is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 18, 27-01-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOE TE OORDELEN?

Romeinen 2 vers 1b: „ ... want door over de ander te oordelen, oordeelt gij uzelf, daar gij, die u als rechter opwerpt, dezelfde dingen bedrijft."'

oorlogstijd stelt ons in meer dan één opzicht in grote moeilijkheden. Eén ervan is de moeilijkheid van de vraag: hoe te oordelen?

De van deze oorlog is: één man uit Duitsland draagt de schuld. En komen wij met andere feiten, dan worden deze in hun schuldigheid toch weer weggepraat.

Bij het „conflict” wordt wel de sehuldvolle gruwelijkheid van een Russische aanval breed uitgemeten; het oordeel over dezèlfde gruwelijkheid der Finnen (ook al is er in het éne geval: aanval; in het tweede: verweer het blijven dezèlfde gruwelijkheden!) luidt anders.

En van andere zijde wordt heel handig van elke zwarte plek in de dictatuur de daaraan beantwoordende zwarte plek in de democratie aangewezen: Duitse concentratiekampen tegenover Engelse; woordbreuk van Duitsland tegenover woordbreuk van Engeland.... en van een oordeel onthoudt men zich!

De vraag wordt acuut: hoe te oor; delen in deze tijd? Ik meen, dat het hier; boven genoemde Paulus;woord een goede weg wijst.

Wij zien in de wereld om ons heen allerlei dingen, waarvan wij weten: deze zijn in tegenstelling met het Evangelie van Jezus Christus, onze hoogste Norm. Wat zullen wij nu doen? Protesteren? Oordelen? Veroordelen?

Sommigen zeggen: Niet oordelen. Zwijgen. De godsdienstige verhouding is van een zo tere intimiteit, dat zij niets te maken heeft met het rauwe, ruige leven daarbuiten. Deze mensen vergeten, dat wij een Woord voor de wéreld „be; zitten” mogen....

Ernstiger argumentatie wijst ons op

het Evangeliewoord: „Werpt u niet als rechter op, opdat gij zelf niet onder het oordeel valt; want met het oordeel, waarmee gij oordeelt, zult gij geoor« deeld worden....” (Mt 7:1). Maar wordt dan van ons gevraagd een slappe onverschilligheid tegenover allerlei om recht, geweld, zedeloosheid, om ons heen?

Mogen, moeten, wij oordelen?

Ja, zeggen de profeten. En Jeremia vergelijkt eens zijn volk met zilver, dat door een zilversmid gekeurd wordt. Door smelten rhoeten alle onedele standdelen worden uitgezuiverd. Maar zo zegt hij als dat inderdaad met dit Israëlietische volk gebeurde, dat zo hoog tegen zichzelf opziet.... al stookte men het vuur zo heet, dat de blaasbalg ervan schroeit ’t zou niets helpen; ’t zou enkel lood zijn, onedel, afgekeurd metaal. (Jer. 6:27^30).

Zo oordeelde de Profeet over zijn volk.

En Jezus Christus oordeelde ook. Matth. 23 is een bijna schrikwekkend voorbeeld. De vroomsten worden daar genoemd: geveinsden, dwazen, blinden, adderengebroed....

En Paulus, ondanks (of: volgens?) zijn woord uit Rom. 2, oordeelde óók: hij protesteert tegen onrecht en leugen.

Er is wel degelijk een godsdienstig, een christelijk oordeel, mogelijk. Het is zelfs noodzakelijk.

Waarin onderscheidt zich nu het gods; dienstige oordeel van het ongodsdien; stige zeggen we: het christelijke van het niet;christelijke?

Ik wil 3 dingen noemen:

Ten eerste: Het is een oordeel in op= dracht. Jeremia’s oordeel is geen oor; deel „uit eigen naam”, vanaf de toren van z’n eigen grootheid. Daarom klinkt er smart door zijn woorden. Hij breekt er onder. Liever had hij gezwegen. Maar dat mag niet en dat kan hij niet. Want God is Héér. En de opdracht is niet te ontlopen. De Heer is er, opdat hij ge; hoorzaamd wordt en de dienaar is de gehoorzame: ook in zijn oordeel.

Ten tweede: Bij dit oordelen wordt nooit één mens, één partij, één volk, één kerk, geoordeeld. Maar steeds twee mensen, twee partijen, twee volken, twee kerken; wij zelf, onze partij, ons volk, onze kerk, vallen óók onder dit oordeel. Wat om ons is, is ook in ons.

TT \Ji!l VyXXe? V-TV-»XV HX VyXXO. De Evangeliën noemen slechts Chris; tus als de Gestalte, die niet door zijn eigen oordeel getroffen werd.

Maar bij óns is het zo, dat er twee geoordeeld worden. Waarin we de ander oordelen, oordelen wij onszelf....

Wij allen, de zogenaamd besten èn de zogenaamd slechtsten, staan in het „Ge; richt Gods” schuldig. Ten opzichte van de Bergrede, de grondwet van het nor; male mensemleven, voelen wij al onze „deugden” verbleken. Dat wil niet zeg; gen, dat daarom al onze zedelijke in; spanning waardeloos zou zijn zo een; voudig is het niet en zo gemakkelijk zéker niet. Dit wil alleen zeggen: dat ons oordeel zo moet zijn, dat wij weten:

ons oordeel treft óók onszelf.

Inderdaad: wij zijn allen sehuldig. En de verootmoediging is een wezenlijk element in ons oordeel.

Ten derde. Het godsdienstige, het christelijke oordeel is barmhartig. Er klinkt in de innerlijke ontferming. Daar; door klinkt het niet minder=beslist. Jeremia’s woorden, Jezus’ woorden, lus’ afkeuring, klinken streng maar daar is de Barmhartigheid, die ze draagt. Er is niets in van het stenen gooien uit Johannes 8.

En nu komen we niet in de stemming van: het is tóch allemaal hetzelfde, waarover je ook oordeelt. Neen, de Heer der Waarheid, onze gebiedt ons, de dingen in hun ware verhouding gen te zien.

Bij het Finssßussische „conflict” zien wij wel degelijk, dat de Russen door een imperialistische drift gedreven, en dat de Finnen door hun nationale wil tot zelfbehoud voortgestuwd worden.

Maar ook: ons oordeel over de Rus» sische zowel als over de Finse gruwelijk; heden (denk aan de afsehuwelijke ver; nietiging van de 44ste Russische divisie) is even streng. En —■ even deemoedig. Want waarin wij hen veroordelen, ver; oordelen wij ons zelf: ook wij zijn tot deze dingen, als het moet, paraat.

Ons oordeel zij beslist en streng: daar is de Opdracht; het zij waar en deemoe; dig: wij zelf vallen onder ons eigen oor; deel en samen vallen wij onder Gods oordeel; het zij barmhartig en genezend: wij spreken met innerlijke ontferming. Zo wordt ons oordelen er niet een; voudiger op.

Maar voor de eenvoudigheid leven we ook niet. KR. STRIJD.

plotselinge taktische omzwaaidngen, kunnen niet anders verklaard worden dan door een steeds verdere vervreemding van de onderste lagen van het arbeidende volk. Een partij, die werkelijk met het volk verbonden is, kan niet met haai beginselen spelen, kan niet van een uiterst anti-fascisme komen tot een verbond met Hitler, kan niet de vrede prediken en de oorlog beginnen, zoals de communistische partij zich veroorloofd heeft. Er bestaat een rood nihilisme, een variëteit van het Europese nihilisme, waarvan Nietzsche sprak, dat geboren wordt uit de corruptie van een parasiterende burocratie van de arbeidende klasse. Zich van deze burocratie los te maken, is de onmisbare voorwaarde voor lederen kunstenaar, die levend werk wU scheppen.

Men mag de eenzaamheid niet vrezen. De ware, oprechte kunstenaar is nooit vereenzaamd, zijn hart slaat tezamen met dat van millioenen onbekenden. Eigenlijk is het alleen de leugen, die werkelijk den mens van zijnsgelijke scheiden kan. Het waarde volle echter aan de roeping van den kunstenaar is, dat hij de waarheid dient.

Uit: Der Aufbau van 12 Jan. ’4O.

IGNAZIO SILONE.

Welke God

Mag een niet-christen zich ook mengen In de discussie over de vraag ~welke God”? Ik vraag dit daarom wijl de vraag gesteld is niet in ’t algemeen, doch om een antwoord uit te lokken ten opzichte van de houding ertegenover van het religieus socialisme.

Waar het rel. socialisme niet een bepaalde godsdienstige vlag volgt, behalve christenen kunnen ook joden, theosofen, spinozisten, psychisch-monisten en anderen lid en werkzaam zijn in deze beweging zal het toch moeilijk worden op deze vraag een voor die allen bevredigend antwoord te krijgen.

Nu zal men zeggen dat het rel. socialisme hier in het land nu eenmaal niet anders dan christelijk gekleurd kan zijn. Dit mag waar zijn. Maar zelfs onder de verschillende soorten christenen zal er wel geen eenvormige beantwoording van deze theologische vraag mogelijk zijn. De heren Moulijn en Hilbrandt Boschma komen reeds tot een uiteenlopende conclusie. Moulijn spreekt van de God van Jezus Christus, Boschma spreekt van de god Jezus Christus.

En wat doet het ertoe. Wie vermag de mysterieuse kracht die wij God noemen een naam te geven? Wie kan het alomvattende benoemen? Immers zal elke benoeming slechts een deel aanduiden van wat wij met het begrip God bedoelen.

Is het dan niet beter wijd te zijn en de onderscheidene opvattingen en benoemingen te aanvaarden als de veelsoortige wijze waarop verschillende mensen het mysterie gewaar worden? Het behoeft dan geen twistpunt te zijn en voorkomt dat een zich vastleggen op een bepaalde opvatting medestanders afstoot.

M. HEGT.