is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 18, 27-01-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Déze Tijd!

o, deze dagen, die slechts schaamte dragen. Als in een mist van maatloos leed gehuld. Dees trieste nachten, droever dan de dagen door klaar besef van niet te delgen schuld.

Wat wilt ge strijden, ziel, wat is uw wapen? Ge sleet uw tijd in zelfgenoegzaamheid, en zijt tot daadloos dromen ingeslapen. O zelfzucht van dees Godvergeten tijd.

Zwaar drukt de doem. Wat bouwt ge u altaren? Wat baat de loochning van uw voze spijt? Over de aarde doolt een heir van martelaren: Mijn broeders! God, waarheen, in déze tijd!

NOL GREGOOR.

Werklozen maken kennis met boeken

In de loop der jaren maakten de jonge werklozen in onze cursussen met heel wat en zeer verschillende boeken kennis. Enkele schrijvers hadden al een bijzonder opmerkzaam gehoor, zoals natuurlijk! Ben Traven en Jack London, Sinclair en Capek alhoewel de laatste hun vaak wat al te problematisch en ingewikkeld was verder Dostojewski en Tolstoi. Hieruit blijkt, dat vooral Amerikanen en Russen erg in de smaak vielen. Voor die twee landen, hun maatschappelijke verhoudingen, historie, mentaliteit en culturele ontwikkeling hadden de jongens veel belangstelling; ook de discussies hierover waren buitengewoon levendig. Er werden veel vragen gesteld. De meesten wilden de titels van boeken van Amerikaanse en Russische auteurs weten; zij noteerden die en probeerden ze in de stedelijke bibliotheken op te scharrelen.

Voor twee schrijvers was er opvallend weinig belangstelling: Pearl S. Buck en Georg Hermann. En dat niet, omdat hun beschrijvingen te gedetailleerd en te uitvoerig zijn (dat is ook bij tal van Russische en Amerikaanse auteurs, die wel in de smaak vielen, het geval), maar heel eenvoudig, omdat hun onderwerpen hen koud lieten. Bij Hermann’s „Jetje Gebert” is dat misschien nog te begrijpen: de idylle en de schildering van een vervlogen, idyllische tijd zei hun niets. Waarbij echter gememoreerd dient, dat velen van hen de meermalen naar voren springende fijne ironie zeer goed begrepen.

Een ander boek, dat ik opzettelijk naast „Jetje Gebert” noem, is Van Schendel’s „Hollands drama”. Verbazingwekkend, met welk een spanning de jongens de bespreking van deze roman volgden, en hoe knap en raak tal van vragen waren. Verbazingwekkend ook, hoe sommigen reeds na kennismaking met de eerste stukken het tragische verloop voorvoelden, en hoe ze hun vermoedens motiveerden. In het algemeen viel het op, dat er grote belangstelling bestond voor romans en novellen, waarin een kind de centrale figuur is, of het nu het boek van Van Schendel of Multatuli’s „Woutertje Pieterse”, Nexoe’s „Het kleine dier” en „Onder de wijde hemel” of Thijssen’s „Kees de jongen” en „Het grijze kind” was.

Een van de cursisten, pas 18 jaar, een zeer gevoelige en intelligente jongen, schreef mij na de bespreking van „Kees de jongen” 0.a.: „Kees

is een gewone jongen, met belevenissen, die we allen eens hebben gehad, met dezelfde fantasie, waarmee wij vroeger de harde werkelijkheid verzacht hebben. Kees is een normale, gezonde jongen. Kees is de jongen”.

Om op Pearl S. Buck terug te komen: ondanks al mijn pogingen slaagde ik er niet in veel sympathie voor haar werk op te wekken. Malraux’ „Het menselijk tekort” was voor de meesten te zv/aar; voor het in die roman aangesneden probleem hadden ze echter veel meer belangstelling.

Historische romans evenals romans uit en over de oorlog vonden steeds ingang. Hierbij viel mij op, hoe gebrekkig hun historische kennis is en hoezeer zij dit gebrek betreuren. Besprekingen over historische gebeurtenissen en persoonlijkheden namen zeer veel tijd in beslag.

Dat de bespreking van satirieke en humoristische lectuur doch niet te banale! in hun smaak viel, behoeft wel niet te worden gezegd. Wie durft beweren, dat arbeiders geen zin voor humor zouden hebben?

Met bijzondere voorliefde luisterden zij naar de korte verhalen van de Russen Avertschenko en Sostschenko. In enkele cursussen las ik achtereenvolgens 15 satirische schetsen van verschillende auteurs voor. Nadat al die stukken besproken waren, vroeg ik, welke schetsen hen het meest bevielen. Sostschenko verwierf de „eerste prijs” met zijn simpeie, primitief-satirieke vertelling over dien oom uit het dorp, die in Moscou zijn neef als conducteur op de tram ontmoet en halsstarrig weigert een kaartje te nemen, omdat dit zijn familietrots te na zou komen. De Fransman Bernard werd goede tweede met een geestige bedelaarsgeschiedenis, die een verrassende ontknoping heeft. Vertellingen, waarvan de satire uitsluitend op woordspelingen en cynisme berust, vonden weinig begrip.

In dit verband wijs ik ook op Henriëtte van Eyck’s „Gabriël”. Eerst hadden de jongens veel pret om die arme zonnestraal, die als mens onder de mensen verzeild raakt en de merkwaardigste avonturen doormaakt. Al spoedig gingen zij echter het verhaal „vervelend” en „bot” vinden. Eén vond, dat een vermageringskuur van een honderd bladzijden de gezondheidstoestand van het boek ten goede zou zijn gekomen; er wordt teveel in uitgeweid, daar-

door wordt het flauw als uitgekauwde en uitgerekte kauwgummi.

De jongen, die dit opmerkte, heeft verbazend veel gelezen en verwerkt. Om achter de fijne trekjes te komen herleest hij een belangrijk boek. Heeft hij iets te vragen, of wil hij een aanmerking maken, dan doet hij dit in goed gebouwde zinnen en zegt met enkele woorden, waar het op aankomt. Hij behoort tot de stilsten. Hij heeft een breed, vaalbleek, lelijk gezicht en ziet er niet bijster verzorgd uit. Naast romans verdiept hij zich bij voorkeur in staathuishoudkundige werken; hij is de enige onder de jongens, die in het labyrinth van Marx’ „Kapitaal” wegwijs geworden is.

Een ander daarentegen, die dicht bij de communisten staat, heeft ’t te pas en te onpas over Karl Marx, zonder ooit een letter van hem te hebben gelezen. Toch wordt hij nooit hatelijk in de discussies, en zijn toon blijft altijd vriendschappelijk. Maar iets anders, dan er in is, krijg je niet in zijn kop.

Dan is er een, die zo goed als nooit een mond open doet, maar toch met grote aandacht de besprekingen volgt. Slechts zelden vraagt hij iets. Maar ais hij eens iets vraagt, dan blijkt eensklaps, hoe uitnemend hij de zin van het gehoorde begrepen heeft. Als er in een of ander stuk sprake is van muziek, dan zie je z’n ogen schitteren. En let eens op hem, als hij aan de piano zit en Chopin of Rachmaninow speelt. Het ergste lawaai stoort den jongen, die op het eerste gezicht stuurs en plomp lijkt, niet, want als hij speelt, bevindt hij zich in een andere wereld, waaruit hij eerst ontwaakt, als de laatste tonen zijn weggestorven.

Of neem die andere jongen, een typische sectariër. Altijd boordevol critiek. lets waarderen, lijkt hem zwakte. Langs de onmogelijkste omwegen komt hij altijd weer bij de klassenstrijdtheorie terecht. Heftig wordt hij bij de bespreking van een aesthetische critiek van Jan Greshoff. Dan moet ik hem, wat slechts zelden voorkomt, verzoeken zich te matigen.

Maar als ik daarna lets voorlees uit Meier-Graefe’s wondermooie biografie „Vincent van Gogh” en enkele prachtige, poëtische gedeelten laat horen, dan let ik op onzen sectariër Waar is nu die spottende trek om zijn mondhoeken gebleven? Zie hem daar zitten Voorovergebogen, want hij wil geen woord missen. Na afloop zeg Ik tegen hem: „Nou, hoe vond je ’t?” En hij antwoordt: ~Wat Je nu hebt voorgelezen, vergeet ik nooit ”

Dan zijn er, die mij kleine vertellingen, verzen, schetsen, die zij geschreven hebben, laten zien. Eén, dweperig, leest met voorliefde de oude Grieken. Hij bewondert Greshoff, en voorai diens critieken, die onze sectariër zo buiten zichzelf brengen. Hij schrijft verzen met veel symbolieke toespelingen. Een leuke jongen. Maar hij moest een tikje natuurlijker zijn.

Dan mag je de achttienjarige niet vergeten, wiens woorden over ~Kees de jongen” ik heb aangehaald. Hij heeft iets gauw door, te gauw. Onmiddellijk valt hij op, knap, niet onbegaafd. Dat maakt hem ijdel. Als hij discussieert, doceert hij. Hij heeft een welluidende stem, leest aardig voor en is een goed opmerker. Ondanks mijn waarschuwingen heeft hij zich op wijsgerige werken geworpen, die hij amper begrijpt, laat staan verwerkt. Maar de eenvoudigste. natuurlijkste boeken zeggen hem het meest: ik merk het in de cursussen telkens weer op. Een vroegrijp, hypernerveus jog. Werkloosheid en verveling knauwen hem.

Een jongen, die enige tijd geleden werk gevonden heeft, een stevige, frisse knul, komt, als hij maar even kan, onze cursus binnenvallen. Nu hij wat zakgeld heeft, koopt hij elke maand twee boeken. Hij is zeer ontvankelijk voor goede raad. Zijn grootste pret is: Zondags met z’n meisje op stap te gaan, de natuur in, een nieuw boek in zijn rugzak, dat hij buiten leest en met haar bespreekt.

Enkele jongens, die nooit een woord zeggen en week in week uit onopvallend in hun hoekje blijven zitten, zijn lang niet altijd de domsten. Zij nemen het gehoorde in zich op. verwerken het langzaam, heel langzaam. Maar wat er eenmaal in zit, gaat er zo gauw niet weer uit.