is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 27, 30-03-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O, DIE VREEMDE WOORDEN!

~Lezen is moeilijk” zei het Hoofd van mijn School voor Voorbereidend Hoger Onderwijs, de man die men gewoonlijk kortweg, maar helaas met vreemde woorden: Rector van het Gymnasium noemt. Wij meesmuilden dan en gunden hem zijn stokpaarden en bedachten, dat lezen het eerste was, wat je leerde dus het gemakkelijkste moest zijn. Aap, noot, mies, wim, zus, jet...

Maar als men mét de lasten van een aansnellende ouderdom ook de lusten van meerdere wijsheid krijgt, dan blijkt, dat lezen inderdaad moeilijk is. Het is moeilijk en vermoeiend, en daarom zijn er maar weinigen, die goed lezen kunnen. Steller dezes heeft er nog steeds moeite mee.

Hoe komt dat? Hierdoor: het geschreven woord is een zeer gebrekkig middel om de gedachten aan elkander door te geven. Noch stembuiging, noch gebaar hebben een rol. Evenmin verklaart een woord zichzelf. Indien men niets van den schrijver afweet, en dus de achtergrond 2djner gedachten niet kent, wordt woorden zinloze lettergrepen, öf zij krijgen een inhoud voor de lezer, die de schrijver niet bedoeld heeft. Zo kon het zich voordoen, dat een vrome vrouw haar predikant over de toestand van haar man, inlichtte. Deze werd in een zenuwinrichting verpleegd, na een strafbaar feit te hebben begaan. De vrouw zei: „Dominé, het is met mijn man als met Simson. Hij is malende in het gevangenhuis.” (Richt. 16 VS 21). Kort en goed: lezen vereist kennis van zaken.

inzicht in de gedachtenwereld van den schrijver, voorstellingsvermogen om het niet-voorde-hand-liggende toch te begrijpen, en bovendien toegewijde aandacht, waardoor de spoedig optredende vermoeidheidsverschijnselen worden overwonnen. Omdat één van deze vereisten al gauw ontbreekt, is lezen een bezigheid, waarmee slechts weinigen zich bezighouden.

LENTE OM EN IN HET KIND

Nu doet zich dit verschijnsel voor: men schaamt zich anderzijds voor zijn geestelijk onvermogen. Want de tijd, die achter ons ligt, met zijn leeszalen, met zijn ijverige uitgevers, heeft duidelijk gemaakt, dat lezen bij de mens van heden behoort. Daarom leest hij ook; kranten, premieboeken, en vooral plaatjes. Maar de klachten van de lezers zijn vele. Juist, omdat er zoveel letters verslonden worden, wil men ook maar alles verslinden. Daarom wordt „taaie kost” terzijde gelegd. Daarom stort zich een golf van wrevel uit over het hoofd van iemand, die vreemde woorden gebruikt. Alle innerlijk verzet, dat zéér velen tegen lezen, tegen het moeizaam lezen onbewust hebben overgehouden, komt aan het licht, als ergens vreemde woorden opduiken.

Het vreemde* woord! De lezer zal begrijpen, dat ik hier spreek tot velen, die „Tijd en Taak” wel een mooi blad vinden, maar, o, die vreemde woorden! Kan het niet wat gewoner? Waarom zoveei vreemde woorden, die zo pronkerig staan te ergeren? Op die manier maakt men het blad toch niet aantrekkelijk!

„Beklaaigde, wat is hierop uw antwoord?” vraag ik mijzelf. En hier komt het antwoord. In rond-Hollandse woorden.

Gij, klagers, gij hebt ongelijk. Tenminste in beginsel. Er zal hier en daar wel eens een woord uit een vreemde taal staan, maar dat doet niet ter zake. In de meeste gevallen is het vreemde woord, als elk ander woord, onvervangbaar. Om dat te bewijzen, ga ik tot de aanval over en vraag: wanneer is een woord eigenlijk vreemd? Als het aan een andere taal ontleend is? Of als het bij U onbekend is? Waar ligt uw maatstaf?

Nu beperk ik mij tot het vreemde woord. Zie ik goed, dan kunnen de z.g. vreemde woorden in drie soorten verdeeld worden.

le. Die een maatschappelijk aanzien geven. Dat zijn de woorden, die onze stand aanduiden. Elke stand heeft, zoals bekend, zijn eigen taal. Taalgebruik schept afstand. Bijvoorbeeld: vroeger was het gewoonte, om als je heel deftig was, Frans te spreken. Dan verstonden de „meiden” je niet. Maar de „meiden” op hun beurt namen Franse woorden, die ze wèl begrepen, over, voegden die in de spreektaal van het „gewone volk”, en toen raakte de aardigheid van het Frans af. De diepe minachting voor kinderen, die hun vader met ~pappa” (klemtoon op de eerste lettergreep!) aanspraken, ons in ons zelfbewust burgergezin bijgebracht, bewaar ik als een waardevolle herinnering aan een stuk standenstrijd. „Spreek je moeders taal” was de leuze, waarmee ons de afstand tot „de deftigheid”, èn tot de ordinairigheid van de na-aperij werd bij gebracht.

Zeer veel verzet tegen vreemde woorden in de socialistische beweging is te verklaren uit een dergelijk gezond volkse af keer van alles, wat zich aanstelt, afzondert, boven zijn stand wil leven. Tegen dit woordgebruik bestaat inderdaad een groot bezwaar, maar het is niet vanwege de moeilijkheid dier woorden.

2e. Die een vakterm zijn. Elk beroep heeft zijn kringtaal. Voor gebruiksvoorwerpen en voor handelingen, maar ook voor gedachteninhouden, die in een bepaalde wetenschap als gangbare munt worden gebruikt. Nu zullen deze woorden, meestal aan de taal ontleend, waarin de voornaamste werkers in dit wetenschapsgebied schreven, gemeen goed worden. Wie zich met welk vraagstuk ook bezig houdt, zal als leek (want wetenschap raakt altijd het leven) onherroepelijk deze woorden tegenkomen, ja zelfs moeten gebruiken. En in verreweg de meeste gevallen zijn ze niet te vertalen, zonder het eigenaardige van dat woord, met zijn bijzondere kleur en geur te verwaarlozen. Het zou de moeite lonen, een rij woorden op te sommen, die in wezen onvertaalbaar zijn. De „gewone” lezer nu zal, als het hem heus om lezen te doen is, deze woorden willen kennen. Ze staan daar in zekere zin ook, om hem te waarschuwen. Het zijn de onveüige seinen in een betoog, waar hij even stoppen moet. En dat stoppen is de moeite waard. Worden de woorden vertaald, dan volgt een ontsporing verderop. Zoals wij bij de lessen van onzen zéér vereerden Prof. H. T. de Graaf vaak ontspoorden, mede, omdat hij zo weinig vreemde woorden gebruikte. Dan dacht je dat je het begreep, maar zijn Hollands was moeilijker dan de geleerden-taal van enig anderen hoogleraar.

3e. Die de rol spelen van geheim-woord. De oorsprong daarvan is eveneens te vinden in de taal als kring-taal, zoals ook de taal van de stand en van de geleerden kring-taal is. In deze zin krijgt het vreemde woord een belangwekkende rol. N.l. die van het herkenningsteken. Juist omdat het vreemd is, omdat het door iets geheimzinnigs omzweefd wordt, is voor elke kring het vreemde woord nodig. Hoor den ouderwetsen socialistischen redenaar spreken over de ~bourgeoisie”! Juist het ondoorzichtige is het aantrekkelijke. Welk een af keer gromt er in het woord „Bonze”! Wilt U dat soms vertalen door „partij-bezoldigde”! ? Abraham Kuyper, de machtige, wist er weg wee. Hij sprak van „gemene gratie’, van ~antithese”, van ~consciëntie”, van „souvereiniteit in eigen kring”. Juist omdat het vreemde woorden zijn, die zijn hoorders over het algemeen niet in hun afleiding doorzagen, maar die daardoor juist als onderling herkenningsteken dienst konden doen, kregen ze zulk een ongemene kracht. Het behoort tot de bekoorlijkheden van de taal, dat zij zulke vrijheden en zulke gevoeligheden kent.

Nog in een andere zin is het vreemde woord Vervolg op biz. 8