is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 33, 11-05-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BUITENLANDSE KRONIEK

Na de Noorse episode

Toen vier weken geleden de oorlog over Scandinavië uitbarstte, scheen het, alsof daardoor het aanzien van deze „zonderlinge krijg” zou worden veranderd. Noorwegen had het twijfelachtige voorrecht een bewegingsfront te vormen voor een oorlog, die anders achter enorme vestingwallen leek te verstenen. Vier weken lang raasde het monster binnen de steile fjorden van een vreedzaam en majestueus landschap. Het geraas is geluwd zelfs bij Narvik spreekt men van een ~Sitzkrieg”, al blijven hier nog evenementen mogelijk en in de rest van Europa herneemt de strijd, alle diplomatieke en psychologische beroering ten spijt, het spookachtig, onwezenlijk karakter, dat hem van de aanvang af had gekenmerkt.

De Noorse episode schijnt voorbij, wat er ook nog aan dit front moge gebeuren. Prof. Koht, die een maand geleden nog vurige protesten naar Londen zond, waarin hij voor zijn land het recht opeiste, door een strikte neutraliteitspolitiek buiten de oorlog te blijven, bevindt zich thans in de hoofdstad van het Britse Rijk en verklaart daar, dat de vrijheid van zijn land thans geheel afhankelijk is van de zege der Geallieerden. Zweden, een maand geleden nog hecht verbonden met de Scandinavische zusternatie in de handhaving der neutrale rechten, is thans blij, van het Derde Rijk een erkenning dier neutraliteit te kunnen verwerven, welke overigens in haar ongereptheid, bij een vrijwel volkomen isolement naar de Geallieerde kant, afhankelijk is van het hachelijke spel der Duits—Russische verhoudingen en van een onvoltooid militair apparaat.

Het web der Nomen, de Noorse schikgodinnen, van berg tot berg geweven, werd vanouds door stormwinden aan flarden gehaald; hoe zou het met der mensen politieke weefsels anders gaan?

Duister is het lot der Noren en zeer betrekkelijk is de troost, die sommigen meenden te kunnen putten uit de hoop, dat het vertrek der Geallieerden hun verdere bombardementen besparen zou. Naïeve en begrijpelijke illusie, zo geheel passend bij een volk, dat zich tot vlak voor de overval van geen gevaar bewust was. Natuurlijke reactie ook van een bevolking, die voor het eerst de wrede werkelijkheid van de moderne oorlog aan den lijve ervaart. Maar overigens speculatie op een „pauze”, met zware materiële en geestelijke offers aan een onverzadiglijken overweldiger betaald en van niet langer duur dan een wisselende krijgskans toestaat.

Wie eenmaal in de maalstroom van de oorlog is meegesleurd, hoeft er niet op te rekenen, voordat de vloed tot staan is gekomen, weer vaste grond onder de voeten te zullen vinden. Laten wij hopen, dat de Noren het hoofd boven water weten te houden, zowel in het nog vrije noorden als in het onderworpen zuiden.

Churchill-Göring

Voor de Geallieerden is de afloop der krijgsoperaties in Zuid- en Midden-Noorwegen een échec, waartegen zelfs een doorslaand succes in het uiterste noorden niet zou opwegen.

Men zegt nu wel; wanneer de Geallieerden slechts Narvik en de ertsspoorweg naar Zweden in handen hebben, is daarmee him oorspronkelijke opzet bereikt. Maar die oorspronkelijke opzet, welke leidde tot de aanleg der mijnenvelden langs de Noorse kust, werd onmiddellijk ontzaglijk verbreed, toen het ging om het bezit van heel Noorwegen zelf. Uitdrukkelijk kondigde de Britse regering aan, geen Duitse „bezoedeling” van de bodem der Vikingen te zullen dulden en een klein volk de knechting onder het vreemde juk te zullen besparen.

Het is na enige aanvangssuccessen, vooral bij de actie ter zee, die ongetwijfeld geen ogenblih mogen worden verwaarloosd de verminking van de Duitse vloot in de Noorse wateren blijft een factor van wezenlijke betekenis —■ enigszins anders gelopen. Tegen de ~Blitzkrieg” methoden te land waren de Geallieerden niet opgewassen. De wedijver tussen zeemacht en luchtmacht is nog niet beslist; na de eerste ronde in het Skagerrak voor ChurchiU is de tweede ronde bij Trondheim voor Göring.

Wij zullen niet in militaire bespiegelingen treden. Wat de oorzaak voor dit geallieerde échec is, laten wij aan de deskundigen over. Tot dusver concentreerden de verwijten in de Britse pers zich voornamelijk op de vraag, hoe de Geallieerden de expeditie-macht, welke voor Finland bestemd was en nog slechts enkele weken tevoren, volgens Chamberlain’s eigen zeggen, in de Kanaal-havens gereed lag, op zo korte termijn en onder zulke dreigende omstandigheden uiteen konden laten gaan. Het antwoord is tot dusver niet gezocht, voor zover ons bekend, in die zin, dat het bestaan van deze expeditie-macht, welke ten tijde van de Finse oorlog nogal plotselmg uit de lucht kwam vallen, zelf in twijfel zou kunnen worden getrokken. In dat geval zouden de Geallieerden eenvoudig van de ene bluf tot de andere zijn vervallen, waarbij zij lelijk te kijk zijn gezet. Maar dit alles zal wel voor opheldering op een later geslacht moeten wachten, dat alle verborgenheden vrij onthullen kan.

Meer nog dan in vredestijd sleept In een oorlog de ene blunder de andere na zich en kan de keten moeiUjk verbroken worden. Dat is waarschijnlijk op het ogenblik het noodlot van de Engelse politiek, welke in handen is van een stel leiders, die sedert de dekking van de statenmisdaad van Japan tegenover Mantsjoekwo in het jaar 1931 het werk van denzelfden Simon, die als financier in het huidige kabinet zetelt en daar als scherp vernuft stellig een belangrijke rol speelt de ene vergissing met de andere hebben pogen goed te maken. Als er één stelletje politieke leiders grondig heeft afgedaan, is het de huidige Britse regeringsploeg. Toch, de ervaring van deze week in het Lagerhuis leert het, is zelfs een zwaar échec, als in Noorwegen geleden, ondanks de storm in de openbare mening opgestoken, bijna onmachtig, een vernieuwing te weeg te brengen. Daarvoor is de macht van de partijbureaucratie, gewapend met het dreigement van broodroof tegen economisch zwakkere partijleden, te sterk; maar daarvoor is ook de noodzaak van continuïteit, van voortzetting ener bepaalde linie, al is zij nog zo slecht, in volle oorlogstijd te groot.

In zoverre komen de regeerders in het Derde Rijk en de gealUeerde landen, in het bijzonder in Engeland, overeen, dat in oorlogstijd hun positie eigenlijk alleen van buitenaf kan worden geschokt. Voor Engeland zal het ogenblik van een verandering misschien pas daar zijn, wanneer de natie, na een aantal verdovende slagen, waarvan het Noorse échec wel eens de beslissende kon blijken, alle ballast overboord gooit en de strijd aanbindt om het naakte bestaan; dan zullen wellicht vanzelf de hardste stukken uit de grote smeltkroes van mensenmateriaal naar boven komen.

In Duitsland kunnen Hitler c.s. zich veilig achten, zolang de oorlog op de kosten én op de bodem van anderen kan worden gevoerd. Tot dusver is dat in Polen en in Scandinavië gelukt. Tot hoelang en tot hoever kan deze tactiek worden gehandhaafd?

De Balkan splijf

De weerslag van het verloop der gebeurtenissen in Noorwegen heeft zich onmiddellijk over heel Europa doen gevoelen. De kleine staten, die blijkbaar gedoemd zijn, het gelag te betalen in deze oorlog, maken voor zich de balans der machtsverhoudingen op; al naarmate de geografische ligging valt deze ten

gunste van ChurchiU of van Göring uit. Zeemacht contra luchtmacht.

Nergens weegt het gewicht dezer beide wapens zo zeer als in de weegschaal, waaxin over het lot van Mussolini’s Italië wordt beslist. De Italiaanse militaire theorie is reeds jarenlang op de doeltreffendheid van het luchtwapen gebaseerd; Abessinië zowel als Spanje schenen onmiskenbare demonstraties, al betrof het altijd operaties tegen een vrijwel weerloze bevolklag. Het Duitse optreden in Polen en Noorwegen bevestigt dit prestige van het luchtwapen, al bleven de voorwaarden even onnatuurlijk. De Duitse jubelberichten over de resultaten van het luchtwapen in Noorwegen worden in Italië grif aanvaard en overgenomen; men denkt er de bevolking door af te leiden van de kwetsbaarheid, welke het Apennijnse schiereiland uit zee eigen is.

Daartegen is de demonstratie van de plotseling naar Alexandrië overgebrachte Brits-Franse vloot gericht. Dit vlootvertoon heeft de Italianen verrast; het valt nog, niet te zeggen de ontwikkeling der gebeurtenissen in Noord-Noorwegen zullen daarbij wellicht nog een rol spelen of de balans daardoor nog kan worden beïnvloed. Éénmaal, het was tijdens de Spaanse burgeroorlog, toen de Brits-Franse vloot na de conferentie van Nyon tot onderdrukking van de „piraterij” in de Middellandse Zee werd ingezet, heeft dit wapen Mussolini geïmponeerd. Of hij nu nog of nogmaals onder de indruk is?

Een andere vraag is, in hoeverre Italië zich niet reeds op het hellende vlak heeft begeven. Er is voor het plotselinge optreden van de Britse vloot in de Middellandse Zee en vooral voor de stopzetting van de scheepvaart door deze „hartader” van het Britse rijksverkeer nog altijd geen geheel bevredigende verklaring gegeven. De heftige toon van de Italiaanse redenaars en kranten wordt geen toereikend motief geacht. Van Russische zijde dacht men aan een binnenlands- politieke manoeuvre van de Britse regering, maar die zou dan toch wel heel kostbaar zijn geweest, ook wat de verhouding van Engeland tot Italië, Chamberlain’s stokpaardje, betreft.

Waarschijnlijk dreigden er toch wel ernstiger dingen; het bezwarende optreden van den Paus wijst ook wel daarop. Deze sprak van een ~ogenblik, waarop de stormwind loeit langs de Alpengrens”. Die wind krijigt zijn kracht minder van Franse kant, dan wel uit het noorden. De stelling is niet te gewaagd, dat Duitsland eindelijk aan Italië’s afzijdigheid een eind wil maken en dit land tot openlijke oorlogsvoering wil dwingen. Het best zou dit kunnen door een actie op de Balkan in te zetten; want daar ligt voor Mussolini, zolang de oorlog niet ten einde is, het naaste doel; het Imperium van de Middellandse Zee hangt pas van de totale overwinning af.

Er heerst gisting op de Balkan. Het ene volk wordt tegen het andere opgezet. Duitsland gebruikt de eigen vazallen, zoals Slowakije en Hongarije, tegen elkaar. Deining is er op de Donau. Beroepsintriganten en geroutineerde terroristen v£in het Derde Rijk spoken in de Balkan-steden rond. Vijftigduizend man „Poolse troepen” zouden in Oostenrijk zijn geconcentreerd. Wat zou Italië anders kunnen doen dan zijn deel pogen te verwerven, wanneer Duitsland Zuidslavië binnenviel? Is het ondenkbaar, dat Mussolini zelfs dan nog op geallieerde lankmoedigheid meent te kunnen rekenen; ook de Russen hadden in Londen vergeving kunnen krijgen voor hun actie in Polen; ChurchUl zeide het him duidelijk genoeg! Hoeveel te meer mag men van Chamberlain verwachten, dat deze zijn ~vriend” in Rome tot het uiterste de hand boven het hoofd zal houden. Vermoedelijk spreken hier echter ook de „bondgenoten”. Frankrijk en vooral Turkije, een woordje mee en die koesteren minder illusies over Mussolini’s handzaamheid. De kleine Z.0.-Europese staten wegen af; luchtmacht tegen zeemacht. Bij de Roemenen wint Göring het pleit; bij de Middellandse Zeestaten ChurchiU. „Roemenië’s toekomst is nauw verbonden met het resultaat van de oorlog in de Noorse fjorden”, lazen wij. Turken en Grieken kijken naar Alexandrië. Langzaam wordt de Balkan uiteengehaald. Maar wanneer de aarde splijt, dreigen er erupties of lawines!

B. W. SCHAPER.