is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 27, 30-03-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BUITENLANDSE KRONIEK

Candhi's boodschap

I n dezelfde week het was in het begin dezer * maand —, waarin zich plotseling de onhoudbaarheid van het Finse verzet tegen de Russische overweldiging manifesteerde, bereikte ons een merkwaardig bericht uit India. Gandhi had verklaard, dat hij zich niet in staat gevoelde het sein tot het begin van de campagne voor burgerlijke ongehoorzaamheid te geven, omdat er in de rijen van de Congrespartij te weinig zelftucht en niet genoeg ongewelddadigheid aanwezig was. Onwillekeurig drong de indruk zich aan ons op, dat er overeenkomst tussen deze twee verschijnselen bestond: die ineenstorting van de gewelddadige Finse weerbaarheid en het door Gandhi geconstateerde tekort in ongewelddadige weerbaarheid der Indische volksbeweging.

Laat ons vooropstellen, dat beide symptomen niet uitsluitend in negatieve, pessimistische zin gewaardeerd kunnen worden. Gandhi’s besluit, wat ook de diepere motieven daartoe mogen zijn geweest, getuigt van een enorme zelfbeheersing en een ontzaglijk verantwoordelijkheidsbesef. Van een wijze berusting en een diep vertrouwen in het worden van een nieuwe werkelijkheid, die niet aan dagen of jaren gebonden is. Ook de bereidheid der Finse staatslieden, de gang naar het Moscouse Canossa als het kleinste kwaad te aanvaarden en land en volk een misschien uiteindelijk triomfantelijke, maar stellig verwoestende voortzetting van de oorlog te besparen, is een bewijs van zelftucht en vertrouwen in de toekomst, door de bevolking volkomen gedeeld.

Maar niet te miskennen valt, dat de afloop van de Finse heidenstrijd ontmoedigend heeft gewerkt in andere kleine landen. Niet in die zin, dat thans zonneklaar bewezen zou zijn, dat militair verzet, zelfs op Finse schaal en met Finse bekwaamheid, geen enkele kleine natie iets. kan opleveren. Deze stelling is zeer aanvechtbaar en anti-militairisten mogen voorzichtig zijn, hier al te spoedig tot conclusies te komen. Zonder het Finse militaire verzet, zou de legende van het onbedwingbare Rode Leger niet zulk een geduchte slag zijn toegebracht. Maar wel heeft Finland’s kruis een stemming in de kleine volken versterkt, dat de kleinen er hoe langer hoe ellendiger aan toe geraken en hun lot wel eens in deze oorlog bezegeld zou kunnen worden.

Merkwaardig genoeg vonden wij misschien de scherpste karakteristiek van de huidige positie der kleine Europese naties in een uitlating van Gandhi. Reeds in December van vorig jaar schreef de Mahatma in „Harijan” (wij ontlenen dit aan het Maartnummer van „Bevrijding”) dat ~de onafhankelijkheid der kleine Europese naties bestaat bij de gratie der grote volkeren”. „Ik hecht aan een dergelijke onafhankelijkheid weinig waarde, voegde Gandhi daaraan toe. Zolang de basis der verhoudingen het geweld is, wordt de onafhankelijkheid der kleine naties slechts geduld.”

Wij-zelf als leden van een kleine natie ervaren dagelijks te veel inbreuken op ons vreedzaam en zelfstandig bestaan, dat wij de juistheid van Gandhi’s oordeel niet ten dele zouden erkennen. De hele waarheid is het ook weer niet. Daarvoor beseffen wij te zeer het onderscheid tussen onze eigen positie en, bij voorbeeld, die van de onderworpen Tsjechen. Onze onafhankelijkheid mag uiterst breekbaar en zelfs geschonden zijn, helemaal waardeloos is zij niet. Stellig wordt zij, wat de verhouding tot de totalitaire staten betreft, hoogstens „geduld”. Jegens de democratische mogendheden staat de zaak enigszins anders, hoe dreigende taal juist in verband met de Finse crisis ook van die zijde is vernomen en in hoe sterke mate de eerbiediging der onafhankelijkheid van

landen als het onze ook voor de Geallieerden een kwestie van strategie mag zijn. Voor het ideologische karakter van deze oorlog en de invloed daarvan ook in de hitte van de politieke machtstrijd, mag men niet helemaal blind zijn. De westerse mogendheden zijn naar innerlijke structuur, „materieel”, d.w.z. wat de instellingen betreft, en geestelijk, te nauw verbonden met de democratische beginselen (hoe vaak die ook verloochend mogen worden), dat zij niet genoopt zijn met de consequenties daarvan, o.a. het bestaansrecht der kleine volkeren, tot op zekere hoogte rekening te houden.

Een vraag, die zich echter meer en meer opdringt, zonder dat, althans wat ons betreft, daarop met stelligheid een antwoord kan worden gegeven, is, of deze democratische structuur tenslotte niet onder de druk van de totale oorlog moet bezwijken. Wanneer niets, maar dan ook niets anders dan het geweld over ons lot beslist, krijgt het woord van Napoleon over de voorzienigheid, die met de grote bataljons is, zijn volle betekenis en moeten de kleine volken wel tussen de wielen raken van de grote oorlogsmonsters.

Daarom wint Gandhi’s boodschap voor de kleine volken in het bijzonder aan betekenis, naarmate deze oorlog langer voortduurt en dieper in het leven der mensheid ingrijpt. En daarom mochten wij niet verzuimen, aandacht te schenken aan de ontwikkeling, welke Gandhi’s eigen beweging in India thans doormaakt.

Het Congres bijeen

rv e grote bijeenkomst van de Congres-partij in Ramgarh is thans weer achter de rug. In het algemeen is ons uit de kranten niet bijster duidelijk geworden, wat zich daar in die massale samenkomst heeft afgespeeld. Wij hebben wel veel gelezen over het aantal tenten, over betogingen voor Gandhi en voor zijn tegenstander Bose, die op een boerenwagen, getrokken door twee witte ossen en gevolgd door 5000 aanhangers dwars door het kamp van Gandhi trok, en over de wolkbreuken, waaronder het congres eindigde, maar waar het precies om ging, is ons niet zo uitvoerig gemeld. Gandhi schijnt in elk geval zegevierend uit het congres te voorschijn te zijn gekomen en sommige berichtgevers zien in zijn, zelf geproclameerd, optreden als „generaal van het Congresieger” de aankondiging van een nieuwe faze in de strijd voor India’s bevrijding. Een resolutie is aanvaard, waarin volledige onafhankelijkheid en de bijeenroeping van een constituerende vergadering wordt geëist. Gandhi heeft echter aan de drang van extremistisch georiënteerde groepen, om onmiddellijk tot afkondiging van de burgerlijke ongehoorzaamheid over te gaan, met succes weerstand weten te bieden. Hij heeft over de critiek, vooral door den oppositie-leider Bose, op zijn methodes geoefend, gezegevierd en aan die strijdwijzen, van het „spinnewiel” tot de boven-gewelddadigheid, meer dan ooit zijn trouw betuigd. „Ik zal sterven met het woord ongewelddadigheid op mijn lippen, zeide hij in zijn slotrede, en er bestaat een nauw verband tussen het spinnewiel en de zelfstandigheid.”

Er was iets militants in de reactie van den ouden massa-leider op de spottende en vernederende critiek, die een voornamelijk door intellectuelen gevormde extremistische oppositie op hem had geoefend. In het congres kreeg noch de totalitair aangestoken Subhas Chandra Bose, die zoveel respect blijkt te hebben voor het optreden van Mussolini, noch de communistische georiënteerde fractle-Roy een voet aan de grond. Natuurlijk kunnen deze groepen nog wel moeilijkheden bezorgen. Bose’s eigen paralel-congres heeft tegen 6 AprU een eigen ongehoorzaamheids-campagne aangekondigd en plaatselijk heeft deze extremistische groep wel reeds eerder met succes geopereerd. Voor de millioenen-massa’s is Gandhi meer dan ooit de leider gebleven. Dat Gandhi’s leiderschap onaangetast geble-

ven is, ook b.v. de radicale socialisten hem hebben gesteund, is voor een belangrijk deel te wijten aan het radicale standpunt, dat hij, tezamen met de Congres-leiding, heeft ingenomen. De resolutie, door het werk-comité reeds een maand geleden opgesteld en op voorstel van Nehroe ongewijzigd in het congres aanvaard , eist volledige onafhankelijkheid voor India en verklaart, dat de vrijheid van India niet kan bestaan binnen het kader van het Britse imperalisme. Van een compromis in de vorm van een Dominion-status, verste concessie waartoe de Engelsen zich tot dusver ooit, en dan in een verre toekomst, bereid hebben verklaard, is dus geen sprake. De enige matiging, welke Gandhi heeft doorgezet, betreft de afkondiging van de burgerlijke ongehoorzaamheid om het gestelde doel te bereiken. Maar Gandhi heeft duidelijk doen uitkomen, dat hij tot de ontketening van de strijd zal besluiten, zodra het ogenblik daarvoor geschikt zou zijn. „Mijn geest houdt zich 24 uur per dag met deze zaak bezig.”

Met het volle prestige van het leiderschap der Indische millioenen-massa zal Gandhi thans waarschijnlijk tot onderhandeling overgaan. Met den Britsen onder-koning —• desnoods vijftig keer, heeft hij gezegd, wellicht nog eerder met de andere georganiseerde volksgroepen, zoals de Mohammedanen. De Liga der laatsten, die vorige week eveneens in congres bijeen was, heeft Gandhi als vertegenwoordiger der Hindoes tot een conferentie uitgenodigd. Gandhi zelf is altijd bereid geweest, met deze Liga, hoewel die zeker niet alle Mohammedanen in Indië vertegenwoordigt, te onderhandelen.

Veelbelovend zijn de vooruitzichten niet. Het Indische nationalisme verlangt geen gunsten van de Britse voogdij, maar het eist het recht op, zelfstandig over zijn eigen lot te beschikken, met inbegrip van de vraag, of India bijzondere banden zal blijven onderhouden met Engeland. India, voorzover door het Congres vertegenwoordigd, wantrouwt Londen, dat zonder de 350 millioen Indiërs te raadplegen, hen eenvoudig in de oorlog heeft meegesleurd; dat nog altijd voortgaat de verdeel- en heerstactiek toe te passen en dat de Brits-Indische vorsten, 460 in totaal, die over 80 millioen mensen een despotisch bestuur uitoefenen, de hand boven het hoofd houdt.

Anderzijds is het de vraag, of het Congres, Gandhi incluis, in alle opzichten de moeilijkheden voorziet, waarop een aan eigen lot overgelaten India zou stuiten. De godsdienstige tegenstellingen zijn niet enkel een Britse „uitvinding”. Bij de huidige provinciale autonomie, waaraan de Congres-partij inmiddels haar medewerking weer heeft ontzegd, zijn reeds diepgaande moeilijkheden tussen deze partij en andere groepen gebleken. Gandhi acht naar alle waarschijnlijkheid zijn eigen beweging nog niet rijp voor een onafhankelijkheid, die zich met ongewelddadige middelen „tegen de hele wereld” zou kunnen handhaven. Bernard Shaw heeft de Indische nationalisten er eens, door een vergelijking met de semi-dictatoriale toestanden in het zelfstandige lerland, op gewezen, hoe de orde in het Britse wereldrijk ook zijn voordelen had, vooral wat de individuele vrijheid betreft. Dit verfoeide Britse Rijk heeft dan toch maar het morele en geestelijke klimaat ontwikkeld, waarbinnen een beweging als die van Gandhi zich heeft kunnen ontplooien: men moet nog maar afwachten, of een dergelijke boven-gewelddadige campagne binnen het Derde Rijk, b.v. voor de Tsjechen ooit mogelijk zal zijn!

Ongetwijfeld zal de oorlog ook de soepelheid van de Britse overheersers tegenover het vrijheidsstreven der Indiërs niet gunstig beïnvloeden, al zou een wijze ontvoogdings-politiek stellig de wereld-positie van Engeland ten goede komen. Anderzijds —■ de extremistische stromingen in India vormen een aanwijzing blijft de barbarisering der overige wereld ook niet zonder uitwerking op de bevrijdingsstrijd der opkomende volken.

Maar juist omdat het vraagstuk van het geweld steeds meer een wereld-historische betekenis krijgt, richten aller ogen zich op den man, die zo zuiver mogelijk poogt zijn zending te volbrengen en een volk van honderden millioenen tot een staat van vrijheid op te voeren, welke van binnen uit en van buiten af even onaantastbaar is. B. W. SCHAPER.