is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 30, 20-04-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onze schat

Lk. 15 ; I—7. Al de tollenaars en zondaars kwamen tot hem, om hem te horen, en de Farlzeërs en schriftgeleerden zelden morrend; Die man ontvangt zondaren en eet met hen. Toen zelde hij tot hen de volgende gelijkenis: Wie van u zal, als hij honderd schapen heeft en één daarvan verliest, niet de negen en negentig In de woestijn achterlaten en dat verlorene gaan zoeken totdat hij het heeft gevonden? En vindt hij het, dan legt hij het verheugd op zijn schouders, roept thuis gekomen zijn vrienden en buren bijeen en zegt: Weest blijde met mij, want lk heb mijn verloren schaap gevonden! Ik zeg u; Zo zal In de hemel meer blijdschap zijn over één zondaar die zich bekeert dan over negen en negentig rechtschapenen, die geen bekering behoeven.

Kijkt u niet allereerst naar de Christusgestalte, maar naar de kudde links (al verliest ook deze veel door de verkleining en het krantenpapier). Wat hebben ze ’t goed. Dat zijn wel waarlijk de grazige weiden. En met hoeveel zorg en aandacht zijn ze daar neergezet. Zien we rechts, dan is daar ook het koele stille water, en zowaar de schaapskooi. Nu is ons ook de grote figuur al minder zonderling geworden.

Nee, dit is geen kunstbeschouwing, maar het is godsdienstig gezien niet onbelangrijk hoe door de tijden heen zo’n bijbelpericoop verwerkt is. Wat blijft, wat gaat voorbij? Volkomen vreemd is ons dunkt me bij dezen 16en eeuwsen Vlaming, dat hij alles tegelijk *wii laten zien. Hij illustreert op één plaat de

23ste Psalm, de gelijkenis uit het Lukasevangelie en eigenlijk ook nog Johannes 10, want Jezus zelf is hier de goede herder, en in de verte zien wij „de deur der schapen”. Zelfs de vreugde die in de hemel is over het gevonden schaap moet zichtbaar worden.

Dan is Ten Kate, op het voetspoor van de oude Psalm, meer nabij, omdat één gedachte de grondtoon van zijn vers is, een gedachte die ons bijblijft en die ook de zingende gemeente werkelijk beseft (dat is met elk kerklied niet het geval!) de alles omvattende veiligheid in God.

Martin de Vos Het verloren schaap

Merkwaardig is de wisselwerking tussen beeldspraak en werkelijkheid. De bijbel spreekt telkens met kennis van zaken over de schapen; zij worden verzorgd, gehoed, zij zijn stom voor den scheerder, zij verdwalen en worden teruggevonden. Omgekeerd kijken *wij de schapen daarop aan. Nu de lammeren weer in de wei omspringen, op een drafje naar elke voorbijganger kómen kijken om weer net zo plotseling om te keren, naar moeder toe; van de winter toen de vuile schapen in de witte sneeuw z*wierven, dwars over de toegedekte sloten en wegen heen, altijd blijven zij ons de dieren waaraan een geloofswaarheid gedemonstreerd werd. Misschien is het de kleinste helft van ons, die nog wel eens een herder met zijn kudde heeft gezien, maar het eigenlijke in hun samenzijn kennen wij uit de beeldspraak van de bijbel!

De bijbelstukken en de schilder die iets te knap was misschien (wat heeft hij' op die anatomie gezwoegd) en de dichter, wiens verzen wei eens wat al te vlot liepen, ze getuigen tenslotte allen van die grote veiligheid. Het woord veiligheid is actueel. Kapitalen zijn er uitgegeven voor de veiligheid der verschillende volkeren en de wereld wordt steeds onveiliger. Het is ’n dreigende, dure veiligheid

op korte termijn. Want er is nog nooit een muur gebouwd, of iemand kon er wel over klimmen. Er is nooit een slot bedacht, of een inbreker was nog slimmer dan de uitvinder. De veiligheid, die een wedloop met het gevaar aangaat, moet het afleggen.

Er is ook een veiligheid die het gevaar in beginsel onschadelijk maakt. Het eerst heb ik er iets van begrepen door Dickens. Onze ouders vonden Dickens beter dan boeken van het type van Pietje Bel. Terecht, maar het kostte toch tranen. In de machteloze woede en ellende om een ouden zieken man, die zeker tot zijn dood om schuld in gijzeling zou blijven, daagde het besef, dat die dood toch hetzelfde zou zijn, in de gevangenis, als in een eigen huis. Die dood, die vast en zeker kwam, hier zowel als daar, werd het veilige doel dat in principe de gevangenismuren afbrak.

Dat was nogal negatief. Jaren later heb ik weer uit een boek geleerd, dat ook het leven een mens zo boven de meest benauwende omstandighedien uit kan tillen. Het waren gevangenisbrieven van Rosa Luxemburg. Daar was een vrouw die het leven liefhad, en zij werd opgesloten. Maar in die afsluiting van de gevangenis geniet zij zo intens van het kleine stukje leven voor haar raam en in haar kamer, dat de vriendin daarbuiten in de vrijheid, in de zonneschijn door hÉ,èr gesterkt wordt. Ook het leven, in zijn schone regelmaat kan mensen de veiligheid schenken ondanks alle raadselen.

Wanneer in „een ding van schoonheid” inderdaad „een vreugde voor altijd” ligt, dan is ook daarin de ban van angst en leed gebroken.

Mevrouw Holst heeft getuigd van het eiland van rust in alle stilte, van de veilige stilte in alle stormen, daar waar twee mensen samen het leven dragen.

Nu is het echter niet alleen theologisch geredeneer, maar levende ervaring voor elk van ons op zijn tijd, dat leven en dood, en liefde en • schoonheid en waarheid met elkaar te maken hebben. Dat wij dit alles niet gebruiken mogen voor een gevoel van veiligheid, maar dat dit grote öns opeist en ons niet met rust laat als wij ontrouw zijn. Misschien leren wij' de vreugde kennen van de terugkeer en van het gevonden worden. Misschien leren wij verstaan dat in de dienst aan leven en dood, aan de waarheid en al het andere, één kracht ons draagt, waarvoor wij geen beter woord kennen dan: Gods liefde. Al is dat woord menselijk en bezoedeld.

UIA Met deze gedachten, met dit geloof, bever nog; met deze levenshouding, keren wij geen tanks of kruisers. Misschien worden ze er echer ondoelmatig door*, waar uw schat is, daar zal uw hart zijn. En het hart wil men toch raken? Moge het onkwetsbaar zijn. Als onze schat niet in petroleum of ijzererts, maar in het ontastbare bestond, zou het aspect van de wereldgebeurtenissen anders zijn. Moeilijkst van al is het wellicht om niet slechts eigen leven en hebben en houden bij een hoger goed achter te stellen, maar om dat ook voor anderen te laten gelden.

„De Heer is mijn herder; Hem blijf ik gewijd”. Veiligheid en gehoorzaamheid horen bijeen. En gehoorzaamheid is uiterste trouw in de dingen van dit leven, in het besef, dat toch het heil uit een diepere bron vloeit. F. KALMA—KOOPS.

De Heer is mijn herder! ’k Heb al wat mij lust: Hij zal mij geleiden Naar grazige weiden; Hij voert mij al zachtkens Aan waatren der rust.

De Heer is mijn herder! Hij waakt voor mijn ziel: Hij brengt mij op wegen Van goedheid en zegen. Hij schraagt m’ als ik wankel; Hij draagt m’ als ik viel.

De Heer is mijn herder! Hem blijf ik gewijd; ’k Zal immer verkeren In ’t huis mijnes Heren: Zo kroont met haar zegen Zijn liefde m’ altijd.

J. J. L. TEN KATE.