is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 31, 27-04-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

■ ■ ll I 111 tf

De veiligheid van de Staat

De regering heeft veel gedaan en ook veel geld uitgegeven, om ooriogsgeweld, dat men ons zou willen aandoen, zo goed mogelijk met oorlogsgeweid af te weren. Ze hoopt, dat onze legermacht en onze militaire werken een dijk zullen zijn, die eèn stormvloed van invallende vijandelijke troepen kan keren. Maar zij houdt niet alleen rekening met de mogelijkheid van het gevaar, dat het vuur van de om zich heen grijpende wereidbrand ook ons nadert en ook ons iand zal aantasten. Er is reeds een vijand binnen onze grenzen in alle heimelijkheid werkzaam, die aan de veiiigheid van onze staat en ons volk afbreuk doet. Of er een belangrijke groep in ons midden is, die de zelfstandigheid van ons land graag zou willen prijsgeven om een onderdeel van het Duitse rijk te worden en die ook werkt om hun wens tot werkelijkheid te maken, weten wij niet. Wij kunnen slechts gissen; men ziet in tijden van spanning een gevaar wei eens groter dan het is. Aan ae andere kant is het wijs, lering te trekken uit de noodlottige ervaring van andere naties ten opzichte van vreemdeiingen in hun midden en volksgenoten, die meer voor een ander dan eigen volk gevoelen en die in strijd met de hun bewezen gastvrijheid of met de plicht van staatsburger en lid van onze volksgemeenschap wroeten en woelen, loeren en spionneren en zo tegen de veiligheid van de staat handelen. In dagen van onzekerheid en gevaar is het beter te voorzichtig dan te luchthartig te zijn. Als het stormt, sluit men zijn deuren en vensters extra stevig.

Dat er een binnenlandse vijand is, staat wel vast. Er zijn uitingen gehoord, die bedenkelijk veel lijken op een opwekking tot landsverraad en reeds zijn meerdere gevallen van spionnage vastgesteld en gestraft.

Er zijn verschillende verklaringen van het verraad van Judas. De bijbel noemt de begeerte naar zilverlingen als motief. Een drama geeft minnenijd en jaloersheid als verklaring; er was geen plaats voor Judas in het hart van Maria Magdalena, dat geheel gevuld was door de liefde voor haar Heer. De Zweedse romanschrijver Hedberg tekent Judas als den ontgoochelde, die niet meer in zijn meester geloofde, nu zijn overwinning uitbleef en die in hem een gevaarlijken vijand van God ging zien, den satan in de gedaante van een engel en, om God te dienen, meehielp, om dien vijand uit de weg te ruimen. Door zijn niets en niemand ontziende geldgierigheid is de Judas van de bijbel ons het meest onsymphatiek; zo ook de spion, die zijn volk verraadt om de centen. Niet minder gevaarlijk zijn echter de Nederlanders, die een ander volk meer liefhebben dan hun eigen en aan een vreemde regering diensten bewijzen ten nadele van hun eigene. ,'Het Volk” spreekt van ontaarde landgenoten en buitenlanders, die de hun geboden gastvrijheid misbruiken. Die laatsten moet men niet zoeken onder de vluchtelingen, die hier zijn opgenomen, maar onder de vreemdelingen, die zich hier vrijwUiig gevestigd hebben, om hier een bestaan te vinden.

„Het Volk” heeft zeker niet te hoog getaxeerd, toen het schreef, dat 90 % der publieke opinie hier aan de zijde der regering staat, ais zij strenge maatregeien neemt ter bescherming van de veiligheid van de staat. De afkeer van het spionnagewerk is sterker dan ooit, omdat het thans de mogelijkheid, dat ons iand door oorlogsgeweld wordt neergeworpen en iaiatgetrapt, groter maakt, maar zeker ook, omdat wij ons sterker aan eigen iand en volk Verbonden voelen. Zonder in nationalistische

hoogmoed en gesnoef te vervallen, waarderen wij toch het grote voorrecht, Nederlanders te zijn, burgers van een democratische staat en leden van een volk met een sterke vrijheidszin en daarom verachten wij alle werk, dat ons volksbestaan en daarmee ook democratie en vrijheid ondermijnt. Om die beide redenen wordt ook algemeen het wetsontwerp, waardoor misdrijven tegen de veüigheid \an de staat zwaarder gestraft zullen kurmen worden, goedgekeurd; van meerdere kanten dringt men zelfs op nog scherpere bepalingen aan. Wettentaal is voor ons ieken moeiiijk te verstaan en we wagen ons ook niet aan een bespreking der onderdelen van het ontwerp. We hopen echter, dat de strengere straffen waarschuwend en voorkomend zuilen werken. Menigeen ziet niet in, hoe afschuwelijk en laaghartig al het spionnenwerk is, vooral wanneer het gedaan wordt tegen eigen volk en staat en het alleen om de zilverlingen geschiedt.

Familiegevoel doet ons opkomen voor het belang, de goede naam en het welzijn der familie. Er is ook een nationaal familiegevoel, dat zich verzet tegen alles, wat de eenheid, de kracht, de veiligheid der grote familie schaadt en dat is met alle spionnenwerk en elke dienst van een vreemde staat tegen eigen staat het geval.

Wij w'Jien niet beschermd noch bevrijd worden!

De naaste aanleiding tot de radiorede, die minister De Geer een week geleden hield, een woord van kalmte en kracht, is waarschijniijk de raad geweest, dat Nederland niet op eigen kracht zou steunen, maar rekening houden met de noodzakelijkheid, door den enen buurman gesteund te worden, indien de andere ons kwaad zou wiilen doen. Daartoe zouden we dan besprekingen moeten voeren in Londen en Berlijn. Onzijdiger kan het immers al niet! Maar gevaarlijker kans om met een der beiden ruzie te krijgen, kan ook wel niet geschapen worden. Men zou daardoor immers bij beide partijen wantrouwen opwekken. Terecht wees minister De Geer daarom het maken van afspraken met de oorlogvoerenden af. Wij willen ook niet vertrouwelijk met de beide partijen gaan spreken over het onderstelde geval, dat een hunner ons zou aanvallen. De bedoeling van den minister kwam kortaf hierop neer: Wij wiilen niet bevrijd, noch beschermd worden. „Wij steunen, voor zover het mensen betreft, uitsluitend op onszelf.” Onze neutraliteit betekent :

liet alleen de vaste wil om buiten de oorlog te blijven en ons land van die ramp te vrijwaren. Ze heeft nog een positiever en nobeler doel. Het meest trof ons in de rede van den minister de uitdrukking: Dienende neutraliteit.

„Wij zijn bereid aan de oorlogvoerenden, indien zij dit wensen, onze diensten ter beschikking te stellen, tot afwending der onmetelijke ramp, die hen allen bedreigt, indien zij tot het bittere eind deze strijd voeren. Ons Vredespaleis staat voor hen open. En onze vredesgedachte vergezelt hen. En wel allen gelijkelijk.”

In het oorlogsrumoer hoort men thans nauwelijks de stem van het pacifisme; het is daarom juist nodig, dat zij ferm en krachtig in de wereld klinke; ze is al te flauw en aarzelend.

De minister kondigde verder de staat van beleg af voor het gehele land. De militaire autoriteiten krijgen daardoor een aantal bevoegdheden van de burgerlijke overheid over

ter verzekering van de inwendige veiligheid. Zij krijgen daardoor zeer grote macht. Toch zal men, zo verzekerde de minister, van die nieuwe staat van zaken niet veel merken. De burgerlijke autoriteiten zullen naar het voornemen der regering haar gewone bevoegdheden onverlet kunnen uitoefenen. Of zich in geen enkel opzicht een sabeiregering zal doen gelden? Bezit van macht brengt de lust mee om die ook ten volle uit te oefenen. De burgerlijke overheid verstaat uiteraard beter de kunst om burgers te leiden en te regeren, dan officieren, die gewend zijn aan legerdiscipltne en gehoorzaamheid. Wij verlangen er niet naar, dat Nederland tot een grote kazerne wordt: de regering bedoelt ook ongetwijfeld niet, om het burgerlijke gezag onder het militaire te stellen.

Het slot van de rede was een opwekking om ons vertrouwend te stellen in handen van Hem, die ook door de diepste duisternis voert naar Zijn wonderbaar licht. Er is een vrome taal in officiële redevoeringen en staatsstukken, die aan franje doet denken. Woorden, die niet treffen en waarover men heenleest zoals over de ondertekende verzekering, dat men iemands dienstwillige dienaar is. Maar het woord van dezen en ook andere ministers maakt meer indruk dan het gebruikelijke ..onder Gods zegen” enz. enz. Hier is levende taal en men voelt, dat deze man zich bewust is, zijn zware taak in dienst van God en door Hem gesterkt te moeten verrichten en juist dat besef geeft hem zeker de vastheid en kalmte, waarvan ook deze rede getuigt.

Wij willen niet beschermd en bevrijd worden door anderen, maar steunen op de Kracht van Hem, die boven alle aardse verschrikking en duisternis het eeuwige licht is, dat ten slotte in het hart der mensen en volken zal doorbreken.

Vrijwilligers

Men denkt bij dat woord aan jonge mannen, die uit eigen beweging de wapenen opnemen en in het leger gaan dienen. Men kan echter zijn volk ook op een andere wijze in moeilijke tijden bijstaan. Wij zouden zo graag de vrede willen dienen, maar staan machteloos tegenover de oorlog als het kind op het strand tegenover de branding. We zouden zo graag velen, die thans in moeilijkheden en zorg verkeren, een handje willen helpen. Maar wat zullen we doen? Als die vraag ons inderdaad verontrust, zullen wij wel een antwoord vinden. Al zijn we niet tot de grote dingen in staat; er zijn wel vele kleine, die wij kunnen doen. Zo hebben ook enige studenten er over gedacht..Er zullen waarschijnlijk.bij de oogst handen tekort zijn; dan zijn er enige weken op het land vele arbeiders nodig, meer dan er ondanks de werkloosheid beschikbaar zullen zijn, daar velen in plaats van zeis en sikkel het geweer hanteren. Daarom heeft een aantal studenten zich beschikbaar gesteld, zonder andere vergoeding dan kost en inwoning met de oogst te helpen. Dat valt toe te juichen, mits het aantal zakenverloven daarom niet ingekrompen noch aan werklozen de kans op arbeid wordt ontnomen. De vrijwilligers zullen het leven en werk op het land leren kennen en waarderen. Zij zullen zeker, al' werkende, voorstanders worden| van het ontwerp, dat minister v. d. Tempel heeft ingediend, om de arbeidsduur voor de landarbeiders te regelen en tot een maximum aantal uren van 2900 per jaar te beperken. Zij zullen ook leren, dat dit werk volstrekt geen dom werk is, waarbij het alleen als bij een trekpaard op kracht aankomt.

Menige boer zal bij het werk van deze amateur-landarbeiders goedig glimlachen en misschien ook wel eens spottend de gebruikelijke opmerking maken: Je bent met die jongens meer verlegen dan je er om verlegen bent! Is er een geleerde boer onder, dan zal hij het woord citeren: Ut desint vires, tamen is laudenda voluntas. Al zijn er de krachten niet, de goede wil valt te prijzen. Dit laatste is dan ook zeker het geval! J. A. BRUINS.