is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 22, 24-02-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Middernacht in de eeuw”

Victor Serge, S’il est minuit dans Ie siècle. Grasset.

Wat Victor Serge schrijft, is altijd boeiend. Hij is een zeer begaafd schrijver, die met enkele woorden een figuur, een situatie, een landschap voor den lezer weet te doen leven. Hij heeft ontzettend veel beleefd van zijn jongelingsjaren af, toen hij tot een groep anarchisten-van-de-daad behoorde en na talrijke omzwervingen, o.a. in Spanje, naar Sowjet-Rusland toog, om in de zwaarste dagen van de burgeroorlog voor de idealen van het communisme te strijden. Hoe het hem na Lenins dood daar verging, hoe hij en zijn zoontje werkelijk slechts door een wonder levend uit de klauwen der Gepeoe gered werden dank zij vooral de trouwe volharding zijner Franse kameraden, hoe zijn vrouw door angst en ontberingen zwaar zenuwziek werd, wat hij leed in die jaren van verbanning aan lichamelijke en geestelijke ellende, hij heeft het alles met beklemmende nauwkeurigheid beschreven in vroegere werken. Men voelt in elke letter, die Serge schrijft, dat deze man volkomen vrij is van jacht op sensatie, zelfs van iedere bewuste overdrijving. Objectief echter zou ik hem niet durven noemen. In zijn wezen ligt wat Landauer van zichzelf een sterke „hang tot verduistering” noemde, een pessimistische grondtoon, die door zijn levens-ervaringen ongetwijfeld verergerd is.

Deze kleine Inleiding was nodig, om voor onze lezers begrijpelijk te maken, waarom dit laatste boek van V. Serge er een is van hopeloze somberheid. In de titel hgt dit al besloten. De schrijver beschrijft in deze roman een episode uit het bestaan van een vijftal leden der communistische oppositie, vier mannen en een vrouw in de jaren ’2B tot ’32. Zij hebben hun gevangenisstraf uitgezeten en leven in de verbanning, onder politietoezicht natuurlijk, in een van die kleine „steden” in de noordelijke wildernis, waar grauwe verveling den beschaafden mens aangrijnst in een ruw klimaat, te midden ener primitieve bevolking. De verhoudingen zijn klein, laag en min de intriges der Gepeoe-beambten tegen elkaar, hun gemene listen; het leven is teruggebracht tot een elementaire strijd om-hetbestaan, dat is om de broodkaart, de zeepkaart, de (vul maar in). Het enige grootse is de natuur: wilde bergstromen, de „zwarte wateren”, die het plaatsje zijn naam geven, ontoegankelijke wouden, waar de dwangarbeiders werken tot zij er bij neer vallen. Groots is het ontwaken van de natuur, na de onbarmhartige winter in het voorjaar. Maar hoe kan men van het natuurgebeuren genieten als het lichaam zó gemarteld wordt. „Het ergste in het voorjaar”, zegt een van de vijf tegen een zijner kameraden, „is dat je geen overschoenen hebt.” ~Ja”, antwoordt de ander „en heb je wel gemerkt dat je juist in het voorjaar het ergste honger lijdt?”

De vijf revolutionnairen, die de Gepeoe hier alles behalve toevallig heeft bijeengebracht, en nauwlettend bespioneert, hebben op den jongsten na, een jongen proletariër met haast onuitputtelijke kracht-reserves en een ware geeuwhonger naar ~marxistische kennis”, een zeer behoorlijke staat van dienst in de partij. De oudste, Ryjik, van uitzicht een oud man met zijn grijze krullen, is een bolsjewiek van de oude stempel: lid geworden in 1904, heeft hij Lenin ontmoet op het kongres van Londen, deel genomen aan twee omwentelingen, een groot deel van zijn leven in gevangenissen en verbanningsplaatsen doorgebracht. Men kan zich de verachting van dezen oud-strijder voor Staiin, „Koba” zoals hij hem noemt, voorstellen.

Verachting, grenzeloze; verbittering, staalharde haat vervullen alle leden der groep voor „den verrader der revolutie”; Elkine, oudvoorzitter van de Tsjeka van Kiew; Avelej, student aan de Technische Hoge School te Bakoe; Varvara, de nog jonge vrouw, die gewond werd in de burgeroorlog van 1908. Alleen bij Rodion, den jongen stoker in een automobielenfabriek, zit de haat nog niet zo diep; zijn gemoed is er nog niet door vergif-

tigd, in hem leeft nog iets van toekomstverwachting.

Het groêpje-van-vijf, dat Serge ons leert kennen is, vermoed ik, zeer karakteristiek voor de beste oppositie-elementen in Sowjet-Rusland een jaar of tien geleden. Zij zijn even onbaatzuchtig, opofferingsgezind en heroïsch als de Russische socialisten van voor de wereldoorlog waren er even hopeloos doktrinair. Wij horen door hen van kameraden in de gevangenissen, die hongerstakingen hebben doorgemaakt, van geheime organisaties en klandestiene drukkerijen, van uit de „isolators” gesmokkelde brieven van Trotski, waartoe haast alle leden der oppositie vol verering opzien om zijn beginselvastheid, ai zijn zij niet alles met hem eens; van „richtlijnen” en „stellingen”, die natuurlijk het onderwerp zijn van eindeloze discussies, wanneer de vijf samenkomen, altijd bang bespionneerd te worden, op een verborgen plekje op de bergstroom of in Eikine’s kamertje, die zo gelukkig is alleen te wonen aan de buitenrand van het stadje.

Alle vier de mannen drinken: zonder de prikkel van de alkohol kunnen zij het niet uithouden. Rodion, nog half een jongen, verkoopt zijn broodrantsoen van drie dagen voor een fles wodka.

Maar de drank en de sexualitelt zijn toch bijkomstigheden in hun leven, vergeleken bij de politiek.

En de politiek, dat is de strijd tegen Stalin en zijn medeplichtigen. De strijd van een handjevol mannen en vrouwen, verstrooid in de eindeloze vlakten van Sowjet-Rusland en eigelijk altijd spartelend, of zij het weten of niet, in de netten der politieke politie.

In het voorjaar van ’32 wordt het net boven dit groepje dichtgetrokken: zij hadden het zien aankomen, toen ze, bijna tegelijkertijd, werkeloos werden gemaakt. Er moest weer eens „een voorbeeld worden gesteld” en een beschuldiging van sabotage of samenzwering is makkelijk in elkaar te zetten.

Rodion, de veerkrachtigste en hoopvolste, weet te ontkomen door een avontuurlijke tocht door de wildernis, die hem ten slotte brengt aan een andere bergstroom, de „witte wateren”, waar een nieuwe gevangenis voor de Gepeoe wordt gebouwd. Hij vindt er als metselaar werk.

En Ryjik besluit te eisen naar Leningrad getransporteerd en daar verhoord te worden. Daar alleen zal hij spreken, terechtgesteld worden of zelfmoord plegen. Zakelijk bespreekt hij zijn besluit met een lid van de groep. ~Ja, dat kan in de partij een zekere indruk maken”, meent deze cok.

De vreselijke beklemming, die het boek achterlaat, is niet zozeer te wijten aan al de menselijke laagheid en de versteende wanhoop, die er in beschreven worden, als aan het feit, dat ook de beteren en besten, de zuivere naturen, de idealisten van aanleg, zo hopeloos verstard zijn, dat in hun hart nooit de vraag schijnt op te komen: ~Wat kan toch de oorzaak zijn van de snelle bolsjewistische verwording.”

De gedachte, dat dit is omdat het bolsjewisme de eeuwige waarheden verloochend heeft, waarvan de mensheid leeft, zouden zij absurd vinden. Er dringt geen licht in de duisternis. Daarom leven en sterven zij desperaat.

Arme Ryjik, die door zijn dood „Koba” een poets hoopt te bakken.

In de ~New Statesman” van 27 Januari staat de afscheidsbrief van een chinees journalist Chin-Hsin-Kong, een vurig patriot, te Shanghai vermoord op bevel van Wang-chin-Wei, door de Japanners benoemd tot gouverneur van Nanking. Ik hoop uit die brief prachtig van religieus-filosofische sereniteit, hier weldra iets mee te delen.

Konden de leden der Russische oppositie met die rust van ziel de dood zien naderen, uitgerezen boven alle haat! Wisten wij maar, dat er enkelen zijn die haar voelen! Dan zouden wij over de toekomst van Rusiand geruster zijn.

Ik hoop, dat dit niet het laatste woord is

van Serge over het Russische leven. Naast het bolsjewisme in verwording, is er toch ook een wording buiten alie partijpoiitiek om? De ontzaggeiijke impulsies der October-omwenteling werken toch nog voort? „Middernacht in de eeuw”: goed maar de ziel leeft toch, ook in het middernachtelijk uur?

H. ROLAND HOLST.

Feiten en vragen

Ergens in Friesland: op het dorp komt een nieuwe predikant, kers: vers van de Academie. Eén van onze mensen stopt na een paar weken Tijd en Taak in de bus van de pastorie. In een gesprek blijkt, dat de nieuwe dominee nog nooit van Tijd en Taak had gehoord (o, onze bescheidenheid.... en o, de sociale belangstelling der tegen: woordige theologen.'). Hij wil er wel eens meer van weten, die dominee. Onze vriend van dat dorp schrijft nu: „de predikant heeft mij al een paar maal bedankt, dat ik hem met T. en T. in kennis heb gebracht.”

Zo zijn er stellig méér. Wie volgt het voorbeeld?

Ergens in een provinciestad met een gymnasium. Een der leraren is sinds lang abonné op T. en T. In een gesprek, in de docentenkamer, komt men op onze pers: Haagse Post enzovoort.... Van het ge; sprek is mij niets overgebracht, maar van het resultaat wel: drie nieuwe abonné’s aan dat éne gym: nasium. En als u wist, waar deze school gevestigd is, dan zou u misschien overmoedige fantasieën gaan voeden.

Er zijn stellig méér lieden van voorbereidend Hoger, Middelbaar, Nijverheids, U.L. en L.Onderwijs, voor wie ons blad een steun kan zijn. Wie volgt het voorbeeld van die éne vriend van ons?

Ergens in een havenstad, zwaar door werkloosheid en oorlogstoet stand getroffen. Een werkloze timt merman komt met ons blad in aanraking. Uit onze Sinterklaaspot sturen we hem een jaar lang ons blad toe. Dan vragen we even: stelt u nog prijs op verdere toezending? Antwoord: ik begrijp, dat nu eens een ander aan de beurt moet komen. Maar wij lezen het blad in drie gezinnen, en ik wil u wel zeggen: ik kan er niet meer zonder; al gaat er mij wel eens iets te hoog, uit de geest van uw blad put ik nieuwe kracht. Zo zijn er stellig duizenden, die T. en T. nog niet kennen.

Is de nieuwe regeling, dat men zich per week voor 8 cent kan abonneren, voor velen niet een mogelijkheid?