is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 21, 17-02-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BUITENLANDSE KRONIEK

Roosevelt stuurt een afgezant

President Roosevelt schijnt er tegenwoordig een uitzonderlijk behagen in te scheppen, zijn medemensen voor raadselen te stellen. Maandenlang reeds weet hij de journalisten en politici in Amerika, die hem alle mogelijke strikvragen stellen teneinde aan de weet te komen, of de president zich voor een derde candidatuur beschikbaar zal steUen, met de meest geraffineerde orakel-taal om de tuin te leiden. ■

Het Amerikaanse staatshoofd heeft dit spelletje thans min of meer tot de rest van de wereld uitgebreid. Hij zendt zijn onderminister van Buitenlandse Zaken, den heer Sumner Welles, naar de voornaamste landen van Europa, naar het heet, om de gebeurtenissen aldaar van nabij in ogenschouw te nemen. Zijn minister van Buitenlandse Zaken. Huil, deelt mede, met de neutrale staten overleg te zullen plegen aangaande de grondslagen van een toekomstige vrede. Maar over de vraag, in welke tijd Huil zich die vrede voorstelt en of de Europese volkeren den heer Sumner Welles als een soort „vredes-duif” moeten beschouwen, die uit de Amerikaanse arke Noach’s wordt uitgezonden om naar land te zoeken in de Europese oorlogs-zondvloed, worden wij in het onzekere gelaten.

Er zijn vrij wat argwanende geesten, die verband leggen tussen Roosevelt’s verkiezingstactiek en zijn Europees initiatief. Men hoeft zich dit verband waariijk niet aiieen in een grove demagogische zin voor te steilen, als wilde Roosevelt pogen, zich met alle geweld als pacificator in Europa bij het Amerikaanse voik populair of zelfs maar onmisbaar te maken. Het voorbeeld van Wilson zal hem een duidelijke les zijn geweest, hoe ondankbaar het Amierikaanse publiek jegens een vredes-apostei kan zijn en hoe weinig het zich per saido van de internationale „zending” van zijn leiders aantrekt. Ook Wilson was allerminst met zijn internationale taak gereed, toen zijn eigen volk hem in de steek liet. Men zou zich zelfs een ogenblik kunnen voorstenen, dat, wanneer het Roosevelt inderdaad om een vredes-initiatief te doen was, dit een aanwijzing zou zijn voor zijn besiuit, zich niet herkiesbaar te steilen als president. Zonder elk verband met de interne Amerikaanse politiek te wUlen ioochenen, zoeken wij toch liever de bekentenis van Roosevelt’s actie in een meer positief internationalistische richting. Het feit, dat zich op het ogenblik het merendeel van de Amerikaanse vertegenwoordigers in de grote Europese staten te Washington bevindt en daar, naar het schijnt, vrij verontrustende rapporten uitbrengt over de naaste verwachtingen van het oorlogsverloop in Europa, kan het internationale verantwoordelijkheidsbesef bij de Amerikaanse staatsleiding hebben wakker geroepen. Men gaat te ver, daarbij te veronderstelien, dat Sumner Welies door zijn aanwezigheid een uit den treure voorspeid voorjaars-offensief zou moeten verijdeien. Maar het is zeer wei mogelijk, dat de Verenigde Staten door een blijk van aanwezigheid een zekere remmende werking willen uitoefenen.

In dit verband past ook de poging, die Huil kiaarblijkeiijk onderneemt, om een soort front van neutralen te vormen. De neutralen zullen vooral worden gepolst over twee grondslagen van de vrede, die den Amerikanen bijzonder dierbaar zijn: internationale handelsvrijheid en beperking der bewapening. Van Europese zijde is den Amerikanen, o.a. in de Londense „Times” te verstaan gegeven, dat de toekomst van dit werelddeel nog wel heel andere vraagstukken aan de orde zal stellen. Een nadere persoonlijke kennismaking met „Europa op z’n siechtst” kan voor de Ameri-

kanen slechts nuttig zijn.

Maar niet alleen voor een toekomstige vrede, die nog in dichte nevelen verborgen ligt, maar ook voor het verloop van de oorlog, die een veel tastbaarder realiteit is, is deze Amerikaanse belangstelling van betekenis. Uit de toespraak, welke president Roosevelt richtte tot het Amerikaanse Jeugdcongres (dat, waarschijnlijk onder communistische invloed, een overwegend isolationistisch standpunt ook tegenover Finland innam) bleek duidelijk, wat het oordeel van de Amerikaanse staatsleidiing over de agressieve flictatoren is.

Die Amerikaanse sympathie voor het lot van hen, die door een overmachtigen buurman overweldigd zijn, kan echter in het bijzonder in de naaste toekomst ook vele andere kleine staten in Europa wat waard zijn. Het is daarom, dat wij, ook in ons eigen land, Amerika’s „acte de présence”, dit bewijs van aanwezigheid, niet anders dan met welgevallen kunnen registreren.

Wantrouwen

Wanneer Roosevelt inderdaad een vredesinitiatief zou hebben beoogd, moeten de eerste reacties in Europa niet bepaald aanmoedigend zijn geweest. In het bijzonder in Londen en Parijs nam men dienaangaande een uiterst wantrouwende houding aan.

Dit wantrouwen vindt wellicht mirider zijn oorsprong in al of niet terecht aan Roosevelt toegeschreven bemiddelingsplannen, dan wel in de vrees voor het misbruik, dat van een dergelijk initiatief van de zijde der tegenpartij zou kunnen worden gemaakt, en voor de verwarring en aarzeling, welke het in eigen gelederen zou kunnen teweeg brengen. Beide bezorgdheden zijn geenszins denkbeeldig.

Het is stellig helemaal niet ondenkbaar, dat het nazi-regime de Amerikaanse stappen zou willen exploiteren om voor de eigen bevolking nogmaals als het summum van redelijkheid en verzoeningsgezindheid te paraderen, teneinde dan later des te beter de hartstochten der overigens onwetend en onmondig gehouden massa’s te kunnen opzwepen tegen een buitenwereld, ~die immers niet anders heeft gewild”!

En men zal van Duitse zijde, eventueel gesecondeerd door Italië, des te gretiger een „vredes-debat” ontketenen, wanneer er reden zou zijn om aan te nemen, dat daardoor de vastbeslotenheid van de tegenstanders zou kunnen worden ondermijnd.

Nu zijn er ongetwijfeld in de beide grote democratieën heel wat meer psychische weerstanden tegen de oorlog te overwinnen geweest in Engeland ernstiger en langduriger dan in Frankrijk —, waardoor de tegenstander licht op een dwaalspoor kon worden gebracht. Langzamerhand zijn echter, enkele diep-overtuigd pacifistische en ook enige verblinde om oneerlijke motieven nu maar buiten beschouwing te laten anti-democratische groepen uitgezonderd, de stemmen verstomd, die tot een Inkeer maanden en uiting gaven aan de hoop, het ergste alsnog te voorkomen. Wij kunnen deze ontwikkeling misschien persoonlijk betreuren, het zou moeilijk

zijn grondslagen aan te wijzen, welke aan het verlangen naar een vrede op korte termijn enig fundament zouden kpnnen geven. Wanneer het Amerikaanse initiatief evenwel een nieuwe faze in de „zenuw-oorlog” zou inluiden, staat de uitslag bij voorbaat vast. De grote meerderheid van het Engelse zo goed als het Franse volk beseft, dat er geen weg terug meer openligt.

Welkom Vreemdeling!

Vredes-initiatief of diplomatiek vlag-vertoon; in elk geval is de Amerikaanse verrassing wel geschikt om de discussie over de toekomstige grondslagen van de vrede te stimuleren.

In officiële kringen heeft men zich er van de zijde der oorlogvoerenden tot dusver toe beperkt, de voorwaarden nadrukkelijk te herhalen, waaraan een beëindiging van de oorlog zou moeten voldoen. De neutrale regeringen zullen zich evenmin door de vragen van Huil uit hun tent laten lokken. Maar ook in officiële kringen kan het Amerikaanse overleg toch niet nalaten, tot precisering te dwingen van veel, dat tot dusver slechts zeer algemeen is geformuleerd.

Wat het niet-officiële publiek betreft, komt het Amerikaanse initiatief juist op een ogenblik, dat, in het bijzonder aan Engelse zijde, het debat over de „oorlog-doeleinden” levendiger is dan ooit. Al is de Amerikaanse bijdrage zelf, zoals gezegd, gering, zo kan men op zichzelf elk evenement, dat de vraag van het waarom en waarheen weer centraal stelt, slechts welkom heten.

De Londense „Daily Herald” zou zich kunnen afvragen, of Roosevelt door zijn optreden eigenlijk niet de beste propagandist is voor het grote debat over de toekomst van de wereld na deze oorlog, dat onder leiding van den schrijver H. G. Wells in dit arbeidersorgaan op touw is gezet. Eerlijk gezegd, heeft Wells, die met de nodige tam-tam zijn tien nieuwe „rechten van den mens” ter discussie heeft gesteld, als een nieuwe grondwet voor de gehele wereld, ons nog niet van het wereldhistorische belang van zijn stellingen kunnen overtuigen. De toelichting, waarmee hij dit charter der volkeren bij het Engelse publiek introduceerde, scheen ons meer erop gericht, de Engelse oorlogsmentaliteit aan te wakkeren en den man-in-de-straat een morele riem onder het hart te steken, dan de toekomstige vrede geestelijk voor te bereiden. Tenslotte kan de man, die onlangs als zijn overtuiging uitsprak, dat een „bombardement door de vliegtuigen en de artillerie, waarbij hun (d.w.z. de Duitse) steden zouden worden verwoest, voor hen een gezonde en ontnuchterende ervaring zou vormen”, moeilijk als de aangewezen leider voor een internationale gedachtenwisseling, want dat was de opzet, over de geestelijke grondslagen van een nieuw Europa worden beschouwd.

Van meer belang is de „politieke verklaring”, welke de Engelse Arbeiderspartij omtrent oorlog en vrede heeft opgesteld. Maar ook hier stuit men nog op veel vaagheid en algemeenheid, die stellig nadere uitwerking behoeven. Dankbaar kan men Labour zijn, en dat is het enige, wat wij er hier thans verder van wilien zeggen, voor de wijze, waarop zij het kardinaie vraagstuk in Europa opnieuw aan de orde heeft gesteld, namelijk: hoe de Franse aanspraak op veiligheid te verzoenen met de Duitse eis van gelijkheid.

Verkenningsvlucht

Het is geen nieuwe probleemstelling, ziJ « afkomstig van den hardnekkigsten vredesdiplomaat, welke Labour in het verleden heeft opgeleverd, wijlen Arthur Henderson. Twintig jaren vrede na 1939 hebben die vraag niet kunnen oplossen. Of de oorlogsjaren daartoe meer gelegenheid zullen bieden, staat te bezien. Misschien is dit kernvraagstuk echter één van de problemen, welke men aan den Amerikaansen afgezant zou kunnen voorleggen.

Want ook al zal de uiteindelijke organisatie van een nieuwe Europa het werk van Europl zelf moeten zijn, zo kan daarbij toch een middelaarschap met een moreel gezag als dal van de grote democratie aan de overzijde vaa de Atlantische Oceaan niet worden gemist. Daarom geldt In elk geval voor Roosevelfl afgezant: Welkom, vreemdeling! B. W. SCHAPER.