is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 30, 20-04-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tekeningen van Corn. Veth

Corn. Veth, de bekende criticus van Toneel en beeldende kunsten aan de Telegraaf, heeft onlangs zijn zestigste verjaardag gevierd, een dag, die terecht niet onopgemerkt is voorbij gegaan, want Veth is een persoonlijkheid, die in vele jaren van werkzaamheid, een aparte eigen piaats in het kunstleven van Nederland heeft ingenomen. Zijn werk bepaalde zich niet alleen tot de dagbladentiek: Veth schreef doorwerkte studies als het boek Comic Art in England, en een over Nederlandse caricaturen, op een levende amusant vertellende wijze, die ver verwijderd is van kunsthistorische gewichtigheden. Zijn belangstelling in deze richting wijst op ~een knobbel” voor het gekke (deze „knobbel” memoreerde hij zelf in zijn dankwoord op de dag der huldiging). Veth is behalve schrijver de tekenaar van het onverwacht zotte en malle in de mensen. Hij is dit op een zeer eigen wijze. Zijn studies over caricaturen en spotprenten hebben hem nooit verhinderd in zijn tekeningen geheel zichzelf te wezen. Hij is Veth en niemand anders.

Ter gelegenheid van zijn verjaardag heeft men zich weer eens kunnen verdiepen in de talloze kostelijke prentjes, die hij in de loop der jaren tekende. Er was een tentoonstelling in Den Haag bij de kunsthandel Liernur en dezelfde is thans meen ik nog te zien bij Santee Landweer in Amsterdam. Onophoudeiijk is het een lust zijn prenten in handen te nemen en te bezien. Hij reageert op de mensen om hem heen en de gebeurtenissen van zijn tijd met sneiie invaiien, die hij bedaard, met de zekerheid van een kinderiijk doen, op het papier zet. Veth’s tekenen wordt nooit kinderachtig omdat hij zich niet inspant kinderlijk te wezen. Hij zegt de dingen zo maar langs zijn neus weg als een uiting van zijn onbekommerdheid om menseiijke gewichtigheden. Het vak van criticus brengt hem uit de aard der zaak in aanraking met veel beeldende kunstenaars. En opnieuw beeldt hij hen nu uit mèt een kenmerkend attribuut hunner scheppingslust in hun nabijheid: Charley Toorop, die bezig is Berlage’s kop op het doek in elkaar te zetten (het model Berlage wordt een nietig mannetje naast zijn vervaarlijke vereeuwiging)! Gelijke belangsteiling voor het onderwerp van de dood is waarschijniijk de enige verwantschap tussen

den verfijnden poppenmaker Harry van Tusschenbroek en den ernstigen stiileven-schilder Raoul Hynckes. Veth arrangeert een samenkomst dezer antipodes op een donkere zolder, waar in een verwoed gevecht Hynckes aan Van Tusschenbroek een knekel betwist. Zijn verbeeiding grijpt om zich heen in het heden en terug naar het verleden en in een plotseiinge kolder gooit hij ze dwars door elkaar! In het voorportaal van een bioscoop, waar de biauwe livrei-piccolo zich met gemak naast de verflenste programmajuffrouw beweegt (de Rembrandt-film met Laughton wordt ververtoond) verschijnt Rembrandt in zijn 17deeeuws costuum, diep in zijn pofbroek grabbelend. naar zijn vrij kaartje, dat hij vergeten heeft. Zijn belangstelling voor het surrealisme vertolkt hij in een kostelijke waterverftekening, rijk van kleur, waar in het midden Hyroniemus Bosch staat met opengewoeld lijf. Om hem heen kruipen, zeilen, vliegen en fladderen de droomgedrochten, een schoolbord staat in de chaos, in de hoek rechts is een toespeling geschreven op het receptenboek Bosch, waar de surrealisten hun gegevens uit halen.

In de humor van al deze kleine tekeningen voeit men de ernst van een mens, die zijn gevoeligheid in de lichtheid van zijn spot verbergt. In enkele punten met betrekking op de rassen-ideologie komt iets schrijnends naar buiten. Een prachtig tekeningetje is naar mijn mening het hierbij afgebeelde Weense danseresje voor het publiek der machthebbers: Wenen bevrijd. Raak en met een bijna kinderlijke geringheid heeft Veth hier het meestnoodzakelijke getekend om de sfeer van vlinderachtige lichtheid, waarin plotseling het boze teken der machthorden en hun aanvoerders doorbreekt, te suggereren. Veth doet het met zo’n paar bevende onaanzienlijke lijntjes, met het even wassen van een kleur, een streep hier en daar. Zijn kracht ligt in het onbevangen doen, waarmede hij zijn observaties neerzet. Want hij kijkt terdege! Denk niet dat hij stuntelig is. Hij heeft in zijn werk elementen gemeen met kinderlijk tekenen: de zekerheid der overgave aan de voorstelling, die verbeelding schept. En als het soms eens wat houterig uitvalt dan hoort juist die houterigheid er bij; zij is een bestanddeel van het werk, zonder welk Veth Veth niet meer zou zijn. Onder de vele bladen is er een, dat treffend Veth’s wezen uitbeeldt: het dubbel portret. Hij

tekent Veth in zijn huisjasje, critisch in de houding, tegenover Veth in de nette jas met het hoedje op. Inderdaad daar is een ~knobbel” voor nodig, een „derde” wezen om zo zijn eigen tweewezenheid te kunnen tekenen. De mens is een raadsel van pluriformiteit, dat we maar lachend als een geschenk hebben te aanvaarden.

Wij danken Comelis Veth voor het vele dat hij ons als schrijver en tekenaar heeft geschonken. H. A. GERRETSEN.

Comité voor economische vrede

De vorige week werd in Den Haag een bijeenkomst gehouden van een aantal personen uit de kring van de Internationale Kamer van Koophandel. Zo waren aanwezig de heer P. Vasseur uit Parijs, secretaris-generaal van de Internationale Kamer, de heer Malcolm Davis uit Parijs, Barbey uit Parijs, de heren James O’Neill en Owen Jones, resp. Amerikaan en Engelsman, dr. G. Riedberg uit Berlijn, Staatsrat Karl Lindeman uit Bremen. prof. dr. A. Predohl uit Kiel, J. Sigfrid Edström en prof. Bertil Ohlin uit Stockholm en dr. Jaconsen uit Bazel. Omtrent de aard der bijeenkomsten werd weinig of niets medegedeeld. Deze economen vormen tezamen het „Comité voor Economische Vrede”, hetwelk tijdens het congres te Kopenhagen in de zomer van het vorige jaar is gesticht door het Bureau van de Internationale Kamer van Koophandel en door de Carnegie Endowment for International Peace. De bijeenkomst had ten doel het toekomstig programma van de Internationale Kamer van Koophandel te bespreken. Ook de Belgische Oud-minister Paul van Zeeland heeft aan de besprekingen deelgenomen.

Over deze bijeenkomst schreef de Telegraaf van 28 Maart:

Het is een merkwaardige bijeenkomst, die op het ogenblik te ’s-Oravenhage wordt gehouden. Een aantal personen uit de kring van de Internationale Kamer van Koophandel is daar bijeen. Naast Engelse en Franse, zitten daar, op neutrale bodem, ook Duitse vertegenwoordigers aan één tafel. Natuurlijk ontbreken ook de Scandinavische staten, Zwitserland, België en Nederland niet. Dit gebeurt blijkbaar met toestemming der betrokken regeringen zonder de minste geheimzinnigheid en de kranten schrijven er openlijk over. Zij, die de grote wereldoorlog hebben meegemaakt, wrijven zich de ogen uit en vragen zich af: hoe is dat mogelijk?

Het antwoord is eenvoudig. Wij mogen weinig uit de wereldoorlog hebben geleerd, iets wijzer is de mensheid toch wel geworden. Wij weten thans, dat niet alleen een oorlog, maar ook een slechte vrede een grote ramp is. Terwijl de legers tot de tanden gewapend aan de grenzen staan, denkt ieder verantwoordelijk staatsman aan de vrede, die eens moet komen en aan de problemen, die hij zal stellen. Wij hebben niets aan een vrede, die in werkelijkheid een voortzetting van de oorlog is, een vrede, zoals die, welke aan dit conflict voorafging. Wij moeten het daarom toejuichen, dat er mannen zijn, die de moed hebben, tijdig de problemen onder de ogen te zien, waarvoor de wereld straks zal komen te staan. De commissie, die te ’s-Oravenhage bijeenkomt, houdt zich in de eerste plaats bezig met economische vraagstukken, zoals dat der internationale werkloosheid, de verhouding der munteenheden tegenover elkander en de kwestie der grondstoffen.

Wij onderschatten de moeilijkheid van de taak, die de Haagse commissie op zich genomen heeft, niet. In de eerste plaats zijn de problemen, die zij zich stelt, bijna onoplosbaar, maar afgezien daarvan is de vrede nog heel ver weg. In dat opzicht zou ieder optimisme voorbarig en gevaarlijk zijn. Eerst moet uit Europa een geest van waanzin gebannen worden, die sedert vele jaren in ons werelddeel rondwaart. Dat is van aUe moeilijkheden de grootste. Het kan nog jaren duren, alvorens dat doel is bereikt.

(V. P. B.)