

J. G. DE RIDDER.

WELKE GOD?

~De toestand onzer Europese cultuur” zo schrijft Banning in een vorig nummer van „Tijd en Taak” „doet mij dikwijls het bijbelwoord in herinnering komen: „De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God”. En hij voegt er terecht aan toe: „Practisch hebben wij dit waar gemaakt. En nu in deze afschuwelijke jaren breekt het in onze wereld sluimerend, door het kapitalisme gevoede en nu opgestane barbarisme ios.”

Inderdaad is dat aangehaalde bijbelwoord (Psalm 14 en Psalm 53:1) in de 19e en 20e eeuw in bepaalde kringen door velen nagesproken, o.a. door Multatuli. En wat die ~dwazen”, die de Psalmdichter kende en doorzag, nog slechts in hun hart zeiden (omdat het toen gevaarlijk was, om het luid te zeggen) dat werd in later eeuwen, toen het niet meer gevaarlijk was, door honderdduizenden openlijk gezegd, mondeling en schriftelijk. En velen onder hen handelden er ook naar, maakten het practisch waar. Er waren echter ook en dat weet Banning evengoed als ik die met de lippen zeiden: „Er is geen God” maar wier leven zeker niet als de consequentie, de practische uitlevlng van die woorden gezien mag worden. Dit moeten wij niet vergeten. En evenmin mogen wij vergeten dat er tijden geweest zijn (o.a. de Middeleeuwen), waarin afschuwelijk barbarisme (foltering en verbranding van ketters en heksen en Jodenvervolgingen en kruistochten e.d.) gepaard ging met de belijdenis: Er Is een God. Ja, die barbaarse en afschuwelijke dingen werden bedreven in Gods naam. Een ketterverbranding heette in Spanje immers: „auto-da-fé” d.w.z. daad des geloofs!

Over die woorden: „Er is geen God” of: „Er is een God” mogen wij dus wel eens wat dieper doordenken. Banning zelf schreef indertijd in „Tijd en Taak” dat de ervaring hem nu wel zó wijs gemaakt had, dat hij voortaan, als hij het woord „God” hoorde of las, terstond zou vragen: Welke God?

Dat had hij bij' het aanhalen van dit Psalmwoord ook moeten doen. Welke God wordt door die „dwazen” geloochend?

Eeuwen vóór Christus hebben er, ook in ’t Joodse land, wijze en vrome mensen geleefd, die ’n god, een bepaalde god, een godsbeeld loochenden en openlijk predikten: Zulk een god is er niet!

Zo deed Amos, de profeet, als hij tot zijn volksgenoten, die blijkbaar geloofden, dat hun God bij zijn uitverkoren volk veel door de vingers zou zien, zegt: Juist omdat Jahwe u uitverkoren heeft, zal Hij al uw ongerechtigheden

aan u bezoeken en Israël verdelgen van de aardbodem, wanneer het voortgaat met onrecht doen (Amos III: 2 en IX:7-10).

Zo doet Jeremla, als hij de profeten aanvalt, die heil prediken, zonder de eis tot heiliging te stellen.

Zo doet de onbekende schrijver van het boek Job, die tegenover zijn volksgenoten, die geloofden in een „rechtvaardig” God, die de goeden beloonde en de bozen bestrafte, de waarheid verkondigt: God verdelgt goeden en bozen!

En zo doet een nog vromer en wijzer onbekende, die in de Bergrede spreekt: God doet zijn zon opgaan over bozen en goeden.

Al deze mensen, die toch algemeen als vromen en wijzen geëerd worden, zijn loochenaars van ’n god. Wanneer wij over deze dingen dieper doordenken, dan komt de vraag in ons op, of niet ook de christelijke kerken, door een godsbeeld te prediken, dat men gerust barbaars kan noemen, evenzeer als het kapitalisme schuldig zijh aan het feit, dat velen, omdat ze in een b°naalde god niet meer konden geloven, God loslieten helaas ook in de practijk van hun leven en dan, daar de mens moeilijk leven kan zonder iets, dat boven hem uitgaat, te vereren en te dienen, afgoden zijn gaan dienen als Staat, Kerk, Partij, Volk, Vaderland. En afgoderij leidt onverbiddelijk tot barbarisme. En dan rijst voor ons, religieus-socialisten, deze vraag: Welke God erkennen, dienen en prediken wij?

Dr. H. de Vos, die in het November-nummer van „Het Kouter” terecht opmerkt, dat bij de religieuse socialisten niet alleen het socialisme door de religie, maar de religie ook door het socialisme beïnvloed wordt, zegt dan ook, dat in onze kringen een bepaald godsbeeld leeft. Dat wij Hem zien als god-werker, als scheppende wil, terwijl er bij ons een zekere schroom is om te spreken over God als Liefde, God als Vader, die volgens lied 27 van de Protestantenbondbundel, vriendelijk, teder, op ons, zijne kinderen, nederziet.

Banning schreef Indertijd, dat God voor hem was: „Het waardescheppend Leven”. Dat is toch wel een ander godsbeeld dan waarvan in onze verburgerlijkte kerken gepredikt wordt, misschien ook wel (met een ongerust geweten) door religieuze socialisten. Want er zijn onder onze predikers ik weet het met zekerheid die met deze vraag worstelen: In welke God geloof ik eigenlijk? En welke God kan ik met goed geweten prediken?

Er is In „Tijd en Taak” herhaaldelijk geschreven over vernieuwing der religie, die dan op haar beurt het socialisme vernieuwen zal. Waarin bestaat dan die vernieuwing der religie? Wat is God, wat is Christus, wat is de bijbel voor ons? Hoe moeten en kunnen wij spreken en preken over dood en leven, zonde, vergeving enz.? Vragen, waaraan steeds weer volle aandacht zal moeten worden geschonken.

P. ELDERING.

BOEKBESPREKING

David Cornel de Jong: „De veilige

haven". H. P. Leopold’s Uitg. Mij N.V.,

Den Haag, 1939. Plm. 400 blz. Prijs

ƒ 3.75//4.90.

Ongelooflijk knap werk levert deze schrijver! Wanneer men bedenkt, dat hij in z’n prüle jeugd wegtrok uit het Friese dorpje, dat hij hier met zoveel liefde tekent, om ginds in Amerika te leven en te werken, dan kan men niet anders dan het talent bewonderen, waarmee dit boek geschreven is. Want dit is Holland, dit is Friesland, zoals wij het kennen en liefhebben, maar ook: zoals wij het haten om de kleinheid en bekrompenheid, die er helaas maar al te zeer huizen, ondanks de frisse zeewind, die er waaien kan en het wijde zicht dat er te genieten valt. Het is niet de geringste verdienste van dit boek, dat het ons lage landje aldus die spiegel voorhoudt. Want er moge veel veranderd zijn sinds schrijvers’ jeugd, Holland bezit naast zijn deugden nog steeds zijn ondeugden.

De mensen in dit boek zijn levenswarme figuren en men volgt hun ontwikkeling en hun lotgevallen dan ook met stijgende belangstelling. Het is niet wel doenlijk de inhoud hier in zo’n kort bestek weer te geven. Men leze en oordele zelf.

Wij kunnen niet anders dan de schrijver en ons zelf gelukwensen met dit zo door en door Hollandse boek! T, w—.=!

L. W.—B.

Richard Lapière: „Zoon van Han”.

Zuid-Hollandsche Uitg. Mij, Den Haag. 380 bldz. Prijs ƒ 3.75 /4.90.

Dit tweede boek uit het vijftal nieuwe romans, dit najaar uitgekomen in de bekende Cultuurserie is de uitspraak van de romanjury: „Een boek uit de Cultuurserie is een geschenk voor het leven” ten volle waard. De fraaie bandverzorging en de zeer geslaagde illustraties van Anton Pieck maken dit boek alleen al tot een waardevol bezit. De inhoud van deze Chinese familieroman is er dan ook naar om in zo’n kostbaar gewaad te worden gestoken. Op uiterst gevoelige en fijnzinnige wijze beschrijft Lapière ons het leven van een Chinese familie, vanaf het ogenblik dat de zoon van Han geboren wordt tot het moment, dat deze Han Tö-Lin zelf vader wordt. We zien het grappige kleutertje opgroeien tot een jonge man, die worstelt met de vele problemen hem gesteld door de ingewikkelde riten en plichten, die hij te vervullen heeft en door het noodlot, dat hem af en toe lelijk parten speelt. Ook de andere hoofdpersonen zijn fijn getekend: de matriarch, die de touwtjes in handen heeft, de oude patriarch, de ouders en verdere waarvan men vooral de figuur van Tö-Lin’s oom Han Tsjoeng niet licht vergeten zal. Het geheel is, mede door de uitstekende vertaling van W. H. C. Boellaard, een boek Om te bezitten. L. W; S.