is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 19, 03-02-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In memoriam

Met duizend fijne zaden ving het te sneeuwen aan, de ongerepte paden ben ik alleen gegaan.

Roerloos ligt het volkomen herschapen land om mij, die mij werd weggenomen nu is hij zóó nabij.

als nadert een ontmoeten in dezen sneeuwen laan, ik zie het spoor der voeten Waar wij tezamen gaan.

IDA G. M. GERHARDT.

Van Duinkerken en Vondel

Puntjes op een paar is

Het is ~De Groene” van 27 Jan., die ons dwingt nog eens op dit onderwerp terug te komen. Deze bevat n.l. een bijzonder scherp en tevens naar ons inzicht bijzonder onjuist artikel, dat daarenboven nog de onaangename eigenschap heeft, ongetekend te zijn. Het is echter niet om tegen scherpte, noch zelfs om tegen onjuistheid in een gezaghebbend blad als „De Groene” te protesteren, dat wij opnieuw de aandacht richten op de kwestie van de Vondel-leerstoel. Het merkwaardige en tegelijk het gevaarlijke van het geval is, dat de schrijver op een grondslag van onbetwistbare feiten een gebouw optrekt van geheel verkeerde conclusies.

„Als die Van Duinkerken maar niet Rooms was, dan zou er van een rel om de Vondelleerstoel geen sprake wezen”, dat is zijn hoofdthema. Inderdaad. De vele argumenten die verder tegen de leerstoel zelf of tegen de persoon van de candidaat zijn aangevoerd hebben hun betrekkelijke waarde, maar zijn geen van alle van zó doorslaand belang. „Als die Van Duinkerken maar niet Rooms was”, kon men er vrede mee hebben, hoefde men er zich althans niet zozeer over op te winden. Maar als de heer Van Duinkerken, met hetzelfde talent en dezelfde wetenschappelijke staat van dienst waarover hij nu beschikt, niet Katholiek was, zou niemand erover gedacht hebben te zijnen gerieve een Vondelprofessoraat te creëren. Juist óm zijn Roomsheid wordt hij door zijn geestverwanten naar voren geschoven; zou een ander dan niet het recht hebben, daar juist óm zijn Roomsheid tegen te protesteren? Wij moeten in ons land zo voorzichtig zijn, om de tegenstellingen niet te verscherpen, om vooral niet de schijn van hetzerij op ons te laden. De schrijver in ~De Groene” begint al met van „een tweede zaak-Oss” te spreken, alsof daarmee de tegenstanders van Van Duinkerken’s professoraat meteen gediskwalificeerd zijn. Maar zou het toch maar niet beter zijn, ronduit te zeggen waar het op staat; dat wij niets tegen de heer Van Duinkerken hebben, en ook niet zoveel tegen een aparte Vondel-docent, maar dat wil in opstand komen tegen een propagandistisch-Roomse „zet”?

Natuurlijk worden nu ook bevoegdheid en bekwaamheid van de betrokkenen in het geding gebracht. Dat doet al heel onplezierig aan, als leken zich geroepen gaan voelen om een oordeel over de deskundigheid van vakmensen uit te spreken, en zelfs als de discussie onder vakmensen blijft, is er iets zeer

pijnlijks in dit onvermijdelijke oordeel-overpersonen.

Maar een paar dingen vallen toch wel te zeggen. Ten eerste, dat een vergelijking met het geval-Romein (óók iemand tegen wie men om zijn richting bezwaar had) niet opgaat. Romein is een geleerde van erkend gezag, het ging daar om het bezetten van leerstoel, waarop hij op grond van zijn wetenschappelijke verdiensten min of meer „recht had”. Bij 'Van Duinkerken hebben wij te doen met een ambt, dat voor een man van betwist wetenschappelijk gezag speciaal wordt ingesteld.

De naamloze schrijver in „De Groene” staat alweer op stevige bodem, wanneer hij te kennen geeft, dat de jurist Prof. Van Eyck de journalist Anton van Duinkerken moeilijk verwijten kan maken over zijn onvoldoende vooropleiding. Maar wie over deze dingen met een air van deskundigheid schrijft, diende toch ook te weten, dat deze jurist een litterair-historicus is van de allerbeste standing misschien de beste die ons land op het ogenblik rijk is. Wanneer men ons dan dwingt, de wetenschappelijke „waarde” van twee personen tegen elkaar af te wegen, dan vinden wij tegenover Van Duinkerken’s vlotte en talentrijke productie bij Van Eyck een grondigheid, een indringend vermogen, en vooral een zin voor het wezenlijke in kunstenaar en kunstwerk, die om met Vondel te eindigen

„so swaer sijn van gewigt, dat al ’t ander viel te ligt.”

Ik wil geen oordeel over de geestelijke inventaris van Van Duinkerken geven, maar het lijkt mij, dat dit eens hardop gezegd diende te worden. M. H. VAN DER ZEYDE.

JeugcHierLimeringen van een opvoeder

D. L. Daalder, Schimmenspel. Uitg. Ploegsma Zeist, z.j. Ing. /2.50, geb. ƒ3.25.

In dit boek geeft Daalder zijn jeugdherinneringen. Ik ben wat eigenlijk ongeoorloofd is, maar in dit geval begrijpelijk, omdat daar een stuk leven wordt dat in zekeren zin het mijne mee is geweest bij de tweede helft van het boek begonnen: het leven op de Haarlemse kweekschool met al zijn lief en leed van opgroeiende jongens tussen 14 en 19, met hun eigen innerlijke gisting, de conflicten met leraren, de kosthuizen, het ontwakend idealisme. Daalder beschrijft het volkomen eerlijk; even heb ik mij af gevraagd: was het er zó bekrompen? en dat terwijl Haarlems kweekschool de roem genoot van de beste aller onderwijzersopleidingen te zijn? terwijl het resultaat toch lang niet slecht is geweest en wij er héél wat aan te danken hebben?

Maar toen ik dan eerst dat stuk jeugdleven nog eens had meegeleefd, ben ik van het begin af gaan lezen, en leerde daardoor de rest toch wel even anders zien: het leven van een wat eenzelvig kind, dat met een zekere vrees in het leven staat en niet gemakkelijk opgaat in het geheel der kameraden, dat geen sterke ellebogen en robuust lichaam maar wel een gevoelige geest op de reis meekreeg, en nu allerlei moeilijkheden; vernedering, verwijten van trots, uitgesloten worden, enz. moet overwinnen. Dan boeit me vooral de vraag; hóe deze jongen zijn moeilijkheden te boven komt.

Aan het laatste deel van het boek, dat ik kan ~controleren” zie ik dat Daalder in zij'n weergave volstrekt eerlijk is; hier is nergens sprake van een mooie rol die hij zichzelf laat spelen, hij verzwijgt niet de ogenblikken, dat hij zich ellendig en eenzaam, klein en zwak heeft gevoeld, hij schrijft ook neer. hoe hij in en met de klas van twintig wel laf is geweest en verfraait noch verbergt de brandende schaamte daarover. Op grond van de hier geconstateerde eerlijkheid neem ik aan dat ook het eerste deel geweest is zoals het er staat. En dan groeit voortdurend mijn sympathie voor deze jongen, die zijn eigen weg moest zoeken door een leven, waarin hij zich van nature niet thuis voelt; die volop gelukkig is als hij in Mei door de polders mag zwerven om vogeleieren te zoeken, maar onder de

kameraadjes bij het vechten altijd het onderspit deift en niet tegen verliezen kan. De vraag boeit me; hoe overwint deze jongen de moeilijkheden, die in wezen in hem zelf liggen? Ik zie eerst: het harde werken. Op school .al en daarom noemen de kameraadjes hem „groos”. Straks op de kweekschool, waar hij zich eerst niet kan handhaven; de makkers schelden hem „poerhannes”, de brave blokker die zijn lessen zo goed leert om bij de ~omes” (leraren) in een goed blaadje te komen. Dan voor het eerst als meester voor ’n troep ongezeglijke drukke kinderen; hij overweegt de vraag of hij maar niet een ander vak zal kiezen. „En toch is er iets in mij, dat zich tegen die frontverandering verzet. lets taais en onverzettelijks, dat de woorden formuleert: en nu juist. Doorzetten nooit opgeven.” Dddr ligt iets van de overwinning bloot.

En dan: een hunkering naar liefde, die prachtig beantwoord moet zijn. De jonge Daalder is vaak verliefd geweest, op de lagere schoolbanken al. Och, dat is heel gewoon, zoals ook de heldhaftigheid waarmee hij door het vuur van de Meierblis rent om de gevreesde medeminnaar te overtroeven. Zoals ook natuurlijk is de verliefdheid van de 18- jarige aanstaande schoolmeester op Neeltje Roeper, die hem niet alleen geheelonthouder en vegetariër maakt maar méér sluimerende krachten in hem heeft wakker geroepen. Als het conflict komt met de ouders om de nieuwe denkbeelden, een conflict waarover het boek niet verder spreekt al laat het wel voelen, dat er veel leed mee gepaard is gegaan, is Neeltje Roeper de steun. „En met al de wilde kracht van een egocentrisch mens, die eindelijk zichzelf verliest, heb ik mij aan haar overgegeven, mij met ziel en zinnen op haar geconcentreerd.” Het is een van de laatste regels van het boek, misschien een regel die de sleutel bevat van de levensgang van den schrijver.

Straks zal deze liefde, die zowel een zichzelf verliezen als een op het eigen geluk geconcentreerd zijn betekent, zich wel leren verwijden en Daalder tot de opvoeder maken waartoe het leven hem heeft voorbestemd. Je proeft het haast op elke bladzijde: zijh opvoedersgeheugen heeft vastgehouden wat anderen vergaten of niet zagen. De zo duidelijk aanwezige, ook van Vader en Moeder geërfde opvoederstalenten zijn gericht en gestuurd door een grote liefde.

Heel wel besef ik, dat het laatste geheim bij die vraag: hoe een mens zijn innerlijke conflicten te boven komt, voor den buitenstaander verborgen blijft. De religie vooral weet van wat geschonken wordt. Maar toch: omdat er iets van doorstraalt, is dit verhaal, zonder pretentie en geheel onopgesmukt, toch meer dan jeugdherinneringen van een bekend geworden opvoeder. Er gaat een weldadige kracht en steun van uit voor wie met het leven vechten. Daarom geef ik het graag aan jongeren in handen; de zuivere eerlijke dappere geest zal hen goed doen. W. B.

BOEKBESPREKING

Deutscher Preiheitskalender. 1940. Editions Sebast. Brant, Parijs.

Met het oude, diep religieuse „Kriegslied” van Mathias Claudius en woorden uit „Job” begint deze „Preiheitskalender 1940”, en met Goethe en Burckhardt eindigt hij. De meeste bijdragen tussen blz. 1 en 100 zijn uit het Duitse en Franse humanisme gegroeid (en staan dus in het teken van de Duits-Franse vriendschap). Verleden en heden ontmoeten elkaar om de toekomst voor te bereiden. Een verheugend, een voortreffelijk boekje! H. W.

In Van Gorcum’s serie Lekenspelen is als nieuw nr. verschenen „Kom Heilige Geest’’, een Pinksterspel, door C. Wilkeshuis. Er is in de eenvoud van dit spel allerlei te waarderen, en de tegenstelling waarop het gebouwd is: de torenbouw van Babel, mensenwerk zonder God, en de uitstorting van de Heilige Geest, die mensenwerk mèt God teweegbrengt, heeft zeker zin. Maar wie zijn wij, dat wij in schema’s zouden gaan vastleggen, welk werk met, en welk werk zonder God gedaan wordt? De schrijver zal het wel niet verkeerd bedoelen, maar ik ben bang van zulke constructies; een etiketje is maar al te gauw gepakt. M. H. v. d. Z.