is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 27, 30-03-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

•, |lllllir,hr[|iii?m II I lil tl I^l

Toekomstgeloof

de wereldakker wordt door storm en regenvlagen gegeseld en is soms lange tijd kaal, vaal en steenhard; de schoot, waaruit het nieuwe, rijke leven te voorschijn komt, is dan gesloten. Zo is het in deze tijd. Het licht der idealen wordt gedoofd en het is nacht om ons heen. De gedachte aan de toekomst benauwt ons. De wereld lijkt op een getorpedeerd schip, dat snel wegzinkt. De voorspellingen van de komende wereldondergang krijgen thans een bijzondere, dreigende betekenis. In welke wereld zullen onze kinderen na ons moeten leven? Er is een materiële maar ook geestelijke en zedelijke afbraak, waardoor alles een ruïne dreigt te worden. Schepen zijn weer te bouwen en fabrieken op te richten, maar de menselijke ziel is als een teer, fijn uurwerk moeilijk te herstellen. Bij hoe velen is het geloof in godsdienstige en zedelijke waarheden en waarden thans reeds zeer geschokt en verzwakt. De stoffelijke verarming valt meer in het oog; maar de innerlijke verarming gaat ook voort.

Maar als zaden en wortels in de hard bevroren grond, die als een zerk alleen van de dood getuigt, leeft en wacht toch in het mensenhart de hoop, dat de gang der mensheid eens bergopwaarts zal gaan en dat het licht onzer idealen als de nachtelijke schemering in de gloed en glorie van de nieuwe morgen en dag zal overgaan. Ons toekomstgeloof is als een zeilschip in de storm, dat telkens zwaar overhelt en dreigt te zullen vergaan, maar zich telkens toch weer opricht en, zij het gehavend en in zijn vaart sterk vertraagd, toch voortgaat naar zijn doel en dat bereiken zal ook.

We lazen twee Paasbeschouwingen in zeer verschillende bladen: Het Volk en de N.R.Crt. In beide wordt de onuitroeibaarheid van het toekomstgeloof in verband gebracht met de toenemende aandacht en bewondering voor de schepping vani Bach, de Mattheüs-Passion.

De N.R.Crt. wijst op de tegenstelling tussen de Paasboodschap van levenshernieuwing en een wereld, wier opperste doel levensvernietiging schijnt te zijn. De Paasklokken voorspellen den nieuwen mens van gerechtigheid en liefde, terwijl de aarde steeds dieper in barbaarsheid wegzinkt.

Is dan het Christendom waardeloos geworden? De belangstelling voor het werk van Bach, „dit verklankte Christendom” neemt toe. Velen, die vreemd staan tegenover de oude, christelijke voorstellingen en symbolen, willen toch door deze klanken zielsontroering en zielsverheffing ondergaan en een ogenblik een ander mens worden. De muziek van Bach reikt tot in de diepten van ons gemoed en waar wij zo de Eeuwigheid raken, worden de ontroering over het leven, het verlangen daarnaar en de hoop en het vertrouwen op vernieuwing daarvan geboren. Diep in het hart der volken leeft nog iets anders dan haat en zinloosheid: een onuitroeibare Paasherinnering, hoe groot en schoon het leven kan zijn en, alle gebrokenheid ten spijt, ook waarlijk is.

Dat is de krantenpreek en een goede ook, die de N.R.Crt ons voor Pasen gaf. Luisteren wij nu naar Het Volk. A. B. K. geeft daarin in klare en fraaie stijl wekelijkse overdenkingen. Ook hij wijst op de nieuwe belangstelling voor het oude meesterwerk van Bach; de mensen vinden in die oude schepping weer, wat alle schepselen van alle tijden met elkaar gemeen hebben. De belangstelling van deze tijd verklaart hij uit het verlangen van velen naar iets, waaraan zij zich vast kunnen houden. Er zijn gelukkigen, die in hun onwankelbaar vertrouwen op hoger bijstand altijd een houvast vinden. Er zijn er, die dit in het geheel niet

kennen. Er zijn anderen, die het niet pakken of vasthouden kunnen.

„In dezulken ontwaakt in cïeze bange dagen een hunkering naar althans iets hogers, dat zich van de grauwe nevelen onzer zware tijden losmaakt. Dit is wel erg vaag gezegd. Een ieder weet toch wel heel precies, wat hier bedoeld wordt.”

In de onbestemde hunkering en de vage stemming daarbij kunnen zich wel meer leven en waarheid openbaren dan in dogmatische belijdenis en stipte betrachting van kerkelijke gebruiken. Tegeniover het grote lijden van het kruis ziet men het onbelangrijke en nietige van eigen kommer. Maar merkt A. B. K. fijn op: Men hoort het verhaal van het kruis in de schone taal der muziek met het besef, dat hier mee het laatste woord niet gesproken is. De grootste aantrekkingskracht wordt geoefend door dat deel der historie, dat wij niet meer te horen krijgen.

„Wij weten, dat de toekomst der wereld ook niet besloten ligt in het graf met de zware steen erop, dat er een bevrijding volgen zal en dat die bevrijding verheffing zal zijn.”

Hebben we hier dus de werking van het: nood leert bidden? Is hier het geloof als een reddingsgordel, waaraan men alleen denkt en waarnaar men alleen grijpt, als het gevaar dringt en dreigt? Terecht merkt A.B.K. op:

„Het geloof, dat uit angst en wanhoop geboren wordt, is misschien het beste niet. Maar laat ieder maar op zichzelf passen en het oordeel daarover niet als zijn taak beschouwen. Dat ieder van ons een lichtstraal van bevrijding en opstanding moge opvangen, die hem moed geeft om verder te gaan.” Deze gedachten kwamen bij mij boven, toen ik in de late avond voor Pasen gedaver van vliegtuigen en gedreun van het afweergeschut hoorde als tekenen van een dolle, boze wereld. Dat waren stemmen van omhoog. Maar uit hoger sfeer dan van het oorlogsgeweld kwam daarna de Paasboodschap, die de nederlaag van de krachten van vernietiging en verderf aankondigde.

We leven niet in een hopeloze wereld, omdat de hoop nog leeft en weer opleeft in vele harten, die in hun edelste verlangens en idealen een goddelijke belofte voor de toekomst blijven zien.

De vier zuilen

Daarmee duidt men de vier hoofdgroepen van ons volk aan; het is het prot.-christelijke, het r.kath., het sociaal-dem. en het ... vierde deel. Een volk is echter zo rijk aan verscheidenheid, in het bijzonder het onze met zijn vele politieke en religieuze splitsingen, dat zulke verdeling in menig opzicht onjuist en onvoldoende is. Waarbij moet men de communisten, de nat. socialisten, de rel. socialisten rekenen? Men kan allen, die niet tot de eerste drie belangrijke groepen behoren, toch niet als een rest tot het vierde deel rekenen? Er is immers weinig of geen samenhang, geen enkele tekenende overeenkomst tussen de bestanddelen, die zo tot een vierde deel worden samengevoegd. Die vierde groep of zuil wordt wel het neutrale deel genoemd. Maar ook die naam is verkeerd. Er is wel een vrij talrijke groep in ons volk, die niet zwart en niet rood is, maar negatieve kenmerken brengen ons niet verder. Men spreekt ook wel van de vrijzinnigen. In politieke zin behoorde daartoe eens de linkerzijde der Kamers, maar <ïan was het steeds kwestieus, of de soc. dem. er al of niet toegerekend moesten worden. Het woord wordt ook nog wel in ruime zin genomen; dan zijn allen, die zich aan geen kerkelijke dogma’s gebonden voelen.

vrijzinnig. De vrijdenker en de vrijz. christen, de conservatieve liberaal en de radikaal of vrijz. demokraat, de socialist en de wachter der kapitalistische orde, allen vrijzinnig; het is als een volière vol vogels, die elkaar niet verdragen en niet bij elkaar behoren. Men kan zeker van drie zuilen spreken, drie grote groepen in ons volksleven onderscheiden, al zijn er ook bij die groepen belangrijke verschillen. Maar de rest is een hutspot.

Toch rust ook de radio-omroep in ons land op de onderstelling, dat er vier zuilen zijn, waarop ons volk rust. Maar de kleinere groepen krijgen ook enige gelegenheid, zich nu en dan te doen horen; alleen aan de Vrijdenkers is thans deze gelegenheid ontnomen. We hebben de K.R.0., de N.C.R.V., die de orthodoxe christenen vertegenwoordigt, terwijl het vrijz. Christendom spreekt door de V.P.R.0.; er zijn verder de V.A.R.A. en op de vierde zuil rust de A.V.R.O. Het karakter van deze laatste omroep is heel moeilijk vast te stellen. Hij wil algemeen zijn; een nationale omroep dus, maar is dat allerminst. Men zou hem de omroep der bourgeoisie kunnen noemen. Wij willen niet uitmaken, welk omroepblad het beste is en door welke programma’s het publiek het best gediend wordt en welke vereniging de mooiste kalenders en cadeaux geeft; de concurrentie doet aan de toch al niet grote bescheidenheid der reclame bij de radio-omroep vaak niet weinig afbreuk. Bij de andere omroepverenigingen uit zich duidelijk het karakter; men behoeft naar de geest ervan niet te raden. Is de A.V.R.O. neutraal met een afkeer van zwart en rood? Maar de morgenwijding dan? Van enige socialistische sympathie zal niemand deze omroep verdenken. Waarschijnlijk kan meh de meeste leden tot de liberalen rekenen en dan liberaal in de ruime zin; men kan ook van vrijzinnigen spreken, die van rood, Rooms en fijn niets moeten hebben en over het algemeen tot de welgestelde en nette bourgeoisie behoren. Goed omlijnde beginselen verenigen echter de leden van de A.V.R.O. niet. De vereniging wil algemeen zijn, dus ook niet de vierde zuil vormen.

Wil men hier van zuil spreken, dan moet men niet denken aan een zuil van natuursteen, maar aan een waarvan de verschillende bestanddelen niet tot een stevige massa zijn saam te voegen.

Dansende weldoeners

De hulpvaardigheid tegenover de Finnen mag niet ophouden, nu hun strijd geëindigd is. Er is zelfs reden tot groter hulpvaardigheid; de .strijd is wel geëindigd, maar de nood groeit in plaats van minder te worden. De Finse consul in Den Haag, de heer Van der Vlugt, wijst naar de ontzettende verwoestingen, de stukgeschoten steden en dorpen, de streken, waar de bewoners alle goed verloren hebben, woning, vee en huisraad. Duizenden, die thans terugkeren, zullen alles vernietigd vinden. Daarom dringt hij aan met milde hand te geven.

In deze korte oorlog hebben de Finnen 10.000 doden gekregen; er zijn 80.000 gewonden en 500.000 daklozen, zo lazen we in een opwekking, om gul en gauw te geven, van een Fins steuncomité.

Maar we lazen ook van een Gala-avond in Den Haag ten bate van Finland. Het feest werd gegeven in het hotel de Witte Brug, het centrum van Haagse feestelijkheid. Er werden Finse liederen gezongen en Finse muziek gespeeld. Maar ook ontbraken de „moderne liedjes” niet en ook liet een danseres zich bewonderen. Op de „voorstelling” volgde een bal. Ook werden kunstvoorwerpen verloot en een stuk op zijn Amerikaans per opbod verkocht. De kelder van het hotel was als cantine ingericht; daar kon men Italiaanse wijnen krijgen.

„Het feest kenmerkte zich door een geanimeerde stemming.”

Tegenover het grote lijden van de Finnen getuigt deze feestelijkheid niet van bijzonder fijn gevoel, al waren er zeker vele fijne mensen in fijne kleren op de Gala-avond gekomen. De barmhartigen worden in het Evangelie zalig gesproken, maar Christus bedoelde een andere vreugde dan deze.

Meelijden is een deel van het leed van anderen dragen met medegevoel. Daarbij behoort geen pretmakerij, als is deze nog zo chic.

J. A. BRUINS.