is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 20, 10-02-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

REDELIJKE RELIGIE

In bet twaalfde hoofdstuk van de Romeinenbrief spoort de apostel zijn lezers aan om zichzelf te „stellen tot eer> levende offerande”, geheiligd te worden in bun gemoed, en, bedenkende dat zij allen behoren tot bet „lichaam van Christus”, elkander te dienen met broe* derlijke liefde. En dat, zegt bij, is dan uw „redelijke godsdienst”.

De term „redelijke godsdienst” pleegt weerspraak te wekken. De religie, zegt men dan, is niet verstandelijk, zij is bovenredelijk, intuïtief, van boven ge* openbaard. Zij is de hemelse vlinder, die bet stofgoud verliest als men baar grijs pen wil; zij is de sterreglans, waartoe het werelds gerucht niet reiken kan; zij is de eeuwige kathedraal, waar men biddend zwijgt en knielt.

Dat is waar, èn dat is misverstand. Het is waar, omdat de religie anders en meer is dan nuchtere verstandelijkheid; bet is misverstand, omdat de term „rede” bier niet wordt verstaan. Want rede is hoogste begrip en redelijk is bet om te weten van onuitsprekelijk geheim en innerlijk geloof; maar redelijk is bet ook om te weten van waan en bij* geloof bet is redelijk om naar waar* beid te vragen, ook en niet bet minst in onze godsdienstigheid. Daarom moge men de verbinding „redelijke gods* dienst” bij den apostel dankbaar aan* vaarden; daarom moge men zelf ook een „redelijke religie” O verlangen. En wij, die te waken hebben voor de kostbare schat van de religieuze waarheid, hebben tegelijk te waarschuwen dat men niet verdwalen zal in religieuze waan.

Wij hebben onze schatten „in aarden vaten” niet het minst de religieuze schat. Religie is religie van mensen, daarom is zij „al te menselijk” zo vaak. Dat geldt ook van haar grootste vertegenwoordigers, haar verhevenste documenten, haar meest verbreide ge* loofsvormen. De Bijbel is een oneindig waarheidsboek, maar tegelijk oud*Joodse en oud*Christelijke letterkunde, met verheven, maar ook primitieve en bar* baarse trekken, te vergelijken met die van Griekse, Germaanse, Indiese oud* heids*literatuur. Paulus was een groot apostel, maar zijn geloof in een naderend wereldeinde, zijn Christusbeschouwing, zijn opstandingsvoorstellingen, zijn zede* leer waren betrekkelijk en begrensd. De Rooms*Katholieke kerk werd een mach* tige organisatie, met al de waarheid van haar wijsgeren, al de innerlijkheid en devotie van haar mystici en heiligen, al de schoonheid van hare kunstwerken, al de aansporing tot gerechtigheid en vrede van hare encyclieken, maar de „Hek* senhamer” onder Innocentius Vlll blijft mede voor hare verantwoording, gelijk haar verheerlijking van Torquemada’s ketterjacht of haar erkenning van Abes* synië’s roof. Of Calvijn was een gewei* dig reformator en er brandt religieuze hartstocht en zedelijke ernst in de oud* Protestantse belijdenisschriften, maar de leer van de goddelijke voorbeschikking van de menselijke massa tot de eeuwige

helse verdoemenis blijft een barbaarse leer, en de langzame foltering van Servedes een gruweldaad.

Omdat bet zo is, daarom beeft de godsdienstgescbiedenis al de verbeven* beid van baar godsdienststichters en apostelen, hervormers en martelaren, maar ook al de bitterheid van haar dictatoren en beulen, baar dwalingen en ongerechtigheden. Maar daarom kunnen wij ook zo maar niet de wending maken naar „de” religie, zo min als wij ons kunnen overgeven aan alle „godsdien* stige” zuigingen van deze tijd. Men roept ons op tot hernieuwde onderwerping aan Bijbel en Kerk, aan geloof en open* baring, ja, tot de verklaring van onze wereldgeschiedenis niet uit wetmatige samenbangen van biologisebe en socio* logische, van psychologische en geeste* lijke aard, maar uit de personalistische willekeur van goddelijke macht aan de éne, van duivelen en daemonen aan de andere zijde. Tegenover dat alles geldt de leuze: critiscbe theologie, redelijke religie.

Wat redelijke religie is? Men kan bet boven vinden aangeduid, ook in bet apostolisebe woord.

Het is redelijk om te weten dat wij geen baar van ons hoofd kunnen laten groeien, geen gedachte denken uit ons zelven. Het is redelijk te weten van eeuwig verband en heilig geheim; van een macht, waardoor wij bestaan, die ons naar onze geestelijke bestemming drijft, en die ons deel geeft aan alle waarde die wij doorleven of waarop wij hopen. Het is redelijk om in de onuitsprekelijke naam van God bet be* gin en bet einde van alle goed te be* lijden, zoals bet redelijk is om de zin van ons leven als dienst van bet „aller* hoogst en eeuwig Goed” te verstaan.

En redelijk is bet om zulk een „gods* dienst in geest en waarheid” te aan* schouwen in de grote Jezus*Cbristus* gestalte der evangeliën, met zijn Bood* schap van bet heilige Rijk dat komen moet in mensenhart en mensenwereld; de liefde, die ziebzelven gaf, opdat wij de liefde zouden leren; de liefde, die de rede zelve is. Deze rede weet van de wijnstok, waarvan wij de ranken, bet lichaam, waarvan wij de leden, de tem* pel, waarvan wij de levende stenen zou* den wezen; hoogste zelfbewustheid en nederigste dienstbaarheid tegelijk. Wat is redelijker, dan deel te willen hebben aan de wijsheid, eerbied en waarheid der eeuwen, en midden in de chaos en schande onzer wereld uit te zien naar heiliger Orde en waarachtiger geestes* cultuur? Redelijke religie is de heilige wijsheid zelve, die één met heilige dwaas* heid is; al wat wij weten van waarheid en waarde, roeping en bestemming, van aanbidding en toewijding, van oordeel en genade, van schuld en verlossing, van geloof, hoop, liefde.

G. HORREUS DE HAAS.

Vgl. Redelijke Religie. Amsterdam 1922; De Godsdienstige Gedachte in de Twintigste Eeuw. Assen 1935.

De mens in de oorlog

„Nu de Paus ook al pessimistisch sprak over de mogelijkheid van vrede en blijkbaar alle pogingen om het ergste te voorkomen hebben gefaald, geef ik het op. Laat die verdwaasde en ongelukkige wereld haar ondergang dan maar tegemoet gaan. De mensen zijn ook niet beter waard.” Zo sprak iemand, die zijn hoop nog gevestigd had op de invloed en de diplomatie van het Vaticaan, op Amerika en op een stukje wijsheid, dat hij bij anderen aanwezig achtte. „Verschillende staatslieden hebben gesproken over het voortzetten van de oorlog in 1940 met groter kraciit. Dat wil dus zeggen, dat de pogingen achter de schermen zijn mislukt om een vrede te bereiken vóór dat het niet meer te stuiten werk der vernietiging van mensenlevens, van verwildering der geesten en zedelijke ontaarding, van vernieling van stoffelijke goederen in alle felheid zal zijn iosgebarsten zo vervolgde hij het domme, gewillige mensdom, alle zogenaamde verlichting ten spijt, toont zijn ware aard.”

Niet lang nadat ik deze klacht en aanklacht had moeten aanhoren werd mijn aandacht getroffen door een bericht uit de veie, waarmede de courant ons dagelijks op de hoogte houdt van de ellende op zee.

Een schip, tot ondergang gedoemd, was door de bemanning verlaten. Twee van hen echter roeiden weer naar het langzaam zinkende wrak terug. De een om zijn bagage, de andere 0m... een kanarievogel te redden. Hij vond de vogel in de kool, die ongedeerd tussen de verwoesting lag.

Dit bericht hield me even vast. De eerste gedachte Is: sentimentaliteit! Maar wees voorzichtig, vermaande Ik mijzelf. Denk je de situatie In. Sentimentaliteit Is zwakte of valsheid van gevoel. Maar hier Is een zeeman, die na een ontploffing zijn kalmte en koelbloedigheid heeft bewaard. Hij onderneemt de gevaarlijke tocht naar het schip, in Ijzige koude, om uit het wrak een vogeltje te redden en men vindt het blijkbaar belangrijk genoeg om dit wereldkundig te maken.

Midden In een toestand van uiterste ruwheid spant een man zich in om iets teers te behouden. Daar kom je met het woord sentimenteel niet uit. Zulk een daad heeft iets „symbolisch.” „De mensen zijn niet beter waard” klinkt mij nog in de oren na van het kort te voren gevoerde gesprek. En tegelijk moet ik denken aan de vele verhalen uit de vorige, grote oorlog over kleine, onbeduidende daden, die groot worden tegen de achtergrond, waarop zij begaan werden. Degenen, die kort te voren nog als doodsvijanden tegenover elkaar stonden, gedroegen zich nu als mens tegenover mens, met de menselijke hartslag. Het bleek, dat midden in de automatische uitschakeling van alle menselijkheid, deze zich toch plotseling deed gelden. De soldaat verbond de wonden van den vijand, die hij zelf geslagen had. Tegen alle voorschriften in. De stem van het hart was sterker dan het rumoer, dat alle dieper gevoel moest verdoven. En de menselijke stem van binnen sprak duidelijker dan het doodsgevaar of de harde, door de uniform geboden, plicht om tegen elke prijs den vijand te vernietigen. Vaak uitte zich dat in de kleine daden van een mee-voelend en bemoedigend woord, een teug water, een pakje verband. De dwaasheid, de waanzin van de oorlog! Twee zielen, twee harten leven achter de uniform. De een, die behoort tot de rij, het getal, het mechanisme, de noodlottigheid. De andere, die de zoon van zijn moeder, de vriend van zijn vader, de goede kameraad is. Een Duits schrijver zeide eens, dat onder de duizend duivels van de oorlog er negenhonderd slechts gedwongen arme duivels waren. De tragiek van het menselijk lot is, dat wij hier voor donkere overmacht staan. Maar dat belet ons niet om de overtuiging levend te houden, dat „die arme duivels” een beter lot waardig zijn!

F. KLEYN,

(Uit: Van Maand tot Maand)