is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 18, 27-01-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het protestantisme is zeer verzwakt ten gevolge van de versplintering in talrijke secten. Daar komt nog bij, dat vele Finnen uit de Staatskerk zijn getreden, om niet langer kerkelijke belasting te betalen. Daarmee is de band met de Protestantse kerk verbroken. Dit heeft weer tot gevolg, dat velen slechts een burgerlijk huwelijk sluiten, en dat de predikanten aan deze personen, die uit de protestantse kerk getreden zijn, een kerkelijke begrafenis weigeren. Zo is weliswaar een grote categorie moderne heidenen ontstaan de lijkverbranding neemt steeds toe maar de overgang uit deze groep naar de Katholieke kerk is groter dan uit de Protestantse.

Uit de wereldfederatie der Christen-studenten

Ook wie buitenstaander is kan de samenhang tussen het werk der Christen-studentenverenigingen en de Oecumenische beweging waarnemen. Het zijn de mannen, die eertijds leiding gaven bij het leggen van internationale banden onder de christen-studenten, die thans stuwende krachten zijn bij datzelfde werk in groot-kerkelijk verband. De rechtzinnige leiding der Nederlandse Christen Studentenvereniging verhinderde wel eens te erkennen, dat ook niet uitgesproken orthodoxe invloeden binnen het internationale geheel via de christen-studenten verenigingen van andere landen, met name van Frankrijk, zich deden gelden. Daarom is, wat door de Wereldfederatie van Christen-studenten aan internationaal werk verricht wordt, niet alleen van belang voor een bepaalde categorie binnen het Christendom, maar verdient het aandacht van ieder, die er van overtuigd is, dat de ruime en

internationale instanties binnen de christenheid kostbaar en hoopvol zijn.

De algemeen Secretaris van de N.C.S.V. tevens verbonden aan de 'Wereldfederatie, Ds. F. Kooiman, geeft nu in de laatste aflevering van het maandblad ~Eltheto” verslag van zijn bevindingen in Scandinavië. 'Vanwege hun actualiteit, èn voor de politieke èn voor de kerkelijke verhoudingen, neem ik hieruit een en ander over.

Bij zijn aankomst in Denemarken sprak hij over de oorlog en toen werd hem van alle kanten verzekerd, dat het conflict tussen Duitsland enerzijds en Engeland en Frankrijk anderzijds hen vrij onberoerd had gelaten. Maar de grote ommekeer voor heel Scandinavië was gekomen, toen Rusland Finland binnenviel. Met Finland voelt men zich solidair, ofschoon men de taal moeilijk verstaat en er vooral tussen Zweden en Finland nogal wat wrijvingen zijn geweest. Men spreekt duidelijk uit, dat de Finnen niet slechts strijden tegen Rusland, maar ook tegen de macht, die het godlozenapparaat in actie zal brengen. De oorlog, dat is, vooral voor Noorwegen en Zweden: Finland.

En verder: In Noorwegen valt onder de studenten een sterke stroming naar de kerk te constateren, die te danken is aan de Oxford-groep, die daar te lande vanuit de kerk en naar de kerk toe werkt. In Zweden kan men een analoog verschijnsel waarnemen, waarvoor echter een andere reden valt te vermelden: grote groepen arbeiders en studenten raken ervan overtuigd, dat het Christendom de enige kracht is, die de democratie kan redden. L. H. RUITENBERG.

BOEKBESPREKING

Jan Mens. Mensen zonder geld. Uitgave: Cosmos, Amsterdam. Het sensationele feit, dat dit boek van een werkloze de eerste prijs voor eersteling-romans verwierf, is nu welhaast in het vergeetboek geraakt. Een geschikt moment om het nogmaals rustig en objectief te beschouwen, dus ook: nog eens te lezen. En, zie, ook thans komt men tot dezelfde slotsom als bij eerste lezing: het is een goed boek, het is eenvoudig, heeft sfeer, tal 'van episoden zijn plastisch geschilderd; Jan Mens is een goed opmerker, en hij verstaat de kunst van het vertellen.

Neem het fragment, waarin Japie’s vader, die vroeger als meubelmaker betere dagen gekend heeft, tot de meedogenloze omstandigheden ellende en leed over hem brengen, met zijn karretje bokkingen door de stad sjouwt en met zijn sjlemielige, schorre stem zijn waar aanprijst, schreeuwt, smeekt. Maar de grote, kille stad, die zoveel misère bergt, stoort zich niet aan het armzalige ventertje Is dat zo iets bijzonders, dat die Mens vertellen kan? Je zou zeggen, dat moet een schrijver toch in de eerste plaats kunnen. Zij, die zo spreken, moeten maar eens enkele romans van jonge auteurs lezen. Zij zullen dan spoedig merken, dat er veel onechts en verwrongens in die werken is.

Ook in „Mensen zonder geld” vallen den lezer enkele van die fragmenten op, die uit de toon vallen en teveel caricatuur geworden zijn. Ik denk bijv. aan den Joodsen voddenhandelaar. In andere gedeelten merkt men duidelijk de invloed van Thijssen’s „Kees de jongen”. (De rol van de grootouders, de begrafenisscène.)

En het slot? Tja, het slot Het is geen schoon geconstrueerd hoogtepunt, doch een ietwat abrupt afbreken, een vraagteken. Deze crisisroman brengt geen oplossing van nijpende problemen. Wil ze ook niet brengen. Maar is dit absoluut een nadeel? Is de scherpe critiek van Theun de Vries gerechtvaardigd, die naar het hoofd van Jan Mens de banvloek „kleinburger” slingert en hem Nexoe’s „Felle de Veroveraar” als lichtend voorbeeld voor ogen houdt? Daar Jan Mens geen Andersen Nexoe is en men tegenwoordig meer „Jagtmans” dan „Pelles” aantreft, is „Mensen zonder geld” geworden, zoals het is. Aan den schrijver is de vrijheid der keuze. Als hij door bepaalde personen geboeid wordt, welnu, waarom zou hij zich dan niet met hén bezighouden? En waarom zou hij dan niet als voornaamste personage

de berooide kleinburger kiezen, die geen uitkomst meer ziet en daarom het water ingaat? Waarop het aankomt is: zijn karakter en lot van den kleinburger Jagtman zodanig geschilderd, dat wij voelen, dat hij een echt levend mens is? Als we die vraag bevestigend beantwoorden, erkennen we tevens de waarde van deze roman.

Grijs is de overheersende kleur in Mens’ roman. En toch, ondanks alle monotonie van de misère, die boven deze mensen hangt als een dof waas, is het een verheugend boek. Verheugend, omdat het getuigt van het talent van een nieuw verteller, een energiek en actief arbeider, die dit mag de lezers van „Tijd en Taak” niet onthouden worden —■ gedurende geruime tijd een der cursussen „Boekbespreking” van een werklozengemeenschap heeft gevolgd. H. W.

VOORJAARSCURSUS VOOR MEISJES EN JONGE VROUWEN

In de tijd die wij thans hebben mee te maken en die ons allen, zonder uitzondering, taken en plichten oplegt, is het nodiger dan ooit, telkens te komen tot innerlijke verdieping, en een innerlijk evenwicht te hervinden, liefst in een kleine gemeenschap van gelijkgestemden. Hiertoe wil een kleine bijdrage zijn: de Voorjaarscursus voor meisjes en jonge vrouwen tussen 18 en 35 jaar, te houden van Maandag 26 Februari tot Zaterdag 9 Maart 1940. Omdat het eigen gebouw der Vereniging Buitenbedrijf, „De Vonk”, door militairen is bezet, vindt de cursus plaats in Huize „De Pauw” te Noordwijk aan Zee, een mooi en rustig, op een hoog duin gelegen gebouw. De leiding van de cursus is in handen van mej. C. Molenaar, mr. en mevrouw Baelde en mej. W. Bos. |

Wat zal deze cursus aan de deelneemsters kunnen brengen? Allereerst kan er van het ongedwongen en vreugdevolle samenzijn van jonge mensen van verschillende geaardheid, belangstelling en werkkring, een kracht en een steun uitgaan voor ieder persoonlijk. Uren van zinvolle en practische handenarbeid, strand- en duinwandelingen, volksdans en zang onttrekken je aan eigen „problemen” en maken je bereid voor een nieuw begin. Het luisteren naar muziek en gedichten, de aandachtige beschouwing van de werken van grote schilders, geven ons het besef, dat er in schoonheid een eeuwige waarde leeft, die mens aan mens en volk aan volk verbinden wil. En de dagelijkse ochtendwijding kan sterker in ons maken het geloof in een kracht waaraan ons leven eerst zijn grondslag en ook zijn betekenis ontleent, De lezingen (we kunnen beter zeggen: onze gezamenlijke gesprekken) hebben als hoofdonderwerp: Onze levenshouding in deze tijd. We stellen de vraag naar de betekenis van den enkeling, ook die naar

de betekenis van ons zelfstandig volksbestaan. Ook de meer practische, de meer „dagelijkse” vragen willen we niet voorbijlopen: „omgang met kinderen in deze tijd”, „vrouwelijke hulp in de gezinnen der gemobiliseerden”, „Volkshuis- en Buurthuiswerk in deze tijd” —■ ziedaar enkele onderwerpen!

Voorwaarden voor deelneming? Eigenlijk alleen dat men behoort tot hen die in deze tijd moedig willen doorgaan met hun ontwikkeling, hun werk, hun dienstbaarheid aan anderen.

De deelnemingsprijs met volledig pension, bedraagt ƒl2 of ƒl6 (naar draagkracht). Slechts bij uitzondering kan hiervan vrijstelling worden verleend, maar men geve zich in elk geval op. Men moet zich met duidelijke vermelding van naam, adres, leeftijd en werkkring vóór 16 Februari opgeven bij Mr. R. Baelde, Buurtweg 13, Noordwijkerhout, die gaarne nadere inlichtingen verstrekt.

INCEZONDEN

„Geeft acht!"

Dagelijks kan men in de bladen, geen enkel uitgezonderd, vele daverende verslagen lezen van O. en 0.-avonden. Maar zelden wordt de vinger gelegd op de grauwe achtergrond van het soldatenleven. Misschien is dat wel dè manier om de sfeer goed te houden; immers, als we allen doen „alsof”, dan verbeelden we ons tenslotte, dat het toch eigenlijk wel een „lollige” boel is!

Alles heeft echter zijn grenzen en wat me deze week onder de ogen kwam, heeft die grens zeker verre overschreden. Ik kreeg n.l. in handen het nummer van „Geeft acht”, orgaan van O. en O. te Bergen, waarin onder het hoofd „Notities” het volgende fraais voorkomt:

„De meesten van ons vinden het maar een gezellige boel. Er zijn er natuurlijk nog, die zeuren over moeder de vrouw en het ouderlijk huis, maar niet veel.”

En verder: „Er zijn van oudsher legers geweest, en als je mij vraagt, de man heeft altijd graag soldaatje gespeeld. We kunnen de ernst terzijde laten en de instincten of andere drijfveren vergeten: het is ook een genoeglijk spel, misschien zelfs nog wel, als er gevochten wordt.”

Geachte redactie, wat moeten we van zoiets zeggen? Héél erg is, dat het geschreven wordt, maar nóg erger is het, dat het mogelijk is zoiets te schrijven, zonder dat hiertegen een fel protest van „Onze jongens” verschijnt! Schoorl. J. ROOS—BREED

(Is de laatste opmerking niet wat naief? Wat hebben „Onze jongens” te protesteren? Red.)

Verenigingsleven

R.S.C. Amsterdam

Makkerhulp is geen liefdadigheid.

Door de Religieus-Socialistische Gemeenschap Amsterdam is in het najaar een oproep verzonden om ook in de komende winter Makkerhulp wederom te steunen bij het pogen om enige hulp te verlenen aan die kameraden welke in nood verkeren en vaak gebrek hebben aan het I

Aan die oproep hebben veel van onze vrienden gevolg gegeven; door meer personen is hulp toegezegd en gegeven dan in één van de vorige jaren; ook al is desondanks het totaal ontvangen bedrag lager gebleven dan in de beginjaren van ons werk, het feit dat onze opi'oep meer weerklank vindt is verheugend.

Toen onze oproep verzonden werd konden wij niet weten dat de winter ’39/’4O zo streng zou worden als wij nu ondervinden en wij daardoor ook nog meer hulp zouden moeten geven dan wij nu kunnen doen; bij het nagaan van onze deelnemers missen wij nog verscheidene van vorige jaren en tot hen komen wij met ons verzoek om vooral nu een klein of groot bedrag over te schrijven op de rekening bij het Gem. Girokantoor te Amsterdam No. A. 1435 ten name van de Arb. Gemeenschap p/a Abr. Gerhardt, Corn Krusemanstraat 39 Amsterdam. Zij die een rekening hebben bij de postgiro kunnen hun bijdrage over doen schrijven op de rekening 13500 van de Gemeentegiro te A'dam met vermelding: bestemd voor rekening A. 1435 Arb Gemeenschap.

Groep Beilen

Ons Tijd en Taak-clubje kwam Zondagmiddag 21 Januari in vergadering bijeen ter bespreking van enkele organisatorische aangelegenheden. Tot afgevaardigde naar de jaarvergadering op 10 en 11 Februari te Bentveid werd Jac. Wassenaar benoemd. Bij de behandeling der beschrijvingsbrief werd de opmerking gemaakt in Tijd en Taak een rubriekje in te ruimen eens in de drie maanden, voor aankondiging sprekers, die genegen zijn cursus-inleidingen te houden.