is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 20, 10-02-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Godsbeeld en God

Reeds in vroege tijden hebben mensen de behoefte gehad om zich een voorstelling, een beeld van God te maken. Dus vervaardigden ze beelden van hout, metaal of steen, soms lelijke, afschrik- en afschuwwekkende, soms schone of zeer schone, maar altijd indrwfcwekkende beelden van de godheid, die klaarblijkelijk de indruk moesten weergeven, die de religieuze mens van Gods werking in de natuur en in het mensenhart ontving. In latere tijd schiepen en scheppen mensen zich gedachten- of fantasiebeelden van God met dezelfde strekking. Op zichzelf is dit heel natuurlijk en ongevaarlijk. Maar zodra het godsbeeld gelijkgesteld wordt aan God, dan dreigen de grote en droevige gevaren, waarvan ik in ’t slot van mijn laatste artikel gewaagde. Ik wil er hier drie noemen en voor de duidelijkheid zal ik voortaan, waar ik over het godsbeeld spreek, het woord god met kleine beginletter schrijven.

le. Omdat mensen verschillend zijn, vallen de godsbeelden, die ze zich scheppen, ook verschillend uit. Ik zou wel een hele kolom kunnen vullen met het schetsen van die verschillende góden, maar wil dit aan de lezers zelve overlaten. leder weet wel, dat men b.v. spreekt van de god van Calvijn, de god van Nederland, de god van de Roomsen, Protestanten enz. Laat ieder dan toch ook inzien, dat er dan van góden sprake is en niet van God. Doordat echter de mensen over ’t algemeen zulk een godsbeeld voor God zelf aanzagen en ieder zijn god voor de ware God hield, zijn de misverstanden, botsingen, godsdiensttwisten, kettervervolgingen en godsdienstoorlogen in de wereld gekomen.

2e. De mens, in een bepaalde godsvoorstelling opgevoed, komt later dikwijls tot de ontdekking, dat zijn godsbeeld niet overeenkomt met de werkelijkheid. In plaats van dan te zeggen: Dus is mijn godsbeeld’ onjuist, zegt hij maar al te vaak met Multatull: „Er is geen God” en noemt zich atheïst. Het atheïsme van de meeste „godloochenaars” zo is althans mijn ervaring bestaat niet hierin, dat ze niet in God, maar dat ze niet In een bepaalde god, een concreet godsbeeld kunnen geloven. Wie yeel met atheïsten en hun geschriften in aanraking geweest Is, komt tot de ontdekking, dat zij, evenmin als vele ~gelovigen” het onderscheid tussen God en god zien. Men zou kunnen zeggen dat door de eeuwen heen mensen hebben vereerd en aangebeden wat niet God, maar god was en dat eveneens mensen geloochend en verworpen hebben, wat niet God, maar god was. 3e. Doordat de mens zich een godsbeeld, zijn god voor ogen houdt, ziet hij God niet. Collega Moulljn schreef: „Het ergste, is dat zij (de mensen van de oudere generatie) met hun begrippen het godsbeeld voor hun hoorders en lezers abstract maken en het daardoor de greep op de ziel ontnemen.” In mijn oog is dit het ergste, ais door het godsbeeld, abstract of concreet, God-zelf verduisterd wordt, zoals bij een zonsverduistering de maan zich plaatst tussen de zon en de aarde.

Met deze gedachte voor ogen, leze men eens Matth. 23 : vs 13. Dan wordt hier tot de Farizeërs en Schriftgeleerden gezegd: „Gij, die de godsdienstige leidslieden van uw volk wilt zijn, gij houdt de mensen van God af. Als daar een mens is, die God en Zijn rijk zoekt en dus op de goede weg is, dan brengt gij hem daarvan af, door hem een godsbeeld, uw god voor te houden. Gij zijt als schildwachten voor ’t paleis van een vorst, die anderen verhinderen tot den vorst te komen, maar die zelf ook ’t paleis niet binnen gaan moogt. Gij zijt oorzaak, dat mensen wel een godsdienst kunnen hebben en toch van God niet weten.”

Ziehier de grote gevaren, die het zich een beeld van God maken met zich medebrengt. Vandaar dat reeds in het tweede gebod gezegd wordt: „Gij zult u geen beeld van God maken en dit aanbidden.” Vandaar ook dat de Amerikaanse schrijver Emerson zegt, dat eerst „de god der traditie moet verdwijnen, ais een mens in de levende God zal geloven.” En onze dichteres Jacquellne van der Waals vraagt In de laatste regel van het vers, hiernaast afgedrukt:

„Zou wie God opgeeft slechts zijn God ontmoeten?” Ik zou deze regel anders geschreven hebben, n.L: „Zou wie zijn god opgeeft slechts God ontmoeten?”

Dan was de bedoeling, die volgens ’t gehele vers de dichteres heeft en die overeen komt met de uitspraak van Emerson, duidelijker aan de dag gekomen. Wanneer wij dit onderscheid tussen God en god vasthoudend, de bijbel lezen, dan vinden we daar. zowel In het Oude als In het Nieuwe Testament uitspraken, die op ’n god, een godsbeeid betrekking hebben. Dan vinden wij daar soms naïeve, kinderlijke en gebrekkige voorstellingen, als b.v. van een god, die berouw heeft of jaloers Is, van een god die alle zonden vergeeft, die zijn getrouwen uit alle noden redt, of die als een hemelse Slnt-Nlcolaas de goeden beloont en de bozen bestraft voor hun daden en wandaden op ulterlljke, zichtbare en voelbare wijze hier in dit leven of anders hiernamaals. Maar we zien ook hoe af en toe de vromen, dichters en profeten God zoeken en vinden en daarvoor hun god loslaten.

Heel duidelijk komt dit uit in het boek Job. Wij moeten hierbij bedenken, dat de onbekende schrijver, waarschijnlijk In verband met een oud verhaal, In dit boek zijn eigen zielservaring uitspreekt en zich met Job vereenzelvigt. Hij dan is opgevoed in ’t geloof aan een god, die rechtvaardig was op menselijke wijze, die de vromen en goeden beloonde en de bozen bestrafte. Nu merkt hij In zijn eigen leven, dat het niet zo toegaat In de werkelijkheid, noch bij hem, noch bij anderen. Hij ziet nu de waarheid: ~God verdelgt goeden en bozen.”

Terwijl nu zijn vrouw, als zij ontdekt dat haar godsbeeld In strijd Is met de werkelijkheid, atheïste wordt, God laat varen en zegt: Er Is geen God blijft Job In zijn geloof volharden. Waar hij In zijn jeugd had leren zeggen: „God Is rechtvaardig” daar haalt hij na zijn bittere levenservaring een streep door het laatste woord, maar laat die twee andere staan: God is.

En hij schrijft er later achter: onbegrijpelijk. En dan Is hij dichter bij de waarheid dan vroeger, toen hij zich verbeeldde, God te kennen en toen hij o goed verklaren kon, waarom het enkele mensen zo slecht en anderen zo voorspoedig ging. Het godsbeeld verdwenen God komt te voorschijn! lets dergelijks Is ook te vinden In Psalm 22, 42 en 73.

Merkwaardig Is In dit verband ook wat In het boek Daniël, hoofdstuk 111, verhaald wordt. Daar lezen wij, dat Danlël’s drie vrien-

den geweigerd hebben, het beeld van een babylonlsche god te aanbidden. Tot straf zullen zij In de vurige oven geworpen worden en de koning zegt tot hen: „Wie Is de god, die u uit mijn hand zou redden?”

En dan antwoorden die wakkere jongelingen: „Indien onze God, dien wij aanbidden, machtig Is ons te verlossen, dan zal hij ons verlossen uit de vurige oven en uit uw hand. En indien niet, zo weet, o koning, dat wij nochtans uwen god niet zullen vereren.” Dit Is een van de vroomste woorden uit het O.T. Deze jongelingen blijven standvastig weigeren zich voor een vreemde god en voor een machtige koning te buigen, ook als hun god hen in de steek laat. Is dit niet, omdat zij in ’t diepst van hun ziel geloven In God, die trouw Is In eeuwigheid?

Ditzelfde, maar In nog hogere vorm en zin, Is te vinden in de lijdensgeschiedenis. Allereerst In het tafereel van Gethsémané, waar gebeden wordt: ~Indien het mogelijk Is, laat deze drinkbeker voorbijgaan! Maar indien niet.— Uw wil, niet mijn wil geschiede.” En wederom op Golgotha, waar de gekruisigde Christus na de hartroerende klacht: „Mijn god, waarom hebt gij mij verlaten?” —■ zich wendt tot God, den Vader, die in het verborgen is en die hem als een misdadiger, tussen twee misdadigers In, laat sterven aan het kruis, zeggende: „Vader, In Uwe handen beveel Ik mijnen geest.”

Collega Moulljn schreef In het nummer van 13 Jan.: „Mijn God Is de God van Jezus Christus.” Hij verwacht, zegt hij, van mij de tegenwerping: ~Is het dan zo duidelijk, wie Jezus Christus is?” En Inderdaad Is mij niet duidelijk, wat vele vrijzinnigen, die In preken en stichtelijke artikelen de naam Christus gebruiken, daaronder verstaan. Toch zou :k hem die vraag niet tegengeworpen hebben, maar deze: ~Is het u duidelijk, welke God de God van Jezus Christus Is?” Om deze vraag Is het immers begonnen: Welke God? In een slotartikel hoop ik volgende week mijn antwoord te geven. F. ELDERING. P.S. Wie naar aanleiding mijner artikelen vragen of opmerkingen heeft, kan deze tot mij persoonlijk richten. Mijn adres Is: L. de Collgnylaan 36, Oegstgeest.

Rectificatie

Uit het artikel welke God? (II) van P. Eidering in het vorig nummer is op biz. 7, eerste kolom na regel 17 van boven een regel uitgevallen. De gehele betreffende zin moet lulden: „En collega Moulljn weet toch, hoe de R.K. kerk door haar grote en kleine catechismus en de Ned. Herv. Kerk door haar drie formulieren van enigheid ..enz.

De smalte weg

Ik wilde, dat mij God in d'eenzaamheid Den smallen weg ten leven vinden deed. De groote weg, die veilig is en breed. Dien niemand missen kan, ligt -welbereid.

Met afgepaste plichten geplaveid. En meeningen, die ieder kent en weet. Daar wandelt men gerust en welgekleed Het is de weg, die ten verderve leidt.

Maar zoo ik ik slechts wijs? al d’andren dwaas? Dien weg verlatende, mijn weg niet vond? En nog verward door ’t waarschuwend geraas

Der scharen, niet Gods stille stem verstond? Gods breede baan lag veilig voor mijn voeten.... Zou, wie God opgeeft slechts, zijn God ontmoeten?

JACQ. VAN DER WAALS