is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 32, 04-05-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZATERDAG 4 MEI 1940 – No. 32 38STE JAARGANG VAN DE BLIJDE V/ERELD

Aan God behoort de aarde en haar volheid. Psalm 24:1

Tijd EN Taak

RELIGIEUS-SOCIALISTISCH WEEKBLAD

ONDER REDACTIE VAN DR. W. BANNING ADRES DER REDACTIE: BENTVELDSWEG 5 – BENTVELD

VERSCHIJNT VIJFTIG MAAL PER JAAR – 38STE JAARGANG VAN DE BLIJDE WERELD A DI I iiTr.l—r Aiikir-rM-n

ABONNEMENT BIJ VOORUITBETALING PER JAAR F 3.40, PER HALFJAAR F 1.75, PER KWARTAAL F 0.90 PLUS 15 CENTS INCASSO – LOSSE NUMMERS 8 CTS POSTGIRO 21876 – GEMEENTEGIRO V 4500 – ADMINISTRATIE GEBOUW N.V. DE ARBEIDERSPERS, HEKELVELD 15, AMSTERDAM-CENTRUM

OM DE GRONDSLAGEN VAN HET SOCIALISME

In de laatste aflevering van „Het Fun* dament”, het tijdschrift van een aantal jongere socialisten, niet aan een partij gebonden, treft een merkwaardig artikel van Erik Martens, een der vaste mede* werkers, dat direct het religieus*socia* lisme raakt. De schrijver erkent, dat de socialistische beweging op het punt van haar geestelijke grondslag in moeilijk* heden zit, omdat de oude mythe ver* dween en de oude theorie te kort schiet, terwijl een nieuwe mythe („een symbool, een voorstelling, die samenvattend uit* drukking geeft aan het geheel van ons wensen, willen en streven) nog niet werd geschapen. Het religieus*socialisme zal, naar de ovetruiging van Erik Martens, niet de geestelijke vorm zijn, die aan het socialisme als algemeen verschijnsel beantwoordt. Hij voor zich zoekt nu naar een verbinding van mythe en rede, die dan wèl de geestelijke vorm zal zijn voor het socialisme van nu en de toekomst.

In de loop van het betoog komt dan deze uitspraak: „wij moeten af zien van alle uiterlijke zekerheden. Ook van die van de zin van het leven. Het plan waar* naar het leven verloopt, is ons niet be* kend en we weten niet of het er is. De enige zin, die we kennen, is die we zelf in het leven leggen. En de enige zin, die we er in kunnen leggen, is het streven tiaar de meest volmaakte ontplooiing van dit leven.” Daarbij wordt nadrukkelijk de geest als de hoogste mogelijkheid en macht van het leven gesteld, worden arbeid en makkerschap als fundamentele waarden genoemd.

Het merkwaardige stuk van Erik Mar* tens vraagt, zowel om zijn ernst als om zijn inhoud, enig antwoord onzerzijds. Twist over de vraag, of in de toekomst het religieus*socialisme de vorm van het socialisme zal zijn, lokt ons niet aan; wij hebben voorlopig de handen vol genoeg met de geestelijke strijd die aan de gang

is, en waarvan wij de uitkomst in ver* trouwen overlaten. Wèl vragen wij, of Erik Martens en de zijnen zich voldoende rekenschap hebben gegeven van het ver* schijnsel der religieuze socialisten, als deze uitgenodigd worden om genoegen te nemen met een nieuwe mythe, waar* aan de niet*religieuze socialisten vorm zullen geven. In hetzelfde nummer van „Fundament” staat een artikel van onzen vriend Ruitenberg, waarin hij terloops opmerkt, dat het reli* gieus*socialisme krachtens zijn relU gieuze instelling vuurbenauwd is voor ideologieën.” Ik beveel deze opmerking ernstig ter overweging aan. Wij kunnen, zielkundig, heel goed begrijpen, dat een ontwortelde proletarische massa der 19e eeuw door Kerk en Christendom ons barmhartig aan haar lot overgelaten, zich een „mythe” schept, en daardoor uit haar geestelijke armoede wordt opgehe* ven men vrage van ons niet, dat wij ons aan haar overgeven. De religieuze gehoorzaamheid verbiedt dit in de meest volstrekte zin.

Dat wordt mij nog scherper bewust als ik de bovenaangehaalde uiting over „de zin van het leven” lees. Er zit een bescheidenheid in, en een erkenning van den geest boven het leven, die ik zeer waardeer. Maar overigens: wat een on* houdbare filosofie. „Wij moeten afzien van alle uiterlijke zekerheden.” Accoord. „Ook van die van de zin van het leven”. Vraag: is een overtuiging, dat het leven zin heeft, een uiterlijke zekerheid? Of bedoelt de schrijver, dat wij ook af* stand moeten doen van deze overtui* ging, zelfs wanneer zij een innerlijke is? Als hij zegt dat het plan waarnaar het leven verloopt, ons niet bekend is, val ik hem gaarne bij: hij spreekt op zijn wijze uit wat de religieuze mens aldus formuleert: dat Gods gedachten hoger zijn dan menselijke (al zit er in deze

laatste woorden heel wat meer.) Maar als dan de uitspraak komt, dat „de enige zin, die we kennen is, die we zelf in het leven leggen” verbaas ik mij toch wel zeer.... Voert dit niet (zelfs wam neer aanstonds „arbeid en makker* schap” plotseling opduiken, tot wat men vroeger noemde „bodemloos subjecti* visme”? Jan legt er de ene zin in en Piet een andere; de socialist zegt: arbeid en makkerschap, de fascist zegt het onge* veer ook zo en voegt er en dicta* tuur aan toe; de nazi legt er in: de macht van het volk, en de estheet vergoddelijkt de schoonheid A.ls men de-stelling poneert, dat de mens, wij zelf, wij zoals we reilen en zeilen, wij feitelijk gegeven mensen, de zin in het leven leggen, zie ik niet hoe men ooit tot objectief gel* dige waarden komt. En als deze filosofie de nieuwe grond.slag van het socialisme moet zijn, dan is het verloren....

Mij dunkt afgezien van de verdere wijsgerige of riligieuze grondslag dat het socialisme alleen houdbaar is, in* dien het als innerlijke zekerheid vast* houdt enkele levenswaarden die objec* tief zijn en dus volstrekt erkend willen worden. Vermoedelijk bedoelt Erik Martens dat ook als hij noemt: arbeid en makkerschap. Lettend op Duitse, Italiaanse en Russische praktijken, zeg ik: dat is niet genoeg. Vrijheid, goede trouw, verdraagzaamheid, waarheids* liefde, barmhartigheid zijn meer funda* menteel. Maar daarover valt te praten. Echter niet over de vraag, of deze levenswaarden uitsluitend ónze inlegge* rij in het leven zijn —• immers dan ver* liezen zij elk bindend objectief karak* ter. Dan wordt de mens, een mythe der vrijheid najagend, opnieuw slaaf van zichzelf; dan wordt het socialisme puur individualisme. Gehoorzaamheid aan volstrekte waarden blijft het eerste

woord. W. B.