is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 21, 17-02-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uitbreiding van het werk dwong In 1934 tot bouw van een lezlngzaal te Bentveld, In 1937 tot stichting van een nieuw centrum In Kortehemmen (Fr.).

Zo heeft de A.G. 20 jaar gewerkt. Geboren In de hoopvolle tijd na 1918, heeft zij al die jaren de arbeidersbeweging In religieuze geest gediend. De A.G. wil geen politieke partijen omvormen, wel mensen een weg naar de Bron des levens wijzen. Naar wezen en streven is de A.G. niet veranderd. Veranderd Is wel, dat zij sterker, positiever In religieus opzicht durft te spreken. Moge dit werk voortduren, opdat in steeds wijder kring Gods kracht en Gods liefde worde erkend.

Na een korte pauze volgt de huldiging van Dora de Jong.

Huldiging

Nu Dora de Jong afscheid neemt van haar levenswerk In de A.G. moet een woord van dank gesproken worden, aldus Banning.

Mr. M. J. A. Moltzer opent de rij van sprekers. Hij, een der mede- oprichters, laat zien, hoeveel Dora de Jong aan de A.G. te danken heeft gehad; vriendschap en een rijk gezegend leven. Spr. hoopt, dat het haar gegeven mag zijn wijs oud te worden.

Mevr. W. Kuln—Harttorff spreek namens de jongeren van het A.G.-bestuur. Het was een voorrecht, met Dora de Jong, moeder der A.G., te hebben mogen samenwerken.

K. Geertsma spreekt als één van de oudste makkers. Hij wil Dora de Jong allereerst zien als Barchemlet. Zij heeft veel van Barchem doorgegeven. De naam van Dora de Jong klinkt als een klok ook In de arbeidersbeweging. Maar In Barchem was zij het meest centraal. Spr. dankt God voor wat Hf] ons In Dora de Jong geschonken heeft.

J. A. Riedel, vertegenwoordiger van de Woodbrookers-verenlglng, zegt, dat Barchem vergeleken kan worden met een gezin. De Vereniging van Woodbrookers heeft uit haar huls de A.G. zien groeien tot een zelfstandige. Daarom Is er vreugde In het gezin. In die A.G. heeft Dora de Jong haar zéér eigen plaats gehad en daardoor óók In de „grote” Vereniging. Spreker overhandigt een bloemstuk.

DORA DE JONG

P. V. Schllfgaarde spreekt namens het cultuurfilosofisch werkverband.

W. Banning sluit de rij van sprekers. Hij wil één gedachte toevoegen aan wat gezegd Is. Ofschoon wij elkander wel eens pijn hebben gedaan, wisten wij, dat dit voortkwam uit liefde voor de zaak.

Maar de vriendschap Is bewaard gebleven. Dat Is het allerbeste. Wij laten elkaar niet los, omdat wij zoveel jaren vastgehouden zijn. De betekenis van Dora voor de A.G. zal niet geschetst worden. Deze zal In het werk wel duurzaam blijken.

Tenslotte deelt Banning mee, dat de leden

een bedrag bijeen brachten. Daarvoor zocht Dora de Jong een litho van Aart van Dobbenburgh uit, terwijl het bedrag, dat resteert, een fonds-Dora de Jong zal vormen.

Dora de Jong dankt met een enkel woord. Het werk is haar niet zwaar geweest: zij werd tot dit werk gedreven. En zij heeft er zéér veel aan te danken. Na het zingen van „Tot de taak van hoofd en handen” is deze treffende bijeenkomst geëindigd.

Nabetrachting

De honderd leden der A.G. hebben beste dagen te Bentveld beleefd. Mijn gedachten kunnen er niet van loskomen en zij ontglippen mij van de serieuze stukkenschrijverij naar die reeks van gebeurtenissen, die wij beleefden. Toe dan maar, heb Ik tot mij zelf gezegd. En nu schrijf ik over de A.G.

Twintig jaren werk, afgesloten met de openlng van het nieuwe gebouw. Alle pessimisme ten spijt, staat het er en het staat er goed. Straks, In de zomer, opgenomen In een verzorgde tuin, betreurt niemand meer het wijde grasveld. Dan hoort de blanke vleugel er bij. En nemen wij wijder vlucht.

Twintig jaren werk, afgesloten na het overzicht van Dora de Jong. Dat was fijn, Dora. Misschien ligt er wel een gezond verweer In tegen formalistische, onwaarachtige en onwaardlge jublleumplechtlgheden, dat wij zo preuts doen, als wij dankbaar zijn. En het Is misschien wel goed. dat wij over onszelf en anderen zwijgen om klein te blijven In het grote werk. Maar hoe dlep-verheugd ben Ik, dat Zondag de natuur boven de leer ging. Toen hebben wij ’t gezegd en toen was het goed. Wij wisten het; wat In officiële kringen nooit kan en steeds geschiedt, kan bij ons heel goed, ofschoon wij er zelden toe komen, n.l. dat wij elkaar de waarheid zeggen. Gewoon, in menselijke woorden, die vreugde laten meéklinken. Ik zou er voor willen pleiten, dat het rechtstreeks warm spreken tot elkaar bij uitzonderlijke gelegenheden vaker geschiedt. Wij leven toch, ook In ons werk, steeds op de grens van slagen en mislukken, steeds In de spanning tussen gegrepen zijn en losgelaten worden. Daarom Is het goed, waardig, waar, als het af en toe gezegd wordt, ’t Was goed, wij blijven toch Immers als opgeschoten jongens, die doen alsof wij ongenaakbaar zijn, maar hunkeren naar het woord, het lulde, hardop gesproken warme woord, dat een ogenblik onze eenzaamheid verdrijft en ons optilt boven onze steeds woelende zorg voor niet helemaal onnut te zijn. Wil zagen het; dat kan In onze A.G. Goddank.

De schroom bij Dora’s huldiging brengt mij op een punt, waar Zondag ternauwernood de aandacht op Is gevestigd. Het is op deze vraag; Wat betekent eigenlijk de A.G.? Wat ze doet, dat Is breeduit gezegd; bezinnen, verdiepen. Er zijn In de loop der twintig verstreken jaren duizenden door de A.G. heengegaan. Velen zijn ook weer van de A.G. weggegaan. Zij vonden er geen gesloten schema, dat ontsloeg van verder denken; of zij hoorden er geen felle taal, die de onvruchtbare roes van goedkoop heldendom wekt; zij luisterden alleen maar naar de ..wazige” woorden, die Irriteerden en zij bleven weg.

Nu is het mij Zondag duidelijk geworden, dat de betekenis van Bentveld tenslotte niet ligt In wat gezegd wordt, maar In wat het Is. Mag men dat karakteriseren met het woord ~stijl”? Neen. Het Is meer. Bentveld Is óók een plaats, waar, onuitgesproken, leiding tot religieuze levensvoerlng wordt gegeven. Achter en boven alle bezinning en verdieping geldt dat. Ja, al dat „werk” met annex circulaires van de „staf”, met zijn lezingen en nabesprekingen, zijn de middelen om tot dat andere te komen; levensvoerlng. Zij, die roepen om een rellgleussoclallstlsche dogmatiek, om ~concrete” antwoorden, vergeten dat véél belangrljker Is, centra te vormen om het leven te her-ordenen. Daarmee Is Bentveld niet een stuk arbeidersbeweging, maar een kleine stroom in het steeds krachtiger wordende verlangen van hen, die Iri de moderniteit niet willen ondergaan en leiding bij levensvoerlng verlangen. Moderne mensen zijn sceptisch, braaf, maar a-moreel, hebben veel gezond verstand, maar weinig wljs-

heid, willen werelds leven, hebben weinig principes en slechts bereikbare verlangens. Maar elke wezenlijke ingetogenheid, ascese, meditatie, vormgeving is hun vreemd. Een middelpunt, vanwaaruit de begeerten geordend worden, een methode volgens welke de dagelijkse uren worden ingebed, bezitten zij niet. Dat is armoede, zo beseffen wij. En die armoede hindert ons, wekt bij ons schaamte.

Bentveld, ja meer nog het gehele Woodbrookerdom Is een poging om op eigen wijze deze orde, deze methode in het leven in te voeren. Op eigen wijze, zoals ook de R.K. retraites dat doen, zoals de Oxfordbeweging propageert, zoals het in orthodox-protestantse kringen gehandhaafd wordt, zoals de theosofen In hun Esoterische School systematisch beoefenen en zoals de Doopsgezinde .gemeentedag-beweging beoogt.

Het Is duidelijk; Bentveld, grensgebied, düs slagveld, waar moderne mensen voor het eerst met religie überhaupt in aanraking komen, kan hier niet verder gaan dan de spanning tussen verwereldlijking en „ascese” toelaat. Dat Is, goed beschouwd, niet zo héél ver; het Is wat stilte, het Is het lulden der klok, het Is het slinger pad door de duinen, het Is een lied, het Is de „toon”. Méér niet. Het Is géén meditatie noch gebed, geen knielen noch getuigen. Maar het Is reeds zéér veel. Want het doorbreekt de ban der „wereldse” levensvoerlng, waarin het zo prettig schijnt, maar zo afmattend Is te leven.

Over dit alles Is Zondag niet gesproken. Terecht. Maar Maandag, na het ondergaan te hebben, mocht er niet over gezwegen worden. Wie van de sprekers was het ook weer, die ervan getuigde welk een voorrecht het was de A.G. mede te mogen bouwen? Inderdaad; niet slechts vanwege wat wij zeggen en horen kunnen, maar vooral vanwege wat wij er leren, Is Bentveld ons veel geworden. En Is het, tenslotte, dan zo’n wonder, dat wij beschroomd zijn elkaar te bedanken voor wij wij samen ontvangen? L. H. RUITENBERG.

De V.A.R.A., „Het Volk" – en nog iets

Enkele weken geleden ultte Plet van Duin zijn verontwaardiging In zijn „Het Volk”-, rubriek „Om en bij het radlo-toestel” naar aanleiding van een smakeloos liedje, dat hij daags tevoren In een der V.A.R.A.-ultzendlngen gehoord had. Daarop dreef Arle Pleysler In de ~Radlo-glds” de spot met zulk een „vlooienjacht”. Wat de redactie van „Het Volk” weer niet op zich liet zitten; zij antwoordde, dat het gewraakte liedje typisch was voor het tegenwoordige peil van een groot deel der radlo-programma’s. En zij waarschuwde de omroep; ga niet door op deze weg!

Wat steekt er eigenlijk achter dit geharrewar? Inderdaad moet elk objectief beoordelaar vaststellen, dat het peil van de omroep tegenwoordig alles behalve verheffend Is. Maar. hiertegenover dient de vraag gesteld; hoe staat het met peil van de radio-critiek In onze pers? Zij heeft helemaal geen peil, want zij bestaat niet.

De elke Zaterdag In ~Het Volk” verschijnende radlo-rubrlek houdt zich in hoofdzaak met technische kwesties bezig. Als dan In zulk een rubriek eensklaps crltlek wordt uitgeoefend op een of ander eigenlijk met de haren erbij gesleept programma-nummertje, hoe kan men die crltlek dan ernstig nemen? Gedurende enige tijd had „Het Volk” regelmatig radlobespreklngen, die zich ten leste uitsluitend met muzikale uitzendingen bemoeiden.

Als de omroep niet zo Is, als wij wensen, dan ligt dit niet In de laatste plaats aan de Nederlandse pers, die voor haar veel minder belangstelling aan de dag legt, dan voor wildwest- en Shlrley Temple-fllms. Juist omdat de Invloed van de omroep zo groot Is, zou het tot 'de plicht behoren van bladen, die zich hun verantwoordelijkheid voor onze cultuur bewust zijn, om geregeld een waakzaam oog te houden op zijn prestaties en tekortkomingen. Evenals de toneel-, muziek- en fllmcrltlek moet ook de omroepcrltlek zich bewust worden van haar verantwoordelijkheid en van haar voorname