is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 23, 02-03-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Licht over Moscou

I.

In de ..Izwjestija” van 4 Januari kwam het voigende telegram uit Londen voor: „Grote vraag is er in Engeland naar het boek van Pritt, parlementslid voor Labour: „Light on Moscou”. Dit boek verscheen in een oplaag van 50.000 exemplaren en is reeds uitverkocht. Zowel de uitgevers als de boekhandel hebben de vraag naar literatuur over de U.S.S.R. onderschat. In Glasgow bijvoorbeeld, werden de ontvangen 1400 exemplaren in 24 uur verkocht. Op het ogenblik al 100.000 exemplaren.”

Vanwaar deze grote belangstelling voor een boekje dat een paar maanden geleden, in November van het vorige jaar, in Engeland verscheen als speciale Pinguin-uitgave? Zij is zeker allereerst een bewijs van de diepe indruk, die de mislukking van de Engels—Russische onderhandelingen in brede kringen gemaakt heeft.

Het boekje geeft namelijk een uiteenzetting van de buitenlandse politiek van de Sowjet-Unie, in hoofdzaak tegenover Engeland.

De schrijver is geen vreemdeling in Rusland. Hij behoorde o.a. tot een groep deskundigen, die in 1932, onder auspiciën van het New Fabian Research Bureau, een tocht naar Rusland maakte '). Hij is zich sterk bewust van de moeilijkheid, zo niet de onmogelijkheid, dat een vreemdeling een juist oordeel zou kunnen vellen over een wereld, „waar de fundamentele onderstellingen waarvan men uitgaat, gans andere zijn dan die van het westen”. Wat nog zwaarder weegt dit geldt voor zijn land wanneer de regerende klasse, met als bondgenoot een aanzienlijk deel van de pers, gedreven door eigenbelang, valse voorstellingen niet schuwt.

Volgens Pritt zijn de berichten waar het Rusland geldt, in vredestijd even verdraaid en vervalst als in oorlogstijd van overal. Daar zijn, meent hij, goede redenen voor. Want stelde men Rusland voor als een land van merkwaardige vooruitgang, dat met bovenmenselijke inspanning in twintig jaar in bijna aUe takken van menselijke nijverheid wonderen heeft verricht, dan, zo concludeert hij, zouden de Britse arbeiders, wisten zij dit, bij zichzelve zeggen: „Als achterlijke arbeiders van het Tsaristische Rusland, na de oorlog, revolutie en hongersnood, zoveel kunnen bereiken in twintig jaar, dan kunnen wij van het Britse Rijk een aards paradijs maken in de helft van die tijd, zonder oorlog, zonder revolutie, zonder hongersnood. En dat zullen wij!”

Als motto voor zijn geschrift koos hij de volgende passage uit een rede van Stalin van 1934: „Nimmer hebben wij ons naar Duitsland georiënteerd, noch naar Polen en Frankrijk, onze oriëntatie in het verleden en onze oriëntatie in het heden is naar de U.S.S.R. en en naar deze alleen”. ”)

Pritt’s bedoeling is tweeërlei. Ten eerste wenst hij een verklaring te geven van het tot-stand-komen van het Hitler-Stalin-uact en dan doet hij een poging om de buitenlandse politiek der Sowjets in bescherming te nemen.

Uit het voorgaande blijkt wel dat wij hem critisch moeten lezen, al begrijpen wij ten volle zijn veroordeling van de Engelse politiek en van deze niet alleen in de jaren na Versailles.

In zijn inleiding onderscheidt hij in Europa niet twee maar drie ideologische groepen. Daar is dan allereerst de socialistische staat, de Sowjet-Unie; de tweede groep wordt gevormd door de Westerse democratieën, Hitler noemt ze plutc-democratieën, voornamelijk geregeerd door bankkapitaal, maar in meerdere of mindere mate de vormen vertonende van politieke doch niet van economische of sociale democratie; verder twee of drie staten, geregeerd door de ontaarde en beperkte vorm van bankkapitaal, die Fascisme heet. Pritt voorziet de tegenwerping dat socialisten in Rusland geen socialistische staat willen zien. Mijn deskundige voorlichter merkt hierbij op dat de ideologie (of phraseologie?) der Sowjetleiders inderdaad verschilt van die van de Nazi’s of Fascisten, maar de binnenlandse (dictatuur) en de buitenlandse (agressie) zijn identiek. In economisch opzicht zal het nationaal-socialistische Duitsland zich wel makkelijk in sowjet „socialistische” richting kunnen ontwikkelen, vooral in oorlogstijd. En als Pritt beweert dat er geen grond is voor de onderstelling, dat de Sowjet Unie opgehouden heeft anti-fascist te zijn, dat zij integendeel een van de weinige staten is, waarvan men in deze zeker kan zijn, dan zetten wij grote ogen op. Hoe nu? Wat zegt dan het vriendschapsverdrag met Duitsland? Wat betekent dan het stopzetten van de anti-fascistische radio-propaganda? En vanwaar dan dat men na 28 September in de ganse Russische pers, in dagbladen noch tijdschriften ook maar iets aantreft tegen het Fascisme? Pritt’s boekje is geschreven in October, dus lang voor de aanval op Finland. Zou hij anders hebben durven schrijven: „Er is geen reden om te denken dat de bedrijvigheid van de Sowjet-Unie de zaak der democratie zal schaden?”

’s Schrijvers vooringenomenheid met de Sowjets speelt hem nu en dan parten en doet hem vervallen in de fout, waarvoor hij zo ernstig waarschuwt in zijn voorrede. Het is immers onmogelijk een juist oordeel te vellen over de toestanden in een wereld, die van gans andere grondstellingen uitgaat dan de onze? En toch durft hij als bewijs van het antifascisme van de Sowjets aankomen met de mededeling dat in de Unie, waar het lidmaatschap van een vakvereniging niet verplicht is, het aantal leden groter is dan dat van de ganse overige wereld te zamen. „Hoe zou zulk een land niet anti-fascist zijn, terwijl het fascisme alle vakverenigingen vernietigt?” „Zou hij inderdaad niet weten” ik citeer den deskundige „dat iedere Russische hand- en hoofdwerker (behalve de boeren) zo niet volgens de wet dan toch de facto verplicht, gedwongen is lid van zijn vakvereniging te worden, dat hij anders verstoken blijft van alle „sociale voorrechten” die tot de verworvenheden van de revolutie behoren?

Weet Pritt niet dat de Russische vakverenigingen helemaal niet te vergelijken zijn met de Trade Unions in Engeland, dat zij een gehoorzaam instrument zijn in de handen van regeerders en partij, dat er geen sprake mag zijn van stakingen, strijd voor loonsverhoging of tegen overwerk enz?”

Al weten wij bij ervaring ’) hoe voorzichtig wij zijn moeten bij het uitspreken van een oordeel, allermeest waar het een andere wereld geldt dan de onze, dat Pritt in dit geval geheel te goeder trouw zou zijn, is moeilijk aan te nemen; wij zijn er echter van overtuigd, dat hij nimmer, zoals Hitler en de zijnen, de leugen tot een rechtmatig bestrijdingsmiddel van de vijand maken zal. Hij is ten slotte een Engelsman*). Zoals vele en steeds meerdere zijner landgenoten wantrouwt hij de bedoelingen zijner regering en is steeds minder geneigd in haar zuiver democratisch gehalte te geloven. Het verwondert ons dan ook niet, dat hij op de bijeenkomst van afgevaardigden van de

vakverenigingen en van de Labourpartij, die 8 Januari gehouden werd, de aandacht vestigde op de nauwe betrekkingen tussen het Finland van Mannerheim en het kapitalistische Engeland. Als Pritt, wat waarschijnlijk is, in de Russisch-Finse oorlog slechts een conflict ziet rekent hij het de Sowjet niet als een eer toe, dat zij het stelsel van non-agressiepacts heeft uitgevonden? dan kan hij misschien voortgaan met te geloven in de Sowjet Unie als een bolwerk van de vrede. Telkens en telkens weer legt hij hierop de nadruk. Hoe nu ziet deze man de mislukking van de onderhandelingen tussen Groot-Brittannië en Rusland? I

Hierover een volgende week. E. C. KNAPPERT.

‘) In 1933 verscheen, ingeleid door C. R. Attlee en G. D. H. Cole een dozijn studies van deze groep. Pritt’s aandeel bestond in een studie over het Russische rechtssysteem, waarin hij te prijzen vindt. Wat het gevangeniswezen betreft, meent hij dat zijn land heel wat van Rusland leren kan.

In 1936 woonde hij de terechtstelling in Moscou bij: zijn brochure „'The Zinoview Trial” handelt hierover. Hij was voorzitter van de enquête die in 1933 in Londen werd gehouden over de Rijksdagbrand. Hij is advocaat en K.C. (Kings’ Council).

’) De deskimdige historicus, dien wij raadpleegden over het waarheidsgehalte van het boek, schreef 0.a.: „Misschien is het niet overbodig kennis te nemen van de zin die op Pritt’s aanhaling volgde: „En als de belangen der Sowjet-Unie een toenadering eisen tot een of ander land, dat geen belang heeft de vrede te verstoren, dan doen wij deze slag zonder te aarzelen”.”

’) Heb ik mij zelve niet schuldig gemaakt aan het verwijt dat, terwijl de predikanten bij onze Engelse geestverwanten, tijd en krachten geven aan maatschappij-hervormende arbeid, de onze zich afzijdig houden? Ik wist toen niet dat de catechisatie in Engeland onbekend is en de predikant daardoor over veel vrije tijd beschikt.

Onderschrift.

Uit een brief in de Times van 14 Februari en uit particuliere mededelingen van onverdacht betrouwbare zijde, blijkt intussen, dat wii in Pritt een communist hebben te zien, die echter als Labour-afgevaardigde in het Parlement zit. Geen wonder, dat de inzender in de Times van een paradox spreekt.

Prachtig is ook de climax der verleden deelwoorden in de derde regel. En men moet heel de bitterheid naproeven der ironie over deze priesters, die „dronken" waren, omdat aan Jezus de kelk der bitterheid was volgeschonken. Terloops wijzen we op het plechtstatige der omzetting: „In ’s hemels gulden schoot”, om een der fraaiste bewegingen van dit gedicht nog even aan te tonen. Men weet, dat de theorie aan het sonnet een bepaald maaten rijmschema voorschrijft, maar vooral vergt, dat de twee terzinen een tegenbeweging, een val (cadenza) zouden brengen, a.h.w. een antwoord op de twee kwatrijnen.

Men kan waarnemen, dat Vondel zich hier strikt aan houdt, maar het wonder is, hoe de ontzetting over de dreigende straf en de heilige instemming ermee, taaltechnisch haar uitdrukking vond in een enkele zin, uitgespreid over twee strophen, waarvan de eerste de voorzin bevat en de tweede donderend neerkomt in dat geweldige: „Doen zag men baar ....”

Meesterlijk heeft Vondel met dit sonnet zijn treurspel ingeleid, waarvan het thema opklinkt in de eerste woorden, nadat het gordijn is weggeschoven: „De Wrake Gods”

RENÉ

Bart de Ligt herdacht

Hier volgen enige opmerkingen, die opkwamen bij het lezen van het onlangs verschenen gedenkboek*), gewijd aan Bart de Ligt, Het is een boek geworden, waarmee wij, religieus-socialisten, oprecht blij kunnen zijn. Niet omdat hier de nagedachtenis van „een der onzen” wordt geëerd. Hij stond immers zéér ver van ons af. Maar omdat het leven van een groot man, die wij herhaaldelijk op de gebieden van onze belangstelling ontmoetten en die ons, ook al hoonde hij ons, lief was, toegewijd geschilderd wordt.

Het hoofdartikel van Mispelblom Beyer, die de levensgang van De Ligt beschrijft, alleen al maakt het boek tot een schoon bezit. Breed is het, zonder wijdlopigheid, refererend zonder in vlakheid te vervallen, niet-critiserend, zonder slaafs te worden. Wij zien De Ligt: scherp en mild tegelijk, vereerd en eenzaam, en wij horen zijn profetenstem met metalen opruiersklank weer.

Scherp zien wij ook, waarom wij hem bewonderden en hem tóch niet volgden. Wij bewonderden hem om zijn scherpte, die een ding wist uiteen te zetten, totdat er inderdaad iets onvermoeds uit kwam. Wij bewonderden hem óók om zijn moed, om zijn vanzelfsprekende moed. Hoe óverbewust ook, hij was tóch moedig met grote argeloosheid. Zijn leven had een ontbindende kracht: hij verliet meermalen bewegingen, die hij trouw was geweest. Maar hij werd nooit renegaat. Want hij bleef zichzelf trouw.

Maar waarom zeiden wij dan tenslotte tóch neen tot hem? Waarom was er nimmer veel verwantschap tussen onze religieus-socialistische mensen en zijn vrienden? Dit boek leert ’t ons, zonder dat het uitgesproken wordt: hij