is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 31, 27-04-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit de Kerkelijke Wereld

Stem uit Duitsland r\ e Belijdende Kerk in Duitsland publiceerde met Pasen een Boodschap, die o.a. het volgende bevat:

~De opgestane Heer heeft overwonnen over de machten der duisternis. Hij heeft het leven aan de dood ontworsteld en het weder aan het licht gebracht Dat is de Paasboodschap. Welk een boodschap, geliefde broeders! Welk een boodschap ook voor deze tijd, die onze tijd Is. Wederom staat ons volk in een strijd van buitengewone omvang. Wederom worden wij opgeroepen, ons leven op het spel te zetten en nogmaals nood noch dood te vrezen. Heil ons, dat wij ons in deze tijd in de macht weten van Hem, die de zijnen altoos overwinning geeft, overwinning over nood en zonde en dood, en die (deze machten) betrekt in de kracht van zijn,opstanding!

Wij hebben bij onze bevestiging (als predikanten) plechtig beloofd, het Evangelie zuiver en klaar te prediken en de sacramenten zo te dienen, zoals Jezus Christus ze heeft Ingesteld. Aan deze gelofte willen wij, met Gods hulp, trouw blijven. Wij willen van zijn boodschap niets weglaten, noch eraan toevoegen. Ook dan niet, wanneer door deze boodschap de ergernis komt, waarvan onze Heer Jezus Christus gesproken heeft. Slechts hopen wij, dat deze ergernis dan komt door het Evangelie, niet door ons.

Oorlogstijd Is een tijd, zwaar van verantwoordelijkheid! Hier geldt, dat een leder zorgvuldig op zijn woorden lette, ook de prediker van het Evangelie. Hij moet pogen misverstanden te vermijden. Het moet duidelijk zijn, dat hij het Evangelie verkondigt, en niet menselijke Inzichten en oordelen. Het moet duidelijk zijn, dat hij met brandend hart in de gemeenschap van zijn volk staat, zijn lasten meedraagt en zijn strijd meestrijdt. Het moet duidelijk zijn, dat hij in de kracht van de liefde van Jezus Christus wil opbouwen, helpen, redden, en alles wil vermijden, wat zijn volk zou kunnen schaden.

De volledige kracht tot zulk een geestelijke tucht wordt slechts uit gebed geboren. Mochten wij Dienaren des Woords in deze tijd als getrouwe blddenden bevonden worden, die Gode de voorbede opdragen voor den Führer en de gehele overheid van het Duitse volk, voor onze soldaten en hun behoud aan lijf en ziel, voor het heil van ons vaderland en een rechtvaardige vrede.” Tot zover het citaat, aan het Oe. P. D nr 15 ontleend.

tekenend fe: le. De gedachte, dat er verband zou zijn tussen de overwinning van Jezus Christus over de dood en die van de tot oorlog geroepen Duitsers. 2e. De vaststelling, dat het Evangelie er- richting en aan wie.

3e. De sterke scheiding tussen wat mensen zeggen en wat het Evangelie zegt. Het ontgaat de stellers blijkbaar, dat de mens bij de verkondiging steeds bemiddelaar is. 4e. De afwezigheid van elke beoordeling aangaande de daden van de Duitse overheid se. De afwezigheid van de voorbede voor de vijanden, een wezenlijk-evangelische eis. En dit zijn loten van het groene hout

De Vrije Universiteit

In de iTOp van dit jaar bestaat de „Vrije Universiteit” zestig jaar. Het zal zeker niet de bedoeling van het Gereformeerde volk zijn om dit feit onopgemerkt voorbij te laten gaan’ Want de Vrije Universiteit is de school van waaruit zoniet de cultuur, dan toch de commandoposten in de Nederlandse samenleving kunnen beïnvloed worden. Niets zou méér van wanbegrip getuigen, hier alleen maar van baantjesgasterij te spreken. Deze inrichting voor hoger onderwijs op gereformeerde grondslag heeft in de loop der zestig jaren 827 leerlingen aan de Gereformeerde Kerken kunnen afleveren, een getal, dat zeker groter zou zijn geweest, als de oorspronkelijke bedoeling, om ook aan de Ned. Herv. Kerk te leveren, gelukt was. Verder ver-

lieten 349 juristen en 127 letterkundigen deze instelling. ï De vraag of op den duur door deze afzonderlijke inrichting de invloed van het gereformeerde volksdeel toeneemt, is nu nog niet met zekerheid te beantwoorden. De ontwikkeling der politiek van de laatste jaren, waarbij de anti-revolutionnairen in een isolement gedrongen werden, doet vermoeden, dat het pleit niet ten gunste van de Vrije Universiteit zal uitvallen.

Aan de deur In „Woord en Daad”, maandblad van de Centrale Bond voor inwendige zending en christelijk philantropische inrichtingen doet de secretaris, mr. B, ter Linden, een verslag van zijn werkzaamheden. Deze centrale Bond blijkt een voorbeeld van ordeningsstreven van-onder-op te zijn. Het valt immers niet mee, de weg te weten langs de vele inrichtmgen en bewegingen, die zich op christelijkfilanthropisch gebied bewegen. Daarom werd ordening geboden, en gevonden in deze Bond. Het werk van den secretaris was onder meer het bezoeken van inrichtingen. Een van zijn ervaringen wordt hier vermeld:

„Op zekere dag bracht ik bezoek aan een mij totaal onbekende inrichting. Ik belde aan: de deur van het grote gebouw werd mij opengedaan door een keurigen huisknecht. De directeur werd te spreken gevraagd: geloofsbrieven in de vorm van een visitekaartje werden daartoe overhandigd; drie volgedrukte

regels vermelden daarop mijn functie. Een wachtkamer deed het opengaan. Toen begon de strijd tegen het horloge. Tientallen minuten verliepen, totdat ineens de gastvrije deur opnieuw openging en een ietwat onthutst gezicht op de drempel sprak: „Ik heb niets nodig. Toen was het mijn beurt om verwonderd iets in het midden te brengen. Ik greep hoe onhandig naar mijn tas om te tonen, dat ik werkelijk van goeden huize was. Doch ook die pas werd mij af gesneden met een: „Laat u die tas gerust maar dicht, ik koop toch niets.” Ten einde raad vond ik opnieuw een kaartje: „Heeft de portier u dan niet ” Verder kon ik echter op dat ogenblik nog niet komen. „Die kaartjestrucs zijn mij bekend.” Misverstanden zijn er echter om opgehelderd te worden. En ook dit elkaar niet ten volle begrijpen werd overbrugd.”

Anti-godsdienstige arbeid in de West-Oekraine

Sommige lezers zullen zich herinneren, dat onder Nieuws van Overal enige maanden geleden de tien geboden voor den roden soldaat in Polen zijn gepubliceerd, zoals die zouden zijn uitgegeven door de Bond van strijdende Godlozen.

Dit bericht was ontleend aan het katholieke emigrantenorgaan „Der Deutsche Weg”. De redacteur van de „Vrijdenker” heeft naar aanleiding daarvan zich gewend tot den voorzitter van de Bond van Strijdende Atheïsten te Moscou, prof. Jarowslawski. Uit het ontvangen antwoord, gepubliceerd in de „Vrijdenker” van 13 April j.1., volgt hier een samenvatting. Ofschoon de atheïsten de reactionnaire rol van de katholieke organisaties en de kloosterorden, alsmede van de joodse rabbijnen kennen, wordt er in West-Oekraïne geen actie van de kant der atheïsten gevoerd.

Deze zijn van mening, dat de invloed der geestelijken voor alles gebroken wordt door een systematische politiek-economische verheldering. Het gewichtigste is heden onder de bevolkingsmassa’s de leugencampagne te bestrijden. De vijanden pogen nog steeds de mensen ervan te overtuigen, dat de Sowjetregering alle kerken sluit, het bidden verbiedt, geloofsvervolging organiseert, enz. enz.

Daarom is de voornaamste taak van de antigodsdienstige propaganda deze, dat men voordrachten en lezingen organiseert over de gewetensvrijheid in de Sowjet Unie. Deze voordrachten zijn op natuurwetenschappelijke wijze gefundeerd; voor alles moet men de grondslagen van de Marxistisch-Leninistische wereldbe-

schouwing verklaren. Dit is thans nog hoofdzakelijk het werk van de partij- en jong-communistische organisaties.

Noch het bericht, dat de Atheïsten 3 millioen ï roebel voor propaganda in het christelijk Polen bestemd hebben, noch dat zij een instructie • aan het Rode leger zouden hebben gegeven, is waar. Het zijn verdichtsels, voortkomende uit : de Jesuïtische opvatting dat alle middelen • goed zijn, om het doel der kerk te bereiken, i Het is voldoende om maar één nummer van ■ het tijdschrift „Besbochnik” te lezen, om te : weten, dat de Bond steeds er voor pleit, zich in de gehele Sowjet Unie van gewelddadigheden te onthouden.

Jarowslawski twijfelt er niet aan, of ook in West-Oekraïne zal zich hetzelfde proces voltrekken, zoals het over de ganse Sowjet-Unie geschiedt. De massa wordt van dag tot dag meer bewust. Zal die bewustheid ertoe voeren, dat ook in West-Oekraïne behoefte ontstaat aan een actieve strijd tegen de godsdienst, dan zullen de arbeiders van die landen dat doen, zonder verlof te vragen aan de rabbijnen, de Orthodoxe of Rooms-Katholieke priesters. Aan deze samenvatting behoeft onzerzijds niets toegevoegd te worden. Elke discussie zou een tragedie van misverstanden worden.

Contacten tussen contrasten Alom zien wij verschuiving van accenten, verlegging van grenzen. Zij vinden hun oorsprong in twee tegenovergestelde krachten: angst en verlangen naar vernieuwing. Op kerkelijk gebied is het niet anders, dan op elk ander gebied. De tekenen van verandering van weersgesteldheid zijn menigvuldig. Het is goed erop te letten, zonder zich aan welke illusie dan ook over te geven. Zo zien wij allereerst een merkwaardige poging, om tussen Rooms en Protestant tot een regelmatig contact te komen. Niemand minder dan Brunner, de bekende Züricher hoogleraar, heeft op 1 April voor de Zwitserse radio gepleit voor contact met Rome, betogende, dat wat Roomsen en Protestanten gemeen hebben, meer is dan wat hen scheidt. In antwoord daarop heeft mgr. Besson, blsschop van Genève, met vreugde vastgesteld, dat de tijd van de godsdiensttwisten voorbij was. Deze uiting staat niet op zichzelf.

De Franse dichter, Guy de Pourtalès, heeft, blijkens een Parijse correspondentie aan’ „Woord en Geest”, eveneens gepleit voor confessionele vrede. Het is een katholiek, die verontrust is door het lot van Polen en ziet, dat de ■vijanden van het Christendom alle godsdiensten op één hoop gooien (angstmotief!) Maar bij de uitvoerige discussie, die daarop ontstond bleek, dat de Franse protestanten, die in een’ minderheid verkeren, nog lang niet aan een Unie met Rome toe zijn, al is ongetwijfeld van toenadering sprake. In Nederland herinneren wij ons de samenzang in Groningen van Katholieken en Protestanten, dat van protestantse zijde véél woede heeft opgewekt.

Hoe staat het op Protestants erf? Wij kennen de Oecumenische Beweging, die in de komende jaren een rol van uitzonderlijke betekenis kan gaan spelen, reeds hierom al, omdat verbindingslijnen naar alle oorlogvoerende landen in haar bureau’s samenkomen.

Wij horen nu ook van toenaderingspogingen tussen de richtingen. In Amsterdam discussieert men, in Delft wil men eveneens samenspreking. In Zwolle is het tot een oplossing gekomen, waarbij de orthodoxie (bij ons weten voor het eerst) spreekt over de rechten van vrijzinnigen. Ook in de Wieringermeer, waar tien jaar geleden een felle strijd woedde, en waar, volgens berekening, ook nu de vrijzinnigen de meerderheid zouden hebben, is tot aflassing van de strijd besloten.

Ziehier: contacten tussen contrasten. Bij deze laatsten ontveinzen wij ons niet, dat het steeds vrijzinnige meerderheidsposities zijn, van waaruit „godsdienstvrede” tot stand komt.' Het kan niet anders, of hier werken niet alleen vernieuwingen van godsdienstige overtuigingen. Het is ook de benarde positie van de christenheid als zodanig, gevoegd bij een verlangen naar nieuwe uitzichten, die hier stimulerend werken. Dit te zien, behoedt ons voor optimisme, zowel als voor pessimisme. L. H. RUITENBERG.