is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 22, 24-02-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WELKE COD?

Eindelijk „it is a long way” zal misschien menig lezer gedacht hebben, maar die lange weg was in ’t kader van mijn betoog noodzakelijk en ik heb die zoveel mogelijk bekort eindelijk zijn wij dan gekomen tot het antwoord op de vraag: Welke God is het, dien wij aanbidden, in wien wij geloven?

Ik geef op die vraag mijn antwoord, in de overtuiging, dat het ook het antwoord van vele anderen is en in de hoop, dat steeds meer mensen dit antwoord zullen geven. Voor de duidelijkheid begin ik met te zeggen (mij daarbij houdend aan de onderscheiding tussen God en god) in welke god ik niet kan geloven.

Niet in een god, die voorkeur zou hebben voor een bepaald volk of land, zodat dit onder zijn speciale bescherming staat.

Niet in een god, die zich door mensen laat verbidden, en b.v. rijke oogst, zegen of zonneschijn geeft, omdat er in kerken bidstonden voor gehouden zijn.

Niet in een god, die rechtvaardig en barmhartig is op menselijke wijze, zodat hij de goeden beloont en de bozen bestraft vóór wat ze doen en misdoen en ongelukkigen uit stoffelijke noden redt.

Niet in een god, die van eeuwigheid af besloten heeft, dat enkele of vele mensen in de hemel zullen komen en anderen voor eeuwig verdoemd zullen zijn.

Niet in een god als een wezen apart, die na het heelal uit niets te hebben geschapen, het beloop ervan aan zichzelf overlaat, alleen af en toe ingrijpend, ais er iets dreigt mis te lopen.

Niet in een god, die zich om mensenzielen niet bekommert, omdat ’t hem niet kan schelen, hoe de mensen leven.

Niet in een god, voor wiens rechterstoel de mensen eerst na de dood moeten verschijnen en die dus een god van doden, niet van levenden zou zijn.

Niet in een god, met wien wij familiaar kunnen omgaan als met een goede kennis, wiens ~huis en tuin vlak aan het onze grenst”; een god, dien we elke dag in ~stille tijd” even gemakkelijk kunnen raadplegen als we een advokaat of dokter om een consult vragen.

Niet In een god, die de „geheel Andere” is, zodat er een diepe kloof Is tussen hem en ons, die alleen door hem overbrugd kan worden en die zich geopenbaard heeft in een bepaald boek of in een bepaalde historische of suprahistorische persoonlijkheid.

Niet in een god, die geboden geeft, bepaalde handelingen verboden of geboden heeft.

In geen van deze góden, die slechts menselijke voorstellingen zijn, kan ik geloven, ook al zou ik het nog zo gaarne wensen en willen. In enkele van deze godsbeelden heb ik vroeger geloofd en die hebben mij jarenlang dikwijls de weg tot God versperd.

Ik kan nu alleen maar geloven; In God, voor Wien alle volken zijh als een druppel aan een emmer, een vlokje aan een weegschaal. (Jez. 40:15).

In God, Die elke dag opnieuw Zijn zon doet opgaan over bozen en goeden en Die dat blijft doen, ook al zouden millioenen „vromen” dag en nacht Hem bidden om het nu eens anders te doen en op menselijke wijze rechtvaardig te zijn.

In God, Die ’t heelal in stand houdt, buiten Wien het niet om gaat als ergens een zon uiteenspat, een aardbeving tienduizenden levens vernietigt en een musje van het dak valt.

In God, Die ons mensen roept om onze ziel te bewaren, maar ook om onze maatschappij minder gevaarlijk voor zielen te maken en Die ons dwingt, zó te' leven, dat wij Hem niet missen kunnen.

In God, Die op de akker het onkruid naast de tarwe laat opgroeien en in de mensenwereld ook dat, wat wij het boze moeten noemen, een rol laat spelen, n.l. als tegenspeler, door wiens tegenstand Zijn heilig werk niet gekeerd wordt, maar volbracht.

In God, Die zich openbaart op velerlei wijze, in de natuur, in de geschiedenis der mens-

heid, in uitspraken en daden van mensen, in hun lot en in hun innerlijk leven, en Dien toch niemand kent, zoals Hij is, zodat Hij als de Onbekende het zuiverst erkend en vereerd wordt.

In God, Wiens goedheid het al, ook onze begrippen van goedheid te boven gaat. Die niet lief, maar Liefde is. Heilige Liefde, Die ons het ware heil doet kennen, onze Rechter en Vertrooster is in dit aardse leven.

In God, Die wonderlijk is en doet, ons telkens verbijstert vooral waar Hij Zijn getrouwe dienaar laat sterven aan een kruis en de aanbidders van een god laat triomferen.

In God, Die is die Hij is, Dien wij moeten aanvaarden zoals Hij is en Die als wij ons tot Hem keren in berouw en ootmoed, ook ons aanneemt zoals wij zijn, niet achtend op wat wij zijn geweest en wat wij hebben gedaan en misdaan. (Lucas XV).

In God, Wiens rechtvaardigheid hierin bestaat, dat Hij mensen beloont en bestraft dóór wat zij doen en misdoen naar de regel: wat de mens zaait, dat zal hij maaien en Die de zonden der vaderen aan kinderen en kindskinderen bezoekt.

In God, Die ons vèr en nabij kan zijn, maar ons nooit verlaat en voor hen die in Hem geloven, een verschrikking is, terwijl anderen rustig zijn, een toevlucht, waar anderen verschrikt worden.

In die God geloof ik. Of beter gezegd: Aldus geloof ik in God. De vraag: „Welke God?” geldt alleen voor de godsbeelden door mensen geschapen, waaruit de mensen gewoonlijk een keus doen of uit welke voor hen door anderen gekozen wordt. God wordt niet gekozen, maar de mens, die zich in zijn góden en afgoden bedrogen ziet, vlucht tot Hem. En verneemt van Hem slechts twee geboden, die geen geboden zijn maar aanwijzingen tot het ware leven en opgetekend staan in Matth. XXII: 37—40.

Wie aldus in God gelooft, die vraagt niet meer: Waarom doet God aldus of: Waarom laat God dit toe? Hij legt de hand op de mond, hij zwijgt en tracht ook het zwijgen van God, het niet-antwoorden op vragen als een antwoord Gods te verstaan. God is voor hem het antwoord op alle vragen.

Wie aldus in God gelooft, kan achter de twee woorden: God is die mijn oude meester indertijd op het bord schreef, nog iets anders, nog meer schrijven dan: God is onbegrijpelijk (wat Job er achter schreef). Hij kan m menselijke zwakheid, maar in waarheid zeggen:

God is mijn vaste burcht, in Hem is mijn kracht.

God is de rots van mijn vertrouwen, God is mijn licht, mijn heil, wat zou ik vrezen? God is mijn eeuwige troost in leven en in sterven.

Denk ik over God, dan bevredigen mij het het meest begrippen als: Het waardescheppend leven; Het Al in Zijn wil tot stijging; Heilwerkende werkelijkheid.

Als beeld van God ken ik geen beter en hoger, dan wat ons in de Bergrede gegeven wordt: De Vader, die in het verborgene is. P. ELDERING.

Welke God?

Ik behoor niet tot de wijzen en verstandigen; maar er zijn geestelijke schatten, die voor de wijzen en verstandigen zélfs voor predikanten verborgen blijven, maar de kinderkens zó maar worden geopenbaard. Zou dit misschien ook het geval kunnen zijn met het antwoord, dat ds. Eldering in zijn artikelen geeft? Ik licht deze vraag toe door naast zijn antwoord het mijne te plaatsen.

Welke God? Wel, natuurlijk de God van Jezus Christus. Wonderlijk, onbegrijpelijk en treurig, dat een dienaar van een christelijke kerk van alles overhoop haalt, zonder het de moeite waard te vinden zich af te vragen of misschien de stichter van zijn kerk een antwoord heeft. Het kan erg knus zijn te horen, wat ds. Eldering en de Groten, die hij verder opnoemt alleen: is Pascal in zijn gezelschap geen vergissing en

Heine niet een verstekeling? antwoordt, maar die knusheid mag niet doen vergeten, dat zijn antwoord een persoonlijk antwoord is, één van de duizend en één alléénstaande meningen, alle tesaam zonder algemeen belang en gezag. Ds. Eldering en zijn geestverwanten, hoewel onder óns groot, volgens de Rede, is in vergelijking met Jezus Christus toch maar een arme dwerg naast den geest. Hij moge spreken. Déze sprak als een Machthebbende en had en heeft voor millioenen wél algemeen gezag. Als ik nu den God van dezen Machthebber want ook Jezus beantwoordt de vraag welke God vergelijk met den God, die ds. Eldering als ~begrip en beeld” verredelijkte, wetenschappelijk verredelijkte, dan meen ik dat deze vergelijking niet in het voordeel van ds. Eldering is. Integendeel: van zijn alléénstaande mening is gevaar te duchten in de strijd om zekerheid en recht. Men oordele. Ds. Eldering belooft inzicht door logisch redeneren, zuiver begrip, verkregen door inspanning van onze verstandelijke vermogens. Intussen: een bezit dat privaat bezit was, is en blijft van een betrekkeiijk klein aantal bevoorrechten! Jan boezeroen, de meerderheid, kan naar dit bezit fluiten, blijft hiervan levenslang uitgesloten. Hoeveel hoopgevender is dèin het antwoord, dat Jezus gaf en nog geeft! De christen toch, van de hoogste tot de laagste ontwikkeling, juicht om zekerheden, hem zo maar geschonken, om niet, zónder inspanning van verstandelijke vermogens. Zoals het wonder der liefde tussen twee mensenkinderen ervaren wordt zonder zuiver begrip, zonder verstandelijke inspanning, zo wordt de mens, verloren en verlaten, zonder één korreltje zuiver begrip, door den God van Jezus Christus gevonden en zie, zie: zijn inneriijkst bestaan staat opeens in de zalige zon der herkenning, wordt opeens overstroomd door liefdes welbehagen, door het stralende wonder van Gods genade, door de innige verhouding van vader en kind. Hém, hém, de onnutte, de machteloze, de onvruchtbare, die voor zich zelf en voor anderen niet meetelde, wordt, zonder een korreltje zuivere rede, zonder enig behoorlijk godsbeeld, overmeesterd door opstandingskracht, wordt overstroomd met een nieuw leven en zie, om niet, als geschenk, ontvangt deze mens een nieuw bestaan, een eeuwig zalig bestand in God, den God van Jezus Christus. En hier geen privileges voor bevoorrechten, hier geen uitgeslotenen, iedereen telt mee: zowel Jan boezeroen, als geleerde en ongeleerde heren en dames zijn welkom, kunnen meeputten uit deze onuitputbestaan, een eeuwig zalig bestand in God, de Eldering voor weinige bevoorrechten, de God van Jezus Christus is voor allen, allen, wat, wie, hoe ze ook zijn. Zei ik teveel, dat een vergelijking met den verredelijkten God van ds. Eldering voor dezen niet voordelig uitvalt? Mag het antwoord van Jezus een blijde boodschap heten, het antwoord van ds. Eldering is voor de meerderheid onzer een troosteloze, een hopeloze boodschap.

Ik durf dit, om de plaatsruimte, niet breder uitwerken. Ik moge thans nog toelichten wat ik hierboven schreef: dat ik van het antwoord van ds. Eldering gevaar ducht voor de strijd om recht. Is het n.l. niet veelzeggend, dat de wijsgeren en in het algemeen de meeste minnaars van de zuivere rede zich afzijdig houden van het sociale leven en zijn bittere noden? Van het vele, vuile werk, dat in staat en maatschappij zonder hun hulp gedaan moet worden? Kennen wij niet allen dat mensensoort van nieuwe schriftgeleerden, prof. Bolland voorop, die zich hoog verheffen boven de massa, die de zuivere rede niet kent, zoals ze in Jezus’ dagen de wet niet kende? O, zeker, er ontbreekt onder christenen ook veel als het op de toepassing aankomt. Maar ook hier valt een vergelijking in het nadeel van de wijsgeren uit. Alle eeuwen door hielden zij zich, ook de humanisten, afzijdig van het „gemeen” en zijn noden, terwijl volgelingen van den Christus hier roeping en taak zagen en in dienst van gerechtigheid en liefde, toesnelden, door modder en vuil, om den armen, ongelukkigen naaste te helpen, al wat in nood en dood, door eigen en anderer schuld, verloren dreigde te gaan. Het zijn déze krachten en niet verheven afzijdigheid, die ook deze, ónze rampzalige wereld kunnen redden. Wij hebben in deze tijd van schuld en schande eerder werken van gerechtigheid nodig dan bedenksels van zuivere rede. Het eerste is nodig