is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 22, 24-02-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Proberen

Gen. 3: 1-9. De slang was de schranderste van al het gedierte des velds. dat Jahwe God gemaakt had, en zij zeide tot de vrouw: Heeft God waarlijk gezegd, dat gij van geen boom in den hof eten moogt? De vrouw zeide tot de slang: Van alle bomen in den hof mogen wij eten; maar van de vruchten des booms, die midden in den hof staat, beeft God zult gij niet eten; gij moogt ze zelfs niet aanraken; anders sterft gij. Maar de slang zeide tot de vrouw: Gij zult gewis niet sterven; maar God weet wel, dat wanneer gij daarvan eet, u de ogen zullen opengaan en gij aan góden gelijk zult zijn, kennende goed en kwaad, De vrouw nu. ziende dat de boom goed was tot spijs, een lust voor de ogen en begeerlijk om daardoor verstand te krijgen, nam van zijn vruchten, at en gaf ze ook aan haar man; en deze at er van. Nu gingen beider ogen open en bemerkten zij, dat zij naakt waren; daarom hechtten zij vijgebladeren aaneen en maakten zich gordels. Doch toen zij bij het opsteken van den wind Jahwe God in den hof hoorden wandelen. verborgen zich de mens en zijn vrouw voor Jahwe God tussen het geboomte van den hof. En Jahwe God riep den mens toe; Waar zijt gij?

~Proberen” is de technische term: „ze proberen het natuurlijk”. Die ~ze” zijn een klas schooljongens, en wat ze proberen dat is het vinden van de grens: hoever kun je gaan? Elke nieuwe meester weet er van mee te pra-

ten. En de schranderste is de aanvoerder, het geval 'boeit hem, maar hij stelt zich niet alleen bloot. Al veel eerder, toen er van geen school of meesters sprake was, hebben ze geprobeerd. Moeder zei wel, dat de kachel heet was, maar elk normaal kind moet het even voelen; ze kunnen eenvoudig hun vingers niet thuishouden en branden zich.

En de grote mensen zijn niet veel wijzer. „Zo’n graafschapje er bij”, zei een middeleeuwse koning tegen zijn raadgever, ~zou niet kwaad zijn.” ~Maar er komt strijd en ellende van.” Dat wisten ze beiden, met of zonder woorden. Maar toch groeide de begeerte, het werd een behoefte, een noodzaak. Tot de strijd kwam, en tegensiag en het stellige voornemen: dit nooit weer! Tot een volgende maal. De schrandersten experimenteren en proberen, proberen: dit zou als gifgas een vreselijk wapen zijn. En dan is het het al. —■ Al de narigheid, waarin wij vastzitten, is toch eigenlijk het gevolg van het éven proberen. Menselijke schranderheid is als de baby bij de kachel, neen erger, zij wéét dat het mis moet lopen, maar altijd is er de vermetele drang om te wagen wat je kunt: als het eens goed ging. Maar het gaat niet goed.

Zo is het in ons eigen leven. Hoeveel goede dingen, hoeveel aanhankelijkheid, hoeveel vriendschap hebben we niet verknoeid door nog éven te rekken, nog éven te wachten met een antwoord, met een tegemoetkoming. Het kon wel lijden, meenden we. Nog éven proberen. Maar ergens is de grens bereikt, ergens breekt iets af. We kunnen ons niet alles veroorloven: een woord teveel, een woord te weinig, er hangt zoveel van af. Waarom worden we toch altijd weer naar die gevaarlijke grensgebieden getrokken?

En dan te bedenken hoe goed deze wereld en dit leven zijn zou zonder ons teveel aan probeerzieke schranderheid, hoe wij dan Gods zorg ervaren zouden, en kinderlijk genieten van eenvoudige vreugden, geen verlangen, geen streven, maar een blijde rust en veiligheid in het heden. We verstaan het oude Genesisverhaai nog wonderlijk goed, het antwoord, dat de Joden gaven op al deze vragen, die ook de hunne waren, een verklaring en een schuldbelijdenis. Wij verstaan dit hele stuk, omdat alle gevoelens en ervaringen zo volstrekt menselijk zijn, maar onze interpretatie zou toch wel wat anders worden.

De verleiding van de slang kennen we: ~Is het eigenlijk wel waar, dat het niet mag? Het zou dwaas zijn. Waarom? Ons geweten moet bedrogen zijn, misleid.” Dat is de wijze, waarop wij ons zelf verleiden. Het beeld van Gods jaloezie zou allicht niet in ons opkomen, maar kennen we niet de wrevel van het kind, dat bij een verbod zegt: ik mag ook nooit wat! De wrevel van den volwassene over zijn nooit zwijgend geweten, over Gods hinderlijke zorg?

En dan de schaamte: hij ziet het toch, dat wat er mis is, de ongehoorzaamheid. Aisof de vijgebiaden daarvoor helpen zouden. God ziet en God straft. God straft ons met het stellige weten, dat er niets meer aan te doen is, dat de gevolgen van deze, van elke ongehoorzaamheid zich tot in eeuwigheid zullen voortplanten. Bij elk mislukt proberen weten we het weer, dat er in het leven niets te proberen valt, dat het alles definitief is, gruwelijk onherroepelijk.

Adam en Eva worden na deze eerste grensoverschrijding aan het begin geplaatst, aan het echte begin. Adam zai nu moeten gaan werken om te bereiken wat hem in Edens hof toeviel, zijn onderhoud. Eva zal hunkeren en hunkeren en in den ander zoeken, wat in het paradijs de lucht was, waarin zij ademde: rust, geluk.

Volgens Gen. 3 heeft de mensheid mogen proeven van wat haar doel is: het leven in gehoorzaamheid. Maar onmiddellijk moest de val komen, de aanvang van het eigenlijke mensenleven. Nu komt het er op aan het paradijs te bouwen, de zaligheid te ontwringen aan een rotsige bodem, aan een hard leven, waarin moord en doodslag al dadelijk plaats vinden. Wij zijn nooit in het paradijs geweest, geen mens is er ooit geweest; toen wij in de wieg lagen, was in ons al de neiging om de kachel te ~proberen”, en voor Eva geproefd had, was er in haar de ontvankelijkheid

voor de praatjes van de slang, maar wij weten er tóch van.

En als wij nu dat paradijs maar konden zien aan het einde inpiaats van aan het begin, zouden wij dan ook niet in de andere richting kunnen proberen? Niet: wat kan ik krijgen, maar: wat kan ik missen? Niet: hoever kan ik deze band uitrekken, maar: hoe sterk kan ik hem maken?

Hoe dan ook: in dit harde leven, in dit leven van Adam en Eva, eindeloos vermenigvuldigd, leeft het paradijs, een droom in verleden of toekomst, een kans in het heden, een opdracht. Het paradijs is daar waar wij voor Gods stem niet hoeven te vluchten.

F. KALMA—KOOPS.

A. RODIN

EVA

Toen God zelf omging door het Paradijs „Ik groet u, dochter!”, klonk zijn groet tot Eva. Hoe anders klonk daarna het slanggeluid!

„Gij zult gelijk aan God zijn, even wijs. En niet een kind, dat voor zijn Schepper beve, Zo ge eet van deze vrucht, uw zoete buit.”

En ze at. En Adam at. En ’t vurig zwaard Dreef beiden naar een rijk van rots en doornen: Hem, die een god scheen, en haar, nog een

Dat moeder werd, die Kaïn heeft gebaard En Abel, tot ellende en dood geboornen. En Gods stem klonk niet langer in de wind. A. VERWEY.

Het gegeven woord

Deze zomer hadden we Mienke bij ons te logeren. Mienke was in de winter veel ziek geweest en de boslucht zou haar zeker goed doen. Vader en moeder brachten haar Zaterdagochtend en zouden haar over een week weer terug komen halen, ’t Was wel jammer, dat het niet langer kon, maar oma was dan jarig en Mienke, mocht als enig kleinkind toch niet op het feest ontbreken. Mienke zelf verheugde zich ook erg op die verjaardag. „Dan komen ze allemaal bij ons eten en dan komt er altijd een verjaarstaart.” Dat was dus goed afgesproken.

Alles ging best, ze at steeds beter, kreeg kleur op de wangen en was stralend. Totdat er Zaterdagochtend een brief van vader en moeder kwam. Ze vonden het bij nader inzien toch eigenlijk beter, dat ze nog een poosje buiten bleef, en oma zou het deze keer dan maar zonder kleinkind zien te stellen. Ik vertel het haar, met redenen omkleed (ze is nog maar 6 jaar en kan nog niet zelf lezen).

„Nee”, zegt ze, „dat kan moeder nooit geschreven hebben, want ze heeft beloofd, dat ik bij Oma’s verjaardag mag zijn.”

~Ja”, zeg ik, ~maar moeder is zo blij, dat je nu zo goed eet en zo gezond wordt, en daarom wil ze zo graag, dat je nog een poosje buiten blijft, dan word je deze winter misschien niet zo vaak ziek.”

„Nee”, houdt Mienke vol, „dat heb je toch vast verkeerd gelezen, hoor, want mammie heeft het zelf echt beloofd.”

Ik probeer haar nog te overreden, maar het succes is nihil. Altijd weer komt het argument: ~Mammie heeft het beloofd en dan doet ze het toch zeker altijd. Je hebt het heus niet goed gelezen.”

Ja, wat nu. Goede raad was duur. Tenslotte belde ik haar moeder op, omdat ik zelf geen beslissing durfde nemen. Ik had het gevoel, dat het om héél belangrijke dingen ging voor het kindje. Wanneer een kindje zó’n sterk vertrouwen heeft in haar ouders, dan zou een verbreken van die belofte dit vertrouwen een onherstelbare schok kunnen geven. Vader en moeder dachten er gelukkig net zo over en ’t eind was, dat Mienke volgens belofte naar oma’s verjaardag mocht en daarna weer bij ons kwam logeren.

Toen ik het Mlenke vertelde, zei ze heel rustig: „Dat wist ik wel, je moest het niet goed gelezen hebben, mammie doet altijd wat ze belooft.” L. K. S.