is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 23, 02-03-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O'lie

Zoals twee grote wilde dieren soms lange tijd om elkaar heendraaien, nu eens hier, dan daar een sprong vooruitwagend, om weer onmiddeiiijk daarna terug te deinzen, aftastend zwakke piekken van den tegenstander, afmattend hem tot een ogenblik van inzinking mocht komen, zo staan thans de grote mogendheden tegenover elkaar. Grommend tot de sprong bereid, maar zonder hem te wagen.

Op het ogenblik raakt het nfiordelijke verkenningsterrein weer even uit het oog verloren. De „Altmark”-affaire bracht hier een climax. Het is mogelijk, dat het verloop van dit incident niet alleen door het verlies van enige Duitse matrozen en door het verloren gaan van de prooi aan Britse gevangenen welk een dankbaar materiaal voor een Hitleriaanse triomftocht! voor Duitsland een échec heeft gebracht. Uit Scandinavische kring vernamen wij', dat na de „Aitmark”-affaire in de noordelijke hoofdsteden een gevoei van opluchting waargenomen kon worden. Hitler had ondervonden, zo zeide men ons, dat de Engelsen een conflict in deze zóne niet vreesden. Voor het bekende chantage-spel van het Derde Rijk was er daarom de aardigheid wel een beetje af.

Het spreekt vanzelf, dat daarmee de zorgen voor de Scandinaviërs niet geweken zijn. Het Russische onweer woedt nog onverminderd voort en er bestaat nog steeds grote onzekerheid over het lot der Finnen, ook al zou het aanbreken van het voorjaarszeizoen een tijdelijke onderbreking der vijandelijkheden kunnen brengen. Maar zelfs al mocht het gevaar voor een directe militaire bedreiging van Russische zijde voorlopig beperkt blijven, dan nog moeten de Scandinaviërs naar alle kanten op hun hoede zijn, om niet in diplomatieke complicaties te worden meegesleurd.

Het optreden van de Britse vloot voor de noordkust van Noorwegen, daar, waar zowel de toegang tot de Finse haven Liinihamari !n het Petsamo-gebied, de Russische IJszee-basis Moermansk als, iets meer naar het zuiden, de Noorse ertshaven Narvik zich bevinden, heeft tot allerlei wilde geruchten aanleiding gegeven. Het is in elk geval naast de Britse actie inzake de „Altmark” en de daarbij aangekondigde représailles tegen Duits misbruik van Noorse territoriale wateren een bewijs van een actiever belangstelling van Britse zijde voor dit noordelijke gebied.

Deze actie o.m. wettigt de Vraag, of op het ogenblik niet langzamerhand het initiatief begint over te gaan van de kant der dictaturen naar de zijde der westerse mogendheden.

Niet elke Britse minister zal het zo openlijk erkennen als de oud-collega Hore Belisha, dat het Derde Rijk misschien wel eens meer baat bij een uitputtingsoorlog op lange termijn zou kunnen vinden dan degenen, die daartoe ogenschijnlijk zo royaal zijn uitgerust. De Britse oud-minister van Oorlog heeft wellicht in zijn rede te Devonport eindelijk onthuld, dat er toch meer achter zijn conflict met de rest der regering stak dan enkel kwesties van persoonlijke aard. Het kon hierbij' wel eens zijn gegaan om de vraag, of de Geallieerden niet gedwongen waren zelf tot een offensief over te gaan, dat zij tot dusver alleen van de andere zijde zich hadden kunnen indenken. En wanneer Hore Belisha, de man van het leger, daarbij aan het kortste eind trok, wil dit nog niet zeggen, dat daarom de ommekeer in de strategische positie zich niet heeft doorgezet. Het is best mogelijk, dat zijn collega van Marine, wien het waarlijk ook niet aan ondernemingszin ontbreekt, slechts op het punt heeft gewonnen, wó,é,r een eventuele actie der Geallieerden zou moeten worden ingezet.

Dat zou betekenen, dat wij niet aan het hoofdfront, in het westen, maar aan de nevenfronten, in alle windrichtingen, met een strategisch offensief der Geallieerden rekening zullen moeten houden.

De olie-oorlog

Tot dusver is de oorlog voornamelijk economisch gevoerd. De acties ter zee en in de

lucht waren uitsluitend voor ondersteuning van blokkade en contra-blokkade bestemd. Op de voorgrond staat daarbij de strijd om de grondstoffen. En van die grondstoffen is in onze tijd één van de allerbelangrijkste, zo niet althans in oorlogstijd zelfs de beslissende, de olie. De olie-oorlog wordt dan ook op volle kracht gevoerd.

De olie heeft een enorme omwenteling in de machtsverhoudingen ter wereld tengevolge gehad. Niet voor niets valt de tijd van de onbetwiste wereldhegemonie van het Britse Rijk samen met de steenkool-periode. De olie, waarvan het Engelse moederland volkomen gespeend was en waarmee ook de rijksdelen betrekkelijk weinig gezegend waren, heeft niet alleen de opkomst van de Verenigde Staten als wereldmacht bevorderd, maar ook de rol van Rusland aanzienlijk aan betekenis doen toenemen. Alleen tegenover Duitsland stonden de Engelsen, die tenslotte overzee gemakkelijker hun aanvoer konden verzekeren en met kapitaal en desnoods met geweld de afzet van bepaalde reservoirs voor zich hebben gereserveerd, altijd nog in het voordeel, ook na de olie-revolutie.

Het is niet onmogelijk, dat men dit overwicht jegens Duitsland aan de zijde der Geallieerden lichtelijk heeft overschat. Dat lag wel enigszins voor de hand. Duitsland toch betrok van zijn olie-import in 1938 ongeveer vijf millioen ton 85 procent van overzee. Die 85 procent konden in de oorlog geheel worden afgesneden, uitgezonderd wellicht een gering percentage, dat Duitsland via de Sowjet-Unie uit Amerika bereikt. Daarentegen zouden de Duitse behoeften aan olie in oorlogstijd enorm moeten stijgen volgens een berekening in de Franse „Europe Nouvelle” van zeven op 13 millioen ton. Het zou dus een klein kunstje moeten zijn, de Duitse oorlogsmachinerie, in zo hoge mate gemotoriseerd, droog te leggen.

Nu stelt het olie-vraagstuk de Duitse oorlogsleiding stellig voor zware problemen. Ook wijzen de berichten omtrent de druk op Roemenië tot verhoging van de leveranties (voor 1940 geschat op 1,8 millioen ton); de werkzaamheid van Duitse Ingenieurs in Galicië, waar de Russen wellicht ook hun aan de Polen ontroofde aandeel in de petroleumvelden, dat in het verleden het meeste opbracht, aan de Duitsers hebben afgestaan; de pogingen om hetzij door aansluiting van de Duits-Russische spoorwegverbindingen, hetzij via de Zwarte Zee-havens (Bulgarije is in dit verband ook genoemd) de aanvoer van Russische olie naar Duitsland te bevorderen, wijzen er op, dat men aan Duitse zijde alles in het werk stelt om de voorziening zoveel mogelijk op te voeren. Maar toch is het de vraag, of er in het Derde Rijk z.u reeds en zelfs in de naaste

toekomst van een nijpend olie-teliort mag worden gesproken.

Er zijn namelijk bij de berekeningen, die in de buitenwereld omtrent Duitsland’s olie-huishouding worden opgemaakt, twee onbekenden, die men slechts op indirecte wijze of zelfs bij gissing bepalen moet: dat is enerzijds het olie-gebruik en anderzijds de eigen olie-productie. In het genoemde Franse weekblad, dat overigens zo objectief mogelijk blijft, schat men de Duitse eigen productie op maximaal 3 a 4 millioen ton. Duitsland zou voorts 2 millioen ton in reserve hebben, uit Rusland 1,2 en uit Roemenië 1,8 millioen aangevoerd krijgen, hetgeen bij een oorlogsgebruik van 13 millioen een tekort van 4 millioen ton zou doen ontstaan .Nu is ons van deskundige zijde verzekerd, dat de synthetische olie-productie, die in Duitsland hoog ontwikkeld is, veel elastischer is, dan men zich in deze Franse publicatie voorstelt. Daarbij maakt men zich ook veel te gauw aan illusies schuldig omtrent de beperkte bruikbaarheid van deze synthetische olie: zo zou volgens het Franse blad deze olie voor de luchtvaart vrijwel onbruikbaar zijn, hetgeen van deskundige zijde beslist wordt tegengesproken.

Belangrijker is echter, dat het oorlogsgebruik van 13 millioen berekend is voor de enorme eisen, welke een daadwerkelijk totaal gevoerde oorlog aan de olie-voorraden zou stellen. Maar zolang die daadwerkelijke oorlog uitblijft, bovendien het binnenlandse verkeer tot een minimum beperkt wordt en ook het olie-verbruik op zee uitermate is ingekrompen en zich tot de duikboot-oorlog beperkt, behoeft er aan Duitse zijde geen krimp te zijn.

De Engelse oud-minister van Oorlog, Hore Belisha heeft daarom niet zo ongelijk, wanneer hij er tegen waarschuwt, de strategie der Geallieerden al te zeer op de uitputting van den tegenstander alleen te baseren, omdat bij het uitblijven van daadwerkelijke strijd het verbruik beperkt blijft en de voorraden eer groter dan kleiner zouden kunnen worden. Het is in het licht van deze situatie, dat men wellicht de komende manoeuvres van diplomatieke en militaire aard het best beoordelen kan.

Als een olie-vlek

Bij die bewegingen op het schaakbord van wereldpolitiek zal stellig het economisch motief nog afdoende domineren. Zee-acties als bij de Noorse noordkust zijn duidelijk economisch geïnspireerd. Het gaat daarbij zowel om de doorvaart van Duitse schepen uit of via Russische havens als om de ertsen-aanvoer uit de Noorse haven Narvik.

Wanneer over Roemenië wordt gesproken, behoeft men ook niet te aarzelen. De Roemeense politiek is evenals de bodem van dat land doordrenkt met olie.

Het hele rumoer rondom Turkije, voornamelijk naar aanleiding van stoornissen in de telefoonverbindingen, hangt nauw samen met de sleutel-positie, welke dit land niet alleen voor de rijke olie-reservoirs der Geallieerden in Voor-Azië, maar ook jegens de Russische olie-voorraden en hun transport inneemt. Rusland’s olie-aanvoer naar Duitsland mag dan al beperkt zijn; wanneer Rusland inderdaad eigenlijk in dienst van Duitse belangen oorlog voert in Noord-Europa, zoals de Britten zich beginnen te realiseren, dan is de olie van de Kaukasus een van de onmisbare elementen voor de Duits- Russische oorlogsmachinerie.

Het is daarom niet uitgesloten ook de aanwezigheid van enige honderdduizenden Franse en Britse troepen (waaronder de Australiërs) in het Nabije Oosten wijst daarop dat de Geallieerden niet geheel en al onschuldig zijn aan de alarmerende geruchten, die aan de boorden van de Zwarte Zee de ronde doen, ook al zijn avonturen van de andere zijde evenmin denkbeeldig. Het zegt ons echter wel iets, wanneer de schrijver van een reeks artikelen over Duitsland’s olievoorziening in „l’Europe Nouvelle” serieus de mogelijkheid opwerpt, dat de Geallieerden Transcaucasië zouden aanvallen, „indien dit initiatief hun voordelig leek.” „Het rhythme van de oorlog hangt niet alleen van Berlijn af”, is het slotwoord van dezen Fransman.

Dreigt de oorlog zich mèt de olie als een vlek uit te breiden? B. W. SCHAPER.

H. M. OLIE

„Akbaba", Turkije