is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 18, 27-01-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vergankelijkheid

Ps. 103 : 14-17. Want hij weet hoe wij zijn gevormd, hij bedenkt dat wij stof zijn. De mens als het gras zijn zijn dagen, als een bloem op het veld, zo bloeit hij; gaat een windvlaag over hem heen, weg is hij, en zijn woonplaats weet van hem niet meer. Maar des Heren gunst is van eeuwigheid tot eeuwigheid over hen die hem vrezen.

Nu om ons heen bommen en mijnen het mensenleven bedreigen, nu de nadruk zozeer ligt op plotseling en heftig gebeuren, vergeten wij haast het andere. Wij vergeten dat bloemen stil staan te verkleuren en zonder gerucht uiteenvallen, wij vergeten het onophoudelijke heendrijven naar „dat rijk, waar ’t wit en stil is”. Wij vergeten het haast, want elke dag zijn er overal ter wereld toch wel mensen die toevallig in een spiegel kijken, en schrikken, mensen die constateren, dat ze minder hard lopen, minder snel combineren dan „vroeger”. Nee, de weemoed om het vergaan van kracht en schoonheid, die als een nevel om het aardse leven ligt, zal toch wel nooit verdwijnen. Maar het is een weinig sensationele droefenis, die door de „laatste berichten” overstemd wordt.

Toch stelt ons juist de vergankelijkheid een

vraag, die alle andere vragen insluit. Wonderlijk eenstemmig zijn onze drie getuigen, de dichters uit een zo ver en uit een zo nabij verleden en hij die zijn boodschap bracht in steen en brons. Elk op eigen wijze spreken zij van de vergankelijkheid.

De psalmdichter grijpt terug naar het scheppingsverhaal. Het droeve vergaan is zo onmiddellijk in verband gebracht met de heerlijke opgang. Mèt de smart om het einde groeit de blijde dank om het begin: „Toen vormde God den mens uit stof van de aardbodem en blies in zijn neusgaten levensadem. Zo werd de mens een levend wezen.” Dan zet hij den mens middenin de natuur, en het is een milde troost. Als gras en bloemen zijn wij wat een verademing —; als een windvlaag, ruw of speels, komt de dood. En wij verdwijnen spoorloos. Nieuw gras en nieuwe bloemen komen altijd weer. Door deze beelden, die de droefenis uitdrukken, maar die heen wij zen naar de deemoed van alle natuurgebeuren, worden wij voorbereid op de slotgedachte, die alleen een sprong schijnt, maar eigenlijk de slotsom is van het voorafgaande. Hier wordt gesproken van Gods gunst die over alle geslachten van mensen gaat, waarin wij passen en een plaats hebben als het grassprietje in de wei, ons kom.en en gaan had zin en toch is het zo veilig geborgen in het komen en gaan van allen. Ook Gorter ziet dadelijk daarheen, waar het leven minder bewust, waar het stiller en ge-

hoorzamer is dan bij ons. In het komen en gaan der trekvogels Is persoonlijke voorkeur voor ons besef uitgeschakeld, zoals in de goede geboorte en de goede dood. Is het dit verband niet meer dan de komende winter, wat ons zacht klagen doet? Zie, zo worden ook wij getrokken, gedreven door het leven heen; wat is, keert nooit weerom, wat eenmaal was, is- toegedekt.

A. Rodin

Zij die eens de mooie Heeulmiere wes

Anders dan de Psalmdichter wordt de moderne mens getroffen door den eenling, gehoorzaam aan wat groter is dan hij zelf. In zijn bewustheid blijft hij eenzaam. Maar alle eenzame vogels, alle eenzame mensen, alle eenzaam leven, trekkend over deze wereld, heeft vaak zonder het te weten de lichte hemel tot een blijvende achtergrond.

De „mooie Heaulmière” heeft de vrouw hierboven eens geheten. Niets kan de vergankelijkheid duidelijker tonen. Wanneer wij ons deze gestalte denken in haar lompen, met uitgetrapte schoenen, dan heeft zij misschien lucifers verkocht, of trappen gedweild, maar de mooie Heaulmière in haar is dood, is weg. Die lompen doen niet ter zake voor Rodin, hij zoekt het wezen. Is dat te vinden in dit gebogen, magere, uitgezakte lichaam? Ongelooflijk genoeg: ja. Rodin stelt dit lichaam, ook dit, „voor het licht” en in zijn blik moet iets geweest zijn van een geweldige, ontfermende liefde die uit God is en die de schoonheid zag in het lelijke, de vergankelijkheid èn de troost. Zij is eenzaam en zij is een der velen, deze vrouw, maar zij is niet verlaten.

Voor geen enkele van de vragen en moeilijkheden waarvoor het leven ons stelt, hebben wij een oplossing gevonden. Wat moeten we met het felle leed, dat mensen elkaar aandoen, wat moeten we met een wereld, waarin maatschappelijk en politiek alles vast schijnt te iopen, hoe moeten we samenwerken met mensen, die wij innerlijk niet benaderen kunnen? Het zijn maar een paar punten.

Is het geen verzachting, dat wij, die hier geen raad mee weten, vergankelijke wezens zijn? Dat aan ons gestumper vast en zeker een einde komt? Dat ons mislukken en ons welslagen in een groter geheel zal opgaan? Dat wij nog altijd horen bij boterbloemen en zwaluwen, al dwalen we naar de goede èn naar de verkeerde kant vaak af?

Kunnen wij ooit bekomen van de dankbare verwondering, dat wij eens dit leven zijn binnengekomen? Dit leven, dat mensen ondanks alles, het heerlijkst bezit blijft?

Wanneer wij verstaan hebben, dat de 103 e Psalm een loflied is en Gorter’s klacht een belijdenis en wanneer wij de oude Heaulmière schoon vonden, dan zijn onze onzekerheden en ons lijden niet opgeheven. Dan is er wel een grond om op te staan, dan is wel de wanhoop onmogelijk. Dan is er een jubel in het mensenleven, zelfs in deze wereld, zelfs in deze tijd, omdat vergankelijkheid niet het laatste woord is, omdat:

„des Heren gunst is van eeuwigheid tot eeuwigheid over hen die hem vrezen”.

P. KALMA—KOOPS

Eén ding is droevig en maakt zacht geklaag Altijd om d’aarde heen, ’n nevel vaag '

En luchtig om dat lijf; ’t is wisseling Van zijn en niet zijn en dat ieder ding, Zielen en bloemen, drijven naar dat rijk. Waar ’t wit en stil is en den dood gelijk. Want zoals altijd aan het eind van ’t jaar

Trekvogels uit het land gaan met misbaar Van vogelstemmen uit de hoge lucht, De kind’ren op de straat horen ’t gerucht

En kijken, zeggend: „Zomer is voorbij, De kou komt” . in de wolken gaat de rij Van vogels zó, zó gaat alles voorbij, zoals ik eens aan het strand der zee Was ’s avonds, doch niet was mijn hart tevree.

Maar bevend en ongerust en zoals.doen Vlak voor den hemel, voor het vermiljoen. Een vogel, een zwart beest vloog, duidelijk Gespreid, op staart en veer: daaraan gelijk

komt elk ding en gaat élk ding en is schoon, Omdat het eenzaam is. Het is de zoon Van Onrust, in de scheemring van zijn schoot Geboren, en sterft eensklaps waar de dood ’ Het neerslaat maar het staat voor ’t licht^

Zijn leven lang.

H. GORTER