is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 19, 03-02-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BUITENLANDSE KRONIEK

De roep om vrede

De vorige week is van twee kanten de vraag gesteid, of de huidige Europese oorlog niet hoe eerder hoe beter zou kunnen worden gestaakt. Het waren twee stemmen, die ongetwijfeld in klank en gehalte nogal wat uiteenliepen, maar, ondanks de geringe weerklank, welke zij gevonden hebben, toch de aandacht verdienen.

Daar was in de eerste plaats de nogal opzienbarende rede van den Zuidafrikaansen oud-minister-president Hertzog, die in het parlement de eis stelde, dat aan de „onterende staat van internationale krankzinnigheid een einde moest komen.” ~Het voortzetten van de oorlog tegen Duitsland en het Duitse volk zal niets minder dan een misdaad zijn, waardoor internationale moord en diefstal tot nationale deugden worden verheven en gewettigd”, was de krasse verklaring van een oppositie-leider in het parlement van een land, dat zelf reeds vijf maanden met Duitsland in staat van oorlog verkeert.

Generaal Hertzog, die in September als premier is afgetreden, omdat hij in deze Europese ooriog neutraal wilde blijven, terwijl de meerderheid van de volksvertegenwoordiging onder ieiding van den ouden generaal Smuts de zijde van Engeland koos, wordt ons gekenschetst als een vrij impulsieve, maar niet altijd bijzonder consequente of logisch denkende figuur. En dat willen wij, naar aanleiding van een vluchtige vergelijking van zijn oppositionele rede met zijn eigen regeringspractijk grif aannemen.

Want wat is het geval? In de rede, welke de ex-premier in Kaapstad hield en die in hoge mate een eenzijdig pleidooi voor Duitsland’s „goede recht” was, werden dierbare woorden gewijd aan de gebieden, die aan het Duitse Rijk waren ontroofd, en die moesten worden teruggegeven. Nu herinneren wij ons, en ook Hertzog herinnerde daaraan, dat van Zuidafrikaanse zijde de laatste jaren herhaaldelijk stemmen opgingen om de koloniale aanspraken van Duitsland te bevredigen. Maar zonderling genoeg wees ook de regertng-Hertzog met grote beslistheid elk plan van de hand om het Duitse Rijk weer in het bezit te stellen van het Duitse koloniale gebied, dat in 1919 aan Zuid-Afrika zelf was toegevallen. Duitsland’s koloniaal herstel werd in Zuidafrikaanse kringen veeieer op kosten van andere koloniale mogendheden gedacht. En de huidige oppcsitioneei Hertzog heeft als premier geen ogenblik geaarzeld om de nazicellenbouw in vroeger Duits Zuidwest-Afrika buitengewoon energiek aan te pakken.

Een soortgelijke inconsequentie vertoont overigens Hertzog’s medestander en oudcoliega Pirow, die thans ijverig pleit voor het verbreken van elk contact met het Britse Rijk en-de regering waarschuwde, dat er ernstige moeilijkheden zouden uitbreken, wanneer Zuidafrikaanse troepen zouden worden gebruikt om Britse bezittingen ten noorden van de Unie te beschermen, maar die zelf als minister van Defensie, naar hem in het parlement met de stukken werd aangetoond, in 1938 aan de regering van het Britse protectoraat Kenya had aangeboden, in gevai van nood 300 vliegtuigen te zenden.

De nederlaag, die deze oppositie thans in het Zuidafrikaanse parlement leed, was groter dan die zij bij het begin van de oorlog had geleden ,toen zij voor een neutrale houding pleitte. Maar er is geen twijfel mogelijk, of onder de bevolking van Zuid-Afrika vindt deze oppositie toch een aanzienlijke aanhang. Deze is deels te verklaren uit ingewortelde antipathieën tegen de Engelsen, die ongetwijfeld nog bij vele Boeren zullen bestaan. Anderzijds is zij het resultaat van de intensieve nazi-propaganda, welke in Zuid-Afrika is gevoerd. Er is echter ook een misschien wat primitieve en emotionele rechtvaardigheidszin, die vele Afrikaanders gemakkelijk kan drijven tot een spontaan verzet tegen de

eisen, door de politieke realiteit gesteld. Die spontaneïteit neemt niet weg, dat zulk een verzet In de huidige omstandigheden weinig anders Is, dan koren op de molen van een geraffineerde en In haar oogmerken volstrekt onzuivere demagogie.

Een Nederlandse stem

Veel serieuzer en gematigder dan het geruchtmakende optreden van den Zuidafrikaansen ex-premier als vredes-apostel was het pleidooi van onzen Nederlandsen minister van Buitenlandse Zaken, Van Kleffens, voor een onmiddellijke „juiste en verstandige regeling der zaken van Europa.”

In zijn grote rede in de Eerste Kamer drong onze minister er op aan, om zich „om de tafel te scharen en, op grondslagen van werkelijkheid en rechtvaardigheid, met wederkerige inachtneming van de eerbied, die men aan andere volken verschuldigd is, een regeling tot stand te brengen, die wegens haar intrinsieke waarde de vrede voor zeer geruime tijd verzekert.” En hij voegde daaraan toe, met een nadruk, die onwillekeurig van deze zijde wel enige indruk mocht maken, dat de onbereikbaarheid van zulk een conferentieresultaat niet gebleken was.

Wij weten niet, of de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken over gegevens beschikt, die aan een vredes-conferentie op dit ogenblik een gunstig perspectief zouden geven. Het initiatief, dat vorig jaar door de beide vorsten van België en Nederland in deze richting is ondernomen, kan moeilijk als een aanmoediging worden beschouwd. Evenmin trouwens als de verklaringen, waarmee de Duitse rijkskanselier na de afloop van de oorlog in Polen zijn bereidheid tot beëindiging van de oorlog gepaard liet gaan en die daarop neerkwamen, dat aan een conferentie-tafel heel Oost-Europa eigenlijk taboe zou zijn, d.wz. private aangelegenheid voor het nieuwe Duits-Russische bondgenootschap. En wij menen toch te mogen aannemen, dat ook voor onze regering aan een regeling op „grondslagen van werkelijkheid en rechtvaardigheid” moeilijk het rechtsherstel kan ontbreken, waarop de op barbaarse wijze van hun vrijheid beroofde volkeren aanspraak mogen maken.

Het wil ons tevens voorkomen, dat de methodes, die van Duitse zijde tegenover de overweldigde volkeren worden toegepast en die een rechtsherstel ook practlsch hoe langer hoe moellljker maken, niet bepaald een aanmoediging zijn, om de heren van het Derde Rijk aan de conferentletafel te noden. Het zullen dan ook niet In de laatste plaats de onhells-taerlchten uit het zwaar geplaagde Polen zijn, die een andere figuur, waaraan men stellig geen vooringenomenheid ten gunste van de Geallieerden kan verwijten, namelijk den Paus, er toe hebben gebracht, In zijn antwoord op Roosevelt’s Kerstboodschap te wijzen op de grote moeilijkheden, welke ledere vredesactle op dit ogenblik te wachten staan. Nog deze week heeft één der Duitse leiders, dr. Ley, de behandeling, welke het onderworpen Poolse volk ondergaat, mln of meer ~gerechtvaardigd” uit een natuurlijk meerwaardlgheldsbesef van het Duitse volk, dat bezig was zich voor enkele eeuwen een welvarend tehuis In Europa te scheppen.

Zolang deze begeerte het Duitse voik voortdrijft, om ten koste van andere volken in, en liefst ook buiten Europa, zich een „plaats in de zon” te verschaffen, zullen stemmen als die van minister Van Kleffens als in de woestijn verioren gaan.

Is het „ernst” ?

Het is begrijpelijk, dat, zolang hier in het westen de storm nog niet op volle kracht is losgebroken, de hoop niet ondergaat, dat het ergste misschien nog voorkomen kan worden. Zonder elke mogelijkheid dienaangaande volstrekt te willen ontkennen, is het toch zeer de vraag, of hier niet sprake is van een illusie, die voornamelijk voortspruit uit een misken-

ning van het karakter van de moderne oorlog.

Een oorlog op grote schaal heeft in onze tijd zulk een enorme technische omvang aangenomen, dat hij geruime tijd nodig heeft om „op gang” te komen. Men heeft in dit verband wel van een technische overwoekering van de oorlog gesproken en zelfs de theoretische onmogelijkheid van de ~totale” oorlog betoogd.

Vast staat in ieder geval, dat de ontwikkeling der defensieve apparaten de bewegelijkheid van de oorlog zeer heeft ingeperkt, zodat dan ook de oude offensieve strijd, zoals nog in 1914, aan de hoofdfronten althans vrijwel uitgesloten is. Franse militairen hebben, naar in „Das Neue Tagehuch” wordt uiteengezet, berekend, dat een aanvaller over driemaal zoveel infanterie, zesmaal zoveel geschut en twaalfmaal zoveel munitie moet kunnen beschikken om den tegenstander met succes in zijn moderne verschansingen van beton en staal aan te grijpen. Het is deze opvatting, die de Franse legerleiding ervan weerhoudt, roekeloze aanvallen tegen de Westwal te ondernemen.

Deze technische ontwikkeling maakt, dat de moderne oorlog thans reeds bij het begin een verstarring aan de hoofdfronten vertoont, die in de vorige wereldoorlog pas na enkele jaren werd bereikt. Daaraan illusies te verbinden, dat het eigenlijk nog geen „ernst” zou zijn, is des te minder geraden, waar de strijd in economisch opzicht en op de neven-terreinen, zowel in de lucht als op zee, hoe langer hoe meer op volle kracht begint te komen.

Daarbij komt een hoe langer hoe onaangenamer belangstelling voor de neutrale landen, als operatie-terrein of aangrijpingspunt in economische of strategische zin, die in vele opzichten herinnert aan het cynisme, waaraan de neutralen ook in de laatste jaren van de vorige oorlog blootstonden. Voegt men hierbij de brutale oorlogsmethoden, welke thans reeds in het bijzonder van Duitse zijde op zee worden toegepast en op een bedenkelijke afslijting van scrupules en gebrek aan zelfbeheersing wijzen, dan kan men moeilijk zeggen, dat de oorlog eigenlijk nog niet begonnen zou zijn.

De jongste rede van Hitler en de luide bijval, welke zijn waarschuwingen aan Churchill en Daladier oogstten, dat zij de strijd zouden krijgen, die zij „wensten” en dit tegen Frankrijk op hun eigen grond, wettigen de overweging, dat het Derde Rijk weliicht op de duur moreel niet aan een opzienbarend, ~aanvallend” optreden zal kunnen ontkomen, wè,t de gevolgen dan ook mogen zijn. Men heeft onlangs kunnen lezen, dat het heel goed denkbaar is, dat Hitler in het geheel geen grote offensieve plannen koestert. Ook hier is ertegen gewaarschuwd, al te zeer aandacht te schenken aan onheilsvoorspellingen, die vooral het komende voorjaar betreffen. Maar men mag anderzijds de ogen niet sluiten voor allerlei symptomen, die de vraag doen rijzen, of Hitler inderdaad „wachten” kan.

De Duitse rijkskanselier zelf heeft in zijn rede op 30 Januari een vérgaand parallelisme opgesteld tussen de verwezenlijking van de nazi-heerschappij in DuHsland zelf en de opkomst van het Derde Rijk in de wereld. Wie de feiten kent, zai zich herinneren, dat Hitler’s ster in het jaar 1932 uitermate sterk aan het tanen was en dat het veel minder aan zijn „politiek genie”, dan wel aan de onverantwoordelijke hasard-politiek der Von Papens en Hindenburgs heeft gelegen, dat het jaar 1933 de geboorte van het Derde Rijk zag. Er zijn ook in de West-Europese staten leidende elementen geweest, die op internationale schaal de rol van Von Papen zouden hebben kunnen spelen. Maar deze zijn thans uitgeschakeld of althans op de achtergrond gedrongen.

Het is thans niet alleen de vraag, of er nog plaats Is om aan een „vredes-mlrakel” te geloven. Veel ernstiger Is de vraag, of men In het Derde Rijk nog aan mirakelen in de Internationale politiek, als In 1933 In het eigen land gelooft. Ondanks het Franse gezegde, dat de geschiedenis zich herhaalt, leert de werkelijkheid, dat zij „elnmallg” Is. Er hangt veel van af of en wanneer de leiders van het Derde Rijk deze fundamentele stelling ener Duitse geschiedfilosofie zullen Inzien. B, W. SCHAPER.