is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 30, 20-04-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

■ ■

Rustig en flink

Over de nok van een dak vele meters boven de begane grond te wandelen, zou aan de meesten niet gelukken. Zij zouden de diepte en het gevaar van een ongeluk zien en daarbij gaan weifelen en wankelen en komen te vallen. De timmerman vindt het echter geen kunst, om over een nok, die allicht een voet breed is, te gaan; als men met de nodige voorzichtigheid maar rustig en flink zijn gang gaat, lukt het wel.

Van rustig en flink optreden onzer regering getuigt het Oranjeboek, dat een verslag geeft van de verschillende moeilijkheden en conflicten tussen ons land en de oorlogvoerende staten in verband met onze ontzijdigheid en zelfstandigheid. Bij de behandeling van deze kwesties zal de regering wel haar verantwoordelijkheid zwaar gevoeld hebben. Zij heeft zich dan ook onthouden van felle uitingen van boosheid en geen dreigende toon aangeslagen; zij is voorzichtig geweest en heeft daarbij rust, met flinkheid verenigd, getoond. In haar internationale politiek toont de regering zelfs geen zwakke neiging, om op een der partijen te steunen en, blijft zij trouw aan onze zelfstandigheid; zij komt even beslist op tegen schendingen van ons recht, of die van de ene of de andere kant komen; streng volgt zij de lijn onzer onzijdigheid. Er is een lafhartige, maar ook een waardige en mannelijke onzijdigheid; van deze spreekt ons het Oranjeboek.

Maar tevens blijkt eruit, hoe zwak de kleinen tegenover de groten staan vooral in oorlogstijd. Dan wordt het recht in een klein, nauw hoekje gedrongen. Enige maanden geleden hebben Duitsers een aanval gedaan op twee Engelsen en twee Nederlanders, die nog op ons grondgebied waren. Zij waren daar in verband met vredesonderhandelingen, een geheimzinnige geschiedenis, waarvan de rechte bijzonderheden niet bekend zijn. De aanvallen der Duitsers geschiedden door „Duitse organen”, waarschijnlijk mannen der geheime politie, dienaren dus der Duitse overheid. Deze heeft echter geen macht of bevoegdheid op ons grondgebied en mag niet handelend optreden. Het betrof dus een ernstige grensschending, waartegen onze regering herhaaldelijk maar zonder succes vertogen richtte te Berlijn. Tenslotte stelde zij voor, over de kwestie een onpartijdig onderzoek te doen houden. Op dit alles gaf de Duitse regering weigerende antwoorden of ze zweeg zelfs geheel. De onze heeft daarop in Januari aan de Duitse doen weten, dat het haar onmogelijk was, deze zaak te laten ru.sten. Voor deze schijnt de zaak echter uit te zijn. Wat moet en kan onze regering nu verder doen? Tegenover de onwil der sterken staan de zwakken machteloos. Zij kunnen niet meer doen dan protesteren.

Van een andere inbreuk op ons goed recht, hoewel niet van zo ernstige aard als het vorige, lezen we in het Oranjeboek; het betreft de storing van het postverkeer. De Britse regering heeft postzakken van Nederlandse schepen geopend en ook post van K.L.M.- vliegtuigen vastgehouden. De post werd doorzocht met het oog op contrabande. Zo komt de Engelse regering op de hoogte van de correspondentie tussen haar vijanden en neutralen; in elk geval behoort, zo verklaarde onze regering, luchtpost op de uitreis, die geen contrabande kan bevatten, van censuur worden vrijgesteld. Wederom heeft zij het bij een protest moeten laten; het recht der kleinen kan niet op tegen de macht der groten. Het

leggen van mijnen door Engeland in de neutrale Noorse wateren, de bezetting van Denemarken door Duitse troepen en hun inval in Noorwegen bewijzen, dat het recht met de duur van de oorlog steeds verder in de druk komt.

Prof. Verzyl, hoogleraar in het volkenrecht, een man, die van zijn hart geen moordkuil maakt, verklaarde dan ook onlangs, dat het neutraUteitsrecht bestemd is, om in oorlogen tussen grote mogendheden onder de voet gelopen te worden, zolang er geen collectief stelsel van een rechtsorde in de volkenwereld geldt. En in dezelfde geest merkte Mr. N. Stufkens op, dat de neutraliteitspolitiek de inspanning van alle krachten eist tot het vestigen van een vrede, die steunt op een effectieve (krachtige) internationale rechtsorde.

Zolang die rechtsorde en de organisatie, om haar te beschermen en handhaven, er niet zijn, kunnen de onzijdigen niet anders doen dan na duidelijk en moedig protest, onrecht te dulden. Die stem moge al machteloos zijn; waardeloos is ze niet.

Het apostolaat van het zwaard

Alle oorlogvoerenden vuren de legers en de naties aan, om te strijden voor zedelijke beginselen en waarden. De Russen kwamen de Finnen bevrijden van de onderdrukking der bourgeoisie en haar terreur en dictatuur. De Duitsers hebben Denemarken bezet en zijh Noorwegen binnengevallen, om hen te „beschermen” tegen de boze voornemens der geallieerden. Engeland strijdt voor recht en vrijheid der kleine staten, die in geheel Europa bedreigd worden. Duizenden Brits-Indiërs zijn gewapend, om aan die strijd deel te nemen en wilden wel, dat Engeland ook zo grote liefde voor hun recht en vrijheid toonde. Duitsland voert de oorlog niet als een wild dier, begerig naar alles, dat zijn machtshonger kan stillen, maar als de grote wereldhervormer, die een eind wil maken aan het kapitalisme en zijn trouwe bondgenoten, de Joden en Rome en aan de wereldoverheersing van Engeland, dat daarop steunt. Frankrijk strijdt uit zelfbehoud maar voelt zich daarbij ook als de ridder, die de zwakken wil beschermen tegen den bozen, gevaarlijken draak. Allen voeren het zwaard als apostelen van een edele zaak. We ontkennen niet, dat onder de velen, die het zwaard voeren, daarbij inderdaad door nobele gevoelens gedreven worden en te goeder trouw menen, dat de oorlog noodzakelijk is voor de redding van recht en vrijheid, menselijkheid en vrede. Maar de kern van de oorlog is toch de machtskwestie; de volkeren worden bewust of onbewust gedreven door de begeerte, om de macht te vermeerderen, althans hun macht te behouden.

Wij lazen een merkwaardige uitspraak van den Zuid-Afrikaansen schrijver N. P. van Wijk Louw over de machtsbewegingen, die in de oorlog tot een geweldige orkaan aangroeien. Men zag die bewegingen vroeger, zoals ze waren. De Hunnen vielen niet Europa binnen als redders en bevrijders; zij wilden Europa niet bevrijden noch haar beschaving redden. Ze werden door de begeerte, om te veroveren, de machtsbegeerte gedreven. Thans echter, zo merkt van Wijl Louw op, moet elke gewelddaad onder „die vlag van die gees” plaats vinden.

„Die magsbeweging jaag nie meer soos wilde ruiters oor die geestelike lewe van die mens heen nie; hullie grijp na die gees self, om hom gevange te neem en soos ’n popspeel-keiser aan die hoof van hul bendes te voer.”

We hebben hier dus met een soort camouflage te doen, een vermommen en verbergen

van oorlogsdoeleinden, zodat een kanon er uitziet als een bosje en een tank als een kippenhok. Zo nemen de machtsbegeerten en de machtsbeweging in de oorlog ook een schone schijn aan. Het is bij de oorlogvoerenden een wedstrijd in het record der meest edelaardige oorlogsmotieven en doeleinden. De duivel als engel des lichts!

Dat aan deze geestelijke camouflage zoveel zorg wordt besteed, is een teken, dat zedelijke beginselen en krachten toch veel meer betekenen en groter invloed uitoefenen, dan men in deze verschrikkelijke tijd wel zou menen. De duivel citeerde eens het woord Gods, omdat hij de macht van dit woord over het mensenhart kende.

Sparen en hamsteren

De Indische pers meldt, dat het Indische gouvernement niet langer het zenden van kisten thee aan particulieren in het moederland toelaat; het veroorlooft alleen de zending van een postpakket, waardoor men nog een heel behoorlijke voorraad thee in voren kan krijgen. Het schij'nt echter, dat velen een hele kist lieten komen en zich dus met hun kopje thee voor een paar jaar wisten te dekken. Ongetwijfeld is door goede maatregelen der regering het hamsteren hier in ons land niet tot zo’n groot kwaad gegroeid als in de vorige oorlogsperiode en men merkt niets van de nare kettinghandel met zijn afzettersprijzen. Misschien heeft een zeker gevoel van gerustheid, nu er nog weinig van schaarste te merken valt en er alleen maar van enkele artikelen rantsoenering is ingevoerd, de hamsterlust verflauwd.

Toch zou een inspectie van zolders en kelders en andere bergplaatsen zeker In vele huizen nog grote voorraden aan het licht brengen. Dit hamsteren moet onderscheiden worden van een normale opslag in verband met bijzondere omstandigheden, zoals de huismoeders vroeger tegen de winter hun provisiekast vulden en vaten en kuipen vol groenten en vlees en ook wel boter hadden. Men kan moeilijk de grens trekken tussen geoorloofd vormen van voorraden en hamsteren. Achter dit laatste werkt de zelfzuchtige begeerte, die zoveel mogelijk naar zich toehaalt ten nadele van anderen.

Dat de omzet in de winkels in de eerste maanden na de oorlog aanmerkelijk daalde, bewijst, dat er aanvankelijk nog veel gehamsterd is. Een ander bewijs daarvoor is de daling van het tegoed op de spaarbanken in het laatst van het vorige jaar. Over het gehele jaar werd bij de spaarbanken, die bij de Ned. Spaarbankbond aangesloten zijn, bijna ƒ56 millioen meer terugbetaald dan ingelegd. Er is niet alleen meer opgevorderd, maar ook minder ingelegd dan gewoonlijk. Eén der oorzaken daarvan is het verlangen, contanten in huis te hebben in tijden van gevaar. Men vindt het daar veiliger zelfs dan in de kluis van de spaarbank, maar vooral heeft men in tijden van spanning en onrust graag geld in huis, omdat immers de spaarbanken gesloten kunnen worden of althans enige tijd geen geld uitgekeerd kan worden. Maar het verslag van de Spaarbankbond wijst ook op het feit, dat reeds van Juli af heel wat voorraden, vooral van levensmiddelen en andere consumptieve goederen door de bevolking werden ingeslagen.

Nood brengt tot elkaar. De volkseenheid loordt sterker beseft, sinds ook ons land in gevaar verkeert. Maar het dierbare eigen ik oefent in menig leven nog zijn dictatuur uit

J. A. BRUINS.

Rectificatie

In het artikeltje „Ordening en offers” op pag. 7 van het vorig nummer zijn na de tweede alinea enkele zinnen uitgevallen, waardoor de volgende zin over het opvoedingswerk van de socialistische beweging een geheel tegengestelde betekenis krijgt en het verband met het volgende onduidelijk is.

Na de zin over de samenwerking, die offers eist „op het gebied waar het ons dikwijls het moeilijkst valt, n.l. op het niet-materiële terrein” moet volgen: Voor een geldelijk offer is iemand uit onze kring indien zijn beurs het hem toestaat, dadelijk te vinden in het algemeen. Voor een offer in tijd staat men altijd klaar.

En dan volgt: De socialistische beweging heeft ook in dit opzicht prachtig opvoedingswerk verricht.