is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 20, 10-02-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Soldaat

Wat hebben de kogels vandaag [gedaan? Ik heb geschoten in razernij. Nu is mijn bloed koel. De nacht is te zwaar om te haten.

De wind ritselt aan de gewonde [bomen. Mijn geweten? Bah! weg er mee. Welk kwaad heb ik vandaag [gedaan? en wat moet er morgen gebeuren?

Hier ligt mijn geweer.... vlakbij. In het duister nog glimt de loop. Ik richtte, schoot. ... en de schok sloeg terug tegen mijn schouder.

De lege nacht, de blinde stilte.... Ik wil licht zien, veel licht! Ik wil me verweren, me wreken. Deze vervloekte nacht is moordend.

Ik wil nu gevoelloos zijn, een prooi zijn van de slaap. Laat mij anders sterven gaan, nu. Maar morgen zal ik vechten!

A. STEENHUIZEN.

Een zwerver verdwaald ?

Toen Garmt Stuiveling voor het eerst zijn verzen bundelde, „Elementen”, verschenen in 1931, stond aan de ingang van deze bundel een gedicht, waarin een jonge man mijmerde over zijn kinderlijke zwerflust: de verre horizon had hem weggelokt van Grootvaders woning, maar toen hij van dichtbij de zwervers had leren kennen, was zijn heimwee al gestild, maar de onrust om heen te gaan was gebleven... èn de deernis om de zwoegende schippers.

Einde 1939 bundelde Stuiveling opnieuw, en weer opent deze bundel met een gedicht als een program, en nog eens is het dezelfde tegenstelling, waaraan de dichter bekent te lijden: zijn leven is een op en neer gaan tussen het rijk der schoonheid als rijk der ziei en deze aardse wereld, waar mensen lijden, die teveel moeten missen. Maar dit vers is niet zo naief en klinkt niet zo eerlijk als het eerste, er schuilen regels in, die aan een propagandaspeech ontleend konden zijn, het is zo veel abstracter ook en bleker van tekening. Het socialistisch motief klinkt even plichtmatig als het Amen van een rechtzinnig kerkgezang.

Het mocht schijnen in de eerste bundel, alsof de socialistische begeestering de duurzaamste bron van zijn inspiratie was; sloot de bundel niet op deze nadrukkelijke regels?

„Zo moge ons geslacht zijn taak volvoeren de zware taak van deze zware tijd.” (101)

En het mocht schijnen, of deze dichter, van Grootvaders huis weggetrokken, de opmars van het proletariaat zou begeleiden met zijn hartstochtelijkheid: „wij willen niets dan socialisten zijn”. (89)

Maar in de bundel, die nu voor ons ligt, „Tegen de Stroom” keert de dichter terug naar Grootvaders huis. De groep sonnetten, waarmee deze bundel sluit, beschrijft deze „Thuisreis” (109).

Was hij vergeefs uitgetrokken?

We moeten elkander goed verstaan, als we spreken over socialistische poëzie. Het kan betekenen poëzie voor de socialistische massa; poëzie, die door haar verstaan en genoten wordt. In deze zin was Garmt Stuiveling nooit

socialistisch dichter. Hij is er te ontwikkeld voor: zijn taalgebruik is (gelukkig!) beschaafder als van, laat ons zeggen Willem van lependaal, en hij kan ook niet die grapjes maken, van b.v. Phidia Wolf.

Socialistisch dichter mag ook hij heten, die vanuit de socialistische idee gericht spreekt over de wereld. Een dichter kan een profeet zijn.

Da Costa heeft ook vanuit zijn protestantisme deze wereld geoordeeld. Zijn poëzie was bezielde rhetorica en zijn woorden hadden de helle klank van klaroenstoten. Misschien had Herman Gorter dit willen zijn voor het socialisme, echter hij kon niet; hij was er te goed voor.

Maar socialistisch dichter is ook, die zich het socialistisch gedachtegoed geheel heeft eigen gemaakt, voor wie deze idee bloed van zijn bloed werd en voortaan kan hij niet meer zingen deze dichter, of in zijn stem klinkt nu de sociale bewogenheid en opperste deernis, de kreet om gerechtigheid of het verlangen naar de nieuwe mensheid. Zo is de religieuze inspiratie altijd aanwezig bij Guido Gezelle, ook in het schijnbaar meest profane natuurgedicht, zo is de socialistische bezieling grondtoon in de latere bundels van H. Roland Holst.

Bij Garmt .Stuiveling is dit niet zo. Het socialisme is bij hem een der motieven. Men versta mij wel: dit is geen kritiek. Het bedoelt slechts een onderzoek te zijn naar de „inhoud” van deze bundel. Elke vogel moet zingen, zoals hij gebekt is. Men doet slechts goed van een lijster geen nachtegalenzang te verwachten en een dichter niet te benoemen naar een zijner motieven. Garmt Stuiveling ■ is soms socialistisch dichter.

Er is zelfs wel een reden aan te wijzen, waarom het socialistisch motief bij Stuiveling verschrompelde en meer en meer in deze bundel als in mineur klinkt. Triomfantelijke verzen klinken niet öp, noch de nadrukkelijke verzekering, dat het socialisme toch komt. Ach! in aller keel is de Internationale als juichend lied al lang verstorven. De tijden zijn zwaar. Nog is in dit verzenboek een ganse reeks sonnetten aan het socialisme gewijd, maar ze zijn gewetensonderzoek en zelfbeklag en ze zingen uit, al zoekende naar troost, in een blind geloof. Dan doet Stuiveling denken aan den gelovige, die zijn eschatologische toekomstverwachting blijft koesteren. Ook als de tekenen uitblijven.

De tijden zijn zwaar! En toch ligt hier niet de diepste reden, dat het socialistische lied zwakker en zwakker begint te klinken. Poëzie ontwelt aan de diepste gronden van de menselijke ziel. Dichters dragen geen masker. Ze verraden zich zelf en in deze bundel laat zich de tragiek van een zeker socialisme duidelijk aflezen.

Bij weinigen begint het socialisme bij de hersenen. Veeleer raakt het hart gekwetst door sociale deernis en pas later bouwt een mens zich het stalen gebint van een levensbeschouwing, dat zijn socialistisch gevoel beschermt en verantwoordt. Het hoeft hier niet gezegd, dat socialisme op zich zelf nog geen levensbeschouwing is, maar er zelf als fundering een nodig heeft.

Veel gedichten in deze bundel verraden een metaphysische kommer en gelukkig niet overal op een wijze, die herinnert aan bepaalde branie-verzen van Adama van Scheltema, met een even groot gemis aan elementaire logica (pag. 16: de hoon aan de lieden, die „het zoet bezit erven van dogma of princiep” steekt vreemd af tegen het slot: ~Maar ik weet, dat er dwaasheid is, die wijsheid is bij God!). Zelfs zijn er onder de verzen, die zich met de laatste vragen bezighouden, enkele van de allermooiste, die Stuiveling schreef; ik denk aan het prachtige: „Sub specie aeternitatis”. Het stelt een vraag aan de orde; de vraag naar de plaats van het ik in dit eindeloos heelal en omdat het niets doen dan vragen, is het van een geweldige beklemming. Het is telkens weer de vraag van een bangen jongen (vergelijk de sonnetten IV en V op pag. 30, 31) die zoveel meer overtuigt en echter klinkt dan de wijsgerige stelligheden, als het stamelend „In mineur” (pag. 15). Het lijkt wel, of de verzekerde toon, die Stuiveling een enkele keer gelukte, als hij in zijn vorige bundel deze problemen raakte, verloren ging (vergelijk in Elementen: Drie kleine strofen 111, pag. 43). En een ander eeuwig mo-

tief der dichters keert weer, als Stuiveling de dood bezingt. Ook hier vermag zijn stelligheid ons niet in de war te brengen. Laat hem maar vragen als in het schone „Andante”, ons zo veel liever dan de trotse maar onwezenlijke houding van weten, die zich openbaart in het „Herstellend in de Herfst”, een vers, dat zo fraai begint, maar zo holklinkend sluit.

Elke wijsbegeerte, mits diep beleefd, laat zich poëtisch verwoorden, maar het kon wel eens zijn, dat de methaphysieke inzichten, die Stuiveling meent te bezitten, maar nauwelijks harmoniëren met zijn sociaiistische overtuiging. Er is voor ons gevoel een ondragelijke spanning tussen beiden. Ook een dichter kan niet buiten logica leven en een levensmotief, dat niet geworteld is in wijsgerige of godsdienstige overtuiging, schrompelt in en verdroogt bij gemis aan voedende sappen. Poëzie is verraderlijk en de neerslachtigheid, waarmee het laatste vers van deze bundel geschreven werd, een zeer mooi sonnet overigens, dreigt alle liefde en ook socialisme is liefde te verwoesten met zijn kille wind.

Formeel gesproken, bevat de nieuwe bundel van Garmt Stuiveling vele fraaie verzen. Men kan niet zeggen, dat ze een vooruitgang betekent bij de voorgaande. Nu is dit, hoe dikwijls gesteld, een dwaze eis. Het dichterschap van G. Stuiveling is altijd zeer kwetsbaar geweest voor invloeden en men kan nog niet zeggen, dat de scholing bij H. R. Holst verwerkt^is; nabloeiers accentuëren altijd de gebreken en zo valt dikwijls in deze bundel een stroefheid van rhythme waar te nemen, waarbij de regels knarsen als zand. Overigens getuigen de meeste verzen van een kundig dichterschap. Het mag zijn, dat de inhoud soms naief is, zoals in sommige natuurverzen, die de onvoldragen klank van jeugdgedichten hebben, de vorm vertoont meestal een hoge volkomenheid. Niet dat deze teksten geen vulsels vertonen. Zeer vele gedichten van G. Stuiveling bestaan bij de gratie van een mooie beeldspraak of visie. Nu is de verbeelding niet het wezenlijke element in de poezie. Ook het proza kent de beeldspraak en er bestaan prachtige verzen, die vrijwel geen beeldend vermogen bezitten.

Ook meen ik al dikwijls opgemerkt te hebben, dat juist de volgehouden beeldspraak een dichter kan verleiden tot uitweidingen, waarin de poëtische stroom ontbreekt en die dus in het gedicht als vulsel aandoen. Een andere aanleiding tot het onpoëtische opvullen van regels is de metrische noodzaak. Stuiveling schrijft graag sonnetten en soms zijn er voortreffelijke bij. In de „Thuisreis’ staan er zo enkele, die ik niet meer vergeten kan. Maar er zijn door de bundel verspreid toch ook heel wat sonnetten, waarvan de vorm niet dwingend noodzakelijk was. Een sonnet is een teer iets en zelfs als de dichter zich van het klassieke rijmschema niets aantrekt, blijft het een moei-Ujk vers o.a. door zijn spanning. Lang niet ieder poëtisch thema leent zich er toe en zo worden er dikwijls sonnetten geschreven, die niets anders zijn dan een ongemotiveerde serie van twee kwatrijnen en twee terzinen. Opvulsel moet men ook noemen de stapeling van adjectieven, waaraan Stuiveling zich soms te buiten gaat. Hij schrijft: ~door de vreemde teedre najaarsmiddagschemer”. (10).

Hoe knap Stuiveling is, blijkt ten overvloede uit een groepje vertalingen, die in deze bundel voorkomen en die stuk voor stuk geslaagd lijken. Ik besluit, dat de nieuwe bundel van Stuiveling, hoewel ze geen nieuwe perspectieven opent, een rijk bezit is om zijn vele fraaie verzen, dat ze daarenboven de socialistische litteratuur verrijkt heeft met enkele prachtige bijdragen, tijdverzen, die ontroerend weergeven de angst en nood en zorg van dengene, die vandaag het socialisme belijdt. De bundel heet „Tegen de Stroom”, maar het is geen vers van verzet, dat Stuiveling het beste schrijft; hij is eerder dromerig en verdrietig. Er spreekt veel schamate en spijt uit deze gedichten, zelfs bij de herdenking van Marx’s sterfdag overheersen deze gevoelens den dichter, die eens za plechtig Troelstra had uitgeluid.

Een kind trok uit op zwerftocht. Verdwaalde deze zwerver en zocht hij daarom de weg terug naar Grootvaders huis? RENÉ,.

Naar aanleiding van: Garmt Stuiveling. Tegen de Stroom. Arbeiderspers 1939 ingenaaid ƒ1.90; gebonden ƒ 2.50.