is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 31, 27-04-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gebed van Franciscus van Assisi

Heer maak mij tot een instrument van Uw vrede!

Waar haat is, dat ik daar liefde brenge,

Waar belediging is, dat ik daar vergiffenis brenge, Waar onenigheid is, dat ik daar eensgezindheid brenge. Waar dwaling is, dat ik daar waarheid brenge. Waar twijfel is, dat ik daar geloof brenge.

Waar wanhoop is, dat ik daar hoop brenge. Waar duisternis is, dat ik daar Uw licht brenge. Waar droefheid is, dat ik daar vreugde brenge.

O Meester, dat ik niet zo begerig zij

Om vertroost te worden, maar om te troosten. Om begrepen te worden, maar om zelf te verstaan. Om bemind te worden, maar om lief te hebben.

Want: Al gevende ontvangt men vergiffenis; Zich zelf vergetende vindt men;

Vergevende ontvangt men vergiffenis; Stervende wordt men wedergeboren in bet Eeuwige leven.

Wat doen de vrouwen?

Hoe groter de verschrikking en de ellende in de wereld worden, hoe meer neiging de vrouwen krijgen om zich op te sluiten in haar huis, in haar gezinswerk. Telkens hoort men een mismoedig, vaak ook een oppervlakkig: „Och, ik bemoei me maar nergens mee, w'ant wat kunnen wij er aan doen?”

Aan de oorlog kunnen wij inderdaad niets meer doen, die is losgebroken en raast vernielend van het ene land naar het andere en geen vrouwenwoorden of vrouwendaden houden de vliegmachines en duikboten meer tegen.

Maar is dat een reden om nu onze deuren en ramen stevig te sluiten, ons terug te trekken en alleen maar meer te hopen, dat het gevaar onze deur wel voorbij zal gaan? En al die andere mensen dan, mensen als wij, kinderen als onze kinderen, moeten die het leed dan maar lijden, zonder dat wij ons verder bekommeren om de wereld en om de mensheid?

In normale tijden kon het nog schijnen alsof het besloten gezin eigenlijk weinig of niets te maken had met het grote leven, dat zich afspeelt in de maatschappij. In tijden van nood ondervindt zelfs het meest afgesloten gezin op vele wijzen, dat het deel heeft aan dat maatschappelijk leven. Maar beseffen wij wel voldoende hoe het gezin mede invloed heeft op de wijze waarop dat maatschappelijk leven gevormd zal worden?

Beleven wij wel voldoende hoezeer de verantwoordelijkheid hiervoor mede drukt op de gezinnen, waar zo’n belangrijk deel van de opvoeding tot lid van de grote maatschappij plaats vindt?

Zeker, ook tal van andere kleinere of grotere gemeenschappen hebben hun invloed op de opvoeding van kinderen en jonge mensen. Maar allereerst is het de invloed van het gezin, die veelal doorslaggevend is voor de wijze waarop het kind zich verder zal ontwikkelen. En dan is het meestal de vrouw, die de sfeer in het gezin bepaalt.

De wereld is boordevol onrust, angst en ellende. Rondom zijn woordbreuk, verraad en geweld aan de orde van de dag. Het schijnt of geen geestelijke maatstaven, geen zedelijke normen meer gelden in het verkeer tussen mensen en volkeren.

Het is Ónmogelijk om ons gezin daarvoor af te sluiten: de krant, de radio, de gesprekken, zij brengen alles in onze huiskamer; wij zijn omgeven door een woordenstroom, vervuld van oorlogsverschrikking en onbeschrijflijke ellende, die volwassen mensen nauwelijks kimnen verwerken, die de jeugd wanhopig maken en de kinderen met benauwenis vervullen.

Wij zijn omringd door een sfeer van haat en wantrouwen, waarin wij onmerkbaar haast gevangen worden en die ongeweten verwoes-

tingen aanricht in de zielen van onze kinderen.

Wij zijn ons niet voldoende bewust van de invloeden, die in onze gezinnen werken van buiten af, invloeden, die in deze oorlogstijd zozeer ten kwade werken. Maar wij zijn ons nog veel minder bewust van de invloeden, die uit onze gezinnen werken naar buiten toe en die in deze tijd ten goede behoorden te werken.

Wij zullen toch moeten begrijpen, dat de inrichting van de maatschappij, waarin straks onze kinderen zullen leven en waarin zij hun taak zullen hebben te vervullen, mede zal afhangen van de gaven en de krachten, die onze kinderen dan zuilen bezitten.

Zullen deze gaven en krachten gelegenheid krijgen zich te ontplooien? Zullen zij gaan in sociale dan wel in a-sociale richting?

Dat zal afhangen van wat er omgaat in ons eigen hoofd en hart. Als wij zelf onverschillig blijven voor het lot van anderen, als allerlei vooroordelen tegen andere mensen, volken, rassen in ons omspoken, als waarheid en gerechtigheid geen rol meer spelen in ons eigen leven, hoe willen wij dan in onze kinderen verantwoordelijkheid wekken voor het lot van de mensheid?

Gaat de moeder uit van de gedachte: „Als wij het zelf maar hebben”, stelt zij dus het eigen gezin niet naast, maar tegenover andere gezinnen, dan is een dergelijke houding niet geschikt om in de kinderen sociale gevoelens te wekken. Is er in het gedachtenleven van de moeder naast „wij zelf” ook plaats voor „de anderen”, is er de bereidheid niet meer te nemen dan het rechtmatig deel en zo mede te werken aan de mogelijkheid, dat allen hun rechtmatig deel ontvangen, dan wekt zij in het kind het gevoel, dat wij elkanders maat zijn in dit leven. Dan stromen uit het gezin sociale krachten in de buitenwereld.

Wij zelf zullen de waarheid moeten dienen in het dagelijks leven in ons gezin, in onze omgang met buren en vrienden, in ons werk.

Wij zelf zullen aandacht moeten behouden voor elk stukje schoonheid, van een kleine bloem af tot aan de oneindige hemel.

Wij zelf zullen trouw moeten zijn aan onze beloften tegenover onze kinderen, trouw aan ons gegeven woord, trouw aan onze beginselen, die wij dienen in de sociaal-democratische beweging. Als wij zelf niet meer voorgaan in vertrouwen op de grote geestelijke waarden, die steeds weer de mensheid leiden door zware beproevingen heen naar het land der vrijheid, hoe kunnen wij dan verwachten, dat vertrouwen te zien opbloeien in onze kinderen.

Als in ons eigen hart de liefde voor de medemens niet meer brandt, dan staan onze grote en onze kleine kinderen eenzaam en verloren in een woestenij, waarin alleen haat en geweld nog wegwijzers zijn.

Als wij ons bewust zijn van de verantwoordelijkheid, die wij dragen voor de menswording

van de kinderen en daarmee voor de toekomstige maatschappij, als wij pijnlijk ervaren hoe een heel jong geslacht worstelt om een straal van licht te ontdekken in de duisternis, die het leven omhult, dan moest ons eigenlijk geen offer te groot zijn om alles wat er nog leeft aan waarheid en schoonheid, aan trouw, aan vertrouwen en liefde, te behoeden als onze kostbaarste schatten.

Eerst dèin zullen wij mogen hopen, dat de afbrekende en vernietigende krachten, die nu de wereld verscheuren, gekeerd zullen worden door krachten van opbouw en leven, die een nieuwe wereld wekken.

Als ik na deze koude winter in onze tuin toch weer opnieuw de groene spruitjes te voorschijn zie komen en met vreugde de eerste bloempjes begroet, dan dringt zich ook telkens weer op de gedachte op hoeveel slagvelden van Europa het jonge groen zich schaars zal kunnen opwerken uit de met bloed gedrenkte aarde tussen jonge dode mensenlichamen.

De eerste Mei van 1940, nee, een feestdag kan het niet zijn. Pel en wreed heerst de dood.

Maar wèl een dag van verbondenheid in dienst van nieuw leven.

„Het Christendom en de Rijn''

Dezer dagen las ik een artikel, waarin het christendom vergeleken wordt bij de Rijn.

De Rijn is groot en geweldig, revolm tionnair en bewogen in zijn oorsprong. Ik heb de Rijn bij Scbaffbausen gezien. Dat is ontzagwekkend en groots. Ver= derop wordt de Rijn een brede en sterke stroom, vruchtbaar makende de landen, door welke bij zich een weg baant.

Ik heb de Rijn gezien bij Bazel en in Duitsland: een sterke, maar rustige rivier, die bet land zegent en welvaart brengt. Maar in Nederland wordt de Rijn al smaller en kalmer en tammer en rustiger. Wie beeft nooit de Kromme Rijn gezien met de kippenbruggetjes? Heel aardig en genoegelijk voor een wam deling op Zondagmiddag met de kleu* ters. Maar waar is de Rijn gebleven? Het einde is de dode Rijn.

Zie, zo is bet ook met bet Christen; dom. Het begon groot en geweldig, revo; lutionnair en bewogen. Toen werd bet breed en sterk en zegenrijk. Maar bet einde is de Kromme Rijn: alles o zo ge; noegelijk, maar alles ook zo tam en mak!

De dood in de pot! Maar de Kromme Rijn maakt toch de Rijn in Duitsland en Zwitserland niet ongedaan. En de kippenbruggetjes bij Bunnik maken de waterval van Scbaff= bausen niet tot een watervalletje a la Sonsbeek bij Arnhem. De Rijn ontspringt nog altijd op de bergen. En de dode Rijn is niet de dood van de Rijn, wiens kracht en macht de eeuwen trotseert.

Daar is veel tam en mak, verwereld; lijkt en verburgerlijkt christendom met kippenbruggetjes. Maar in de verte bo; ren wij bet geluid als van vele wateren, Scbaffbausen is er ook nog en bet cbris; tendom vindt zijn oorsprong op de ber; gen. Daar stroomt en bruist bet levende en. heldere water.

Ons parool moet zijn: weg van de kip; penbruggetjes! Terug naar Schaffbau; sen! Terug naar de bergen! Christendom is niet een modderig slootje, maar een machtige stroom. Terug naar de oor; sprongen.

Uit: De Bries. Ds. J. J. BUSKES Jr.