is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 33, 11-05-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Proeven van Proza

Jef Last, Kruisgang der Jeugd. Brusse, Rotterdam 1939. Men zou dit boek kunnen aanduiden als ~een historische roman van het jongste verleden”. De bedoeling van de schrijver (schrijvers eigenlijk, want Last heeft een Duitse emigrant tot medewerker gehad) is om in het leven van een paar individuen een tijdperk te schüderen. Het gaat hun niet om Rinus, en ook niet om Frits, Hans en Paul, het gaat hun om de jeugd, „een verloren jeugd en een ten onder gaande generatie”, zoals zij het uitdrukken. Maar die jeugd is geen abstract begrip, geen stukje statistiek, die jeugd is tenslotte Rinus en Frits en Hans en al die anderen, ieder met hun eigen moeilijkheden. Jonge, levende mensen, die er geen gat meer in zien. Wat de schrijvers met hun boek gewild hebben, is aanwijzen ~hoe het zo gekomen is”. Wat zo gekomen is, en hoe het is gekomen, begrijpt men zonder uitleg in 1940 nog iets beter dan toen Last vóór de oorlog zijn boek voltooide. De schildering is duidelijk, maar het belang niet evenredig aan de grote omvang van de roman.

Waarom niet? O nee, niet omdat de opzet tendentieus is, of de vorm tweeslachtig, of het gegeven niet nieuw, maar eenvoudig omdat het niet voldoende tot een kunstwerk is geworden. Het blijft je niet bij, want het is niet sterk, niet indringend, niet dwingend genoeg. „Hij meent het goed”. Jawel.

Wat mij bij zal blijven, zijn een paar passages uit de voorrede, die ik hier voor u overschrijf. Daaruit ziet men dan meteen, dat „het goed menen” niet een ander woord is voor „het stuntelig zeggen”: er is een goed-menendheid, die alleen door zichzélf te zijn dwingt tot aandacht en tot respect.

~Wie met doorweekte kleren ’s nachts slaapt op de bank van een parkje, denkt niet aan ’s zomers vrolijk kamperen of dagen in de duinen met een meisje. Wie met een lege maag alleen in een vreemde stad staat, heeft geen visioenen van behaaglijk gezinsleven om een warme haard heen. Wie drie jaar lang zich vergeefs aan de arbeidsbeurs gemeld heeft, droomt niet meer van een diploma en de dag waarop hij als chef-machinist de machine zal besturen. Een goede kraak of een slag op iemands hoofd, waarin men tegelijk haat en woede van jaren uit kan drukken, schijnt eerder mogelijk en dichterbij dan vijf franken te verdienen met ~eerlijke arbeid”.

De opgeschoten jongens heb ik gekend, zij die om ieder orgel en alle relletjes samenscholen en die zich met de luidruchtigheid vanl hun geschreeuw tegen iedere verdenking van sentimenteel verlangen verweren.

De jongens die, over het stuur van hun fiets gebogen, langs straten en bruggen, klant na klant afrijden, ’s Zaterdags het geld uittellen in de magere hand van hun moeder en tevreden lijken met een kwartje zakgeld voor sigaretten. De jongens in de kolenmijnen, die de beslijkte laarzen der opzichters reinigen, die aan de lopende band grijze leisteen sorteren van tussen de zwarte stenen, de werkloos geworden vissersjongens, gehurkt aan de haven, de schreeuwers en hen die zich niet vermogen te uiten, de Don Juans der danszalen en hen die, angstig, tussen de ruïnes van een huis in afbraak, de liefde zochten.

En ook de strijdersfiguren heb ik gekend, de besten van mijn kameraden, dag en nacht in touw voor de beweging, bij wie het lijken kon alsof iedere hunkering, iedere leegte en hartstocht in het fanatisme van hun overgave gesublimeerd was.

Maar bij allen, zonder uitzondering, wanneer ik hen nader leerde kennen, heb ik als diepste kern van hun wezen, die zelfde eenzaamheid gevonden, dat zelfde gevoel: verloren te zijn in de wildernis en een allen doordringend smachten naar gemeenschap.

In het licht van de gebeurtenissen, die sindsdien gevolgd zijn, blijken vrijwel al de in dit boek verdedigde opvattingen meer dwaling in te houden dan waarheid. Haat en vertwijfeling verblindden voortdurend de blik van deze jongeren, het ongeduld hunner vertwijfeling

maakte, dat ze geen oog hadden voor de moeizame- constructieve arbeid die elders, gepresteerd werd, hun behoefte aan een ideaal verleende aan het communisme en de Russische heilstaat een glans, waarover wij thans nog slechts meelijdend glimlachen kunnen. Zo moest hun weg wei naar de ondergang voeren, hoe edel vaak ook hun bedoelingen waren. De arbeidersklasse zal geheel andere wegen moeten inslaan, dan die van het gev/eld en de onderlinge haat, welke de hier getekende catastrofe tot consequentie hadden. Voorwaarde hiertoe echter is een onderling begrijpen, waarop een nieuwe kameraadschap gebouwd kan worden.’’

Ziedaar met Last’s eigen woorden gezegd, waar het hem in dit boek om gaat. Dan is er Rinus, goeie jongen, met een sterk proietarisch sentiment, maar zonder inzicht; Paul, die niet deugt maar wat heeft hij ook voor een jeugd gehad, met vader op zee en moeder in de munitiefabriek —, en Frits en Hans, de eerlijke communist en de eerlijke nazi van vóór 1933. Kortom: demonstratiemateriaal. 475 bladzijden. Maar ik ken Hans en Frits nu ai niet meer uit elkaar

BOEKBESPREKING

Theun de Vries, De Freule. Van Loghum Slaterus, Arnhem 1940.

Of dit een aantrekkelijk verhaal is? Nee. Of het een voortreffelijk verhaal is? Ja. Ik reken het zonder aarzelen onder het beste werk van Theun de Vries, en ik reken De Vries tot onze beste proza-schrijvers.

„De Freule” maakt deel uit van de kroniek van het geslacht Wiarda, waarin voorts nog de novelle ~De Bijen zingen” en de romans „Stiefmoeder Aarde” en „Het Rad der Fortuin” verschenen zijn, deelt de colophon mee. Dat wil zeggen, dat de schrijver sinds „Stiefmoeder Aarde” niet meer op kan houden met schrijven over de familie Wiarda. Dat wil zeggen, dat de stof niet ophoudt hem te boeien en te inspireren, klaarblijkelijk omdat zij precies past bij zijn talent.

Een zwaar, taai, naar buiten weinig „tonend” slag mensen, de zodanigen die de stedeling oninteressant en misschien primitief vindt. Spaarzaam met woorden, onbeminnelijk, hevig in hun gevoelens, vreselijk in hun zeldzame uitbarstingen.

Zo’n type is ook de 16e eeuwse ~freule” Hester Wiarda, de boerendochter wier vader een ridderhofstee heeft gekocht. Een harde, trotse, ongenaakbare vrouw, voor de wereld getypeerd door mannenkleren en een ruiterpistool; kwetsbaar maar op één punt, in haar pleegzoon, het onwettige kind van haar zachtere zuster; zó kw'etsbaar tenslotte, dat de onvermijdelijke vervreemding bij het volwassen worden van Justus haar breekt naar lichaam en ziel, woest en gewelddadig. Wie wil, mag hier zijn psychologie op beproeven en in deze liefde het element van onderdrukte tederheid en dat van verdrongen hartstocht trachten te scheiden.

Het meesterlijke van De Vries is, dat hij zonder „psychologisch” te doen, krachtig en toch zonder enige nadrukkelijkheid, deze vrouwenfiguur en haar leven als een éénheid voor ons doet oprijzen. Het boekje zegt geen woord te veel, maar het overtuigt. In klein bestek is dit groot werk.

De stof van Last, en dan behandeld. Ik zeg niet met het meesterschap van De Vries, want ik sla de gaven van de een niet lager aan dan die van de ander; maar de stof van de sociaal verontruste, en dan verwerkt met dit koppig kunstenaarschap, wat een groot boek zou dat geven! Nu blijft het bij „proeven”.

M. H. VAN DER ZEYDE.

Jan Mens, De Gouden Reael (Uitgev. Cosmos)

De tweede roman van een met een prijs bekroonden auteur, zal die ons niet teleurstellen? Heeft de schrijver in zijn eerste succesroman niet alles gezegd, wat hij op zijn hart had? (Denken wij slechts aan Jolan Pöldes, haar „Straat van de Vissende Kat” en de Courths-Mahler-achtige romannetjes, die dan volgden).

~De Gouden Reael” van Jan Mens echter is ons nog liever dan „Mensen zonder geld”. Deze auteur

is sindsdien gegroeid, rijper geworden, en het duidelijkste bewijs hiervoor is deze roman, deze gestadig ruisende vertelling uit de Amsterdamse Bikkei'sbuurt van het begin dezer eeuw, met in het middenpunt de kroeg „De Gouden Reael”, haar waardin ~de dolle Griet”, haar dochter Jane, den drank- en vechtlustigen Hein Volkers en Jan Witte, den billardmaker uit Den Helder.

Wanneer deze jongen verschijnt, die zo heel anders is dan de vloekende, drinkende, niet aan de toekomst denkende mannen van de Bikkersbuurt, ontstaat het conflict. De jonge weduwe Griet voelt zich aangetrokken tot hem, zij helpt hem, zij wordt weer jeugdig en koket. Maar haar dochter blijkt sterker. Griet, de goede moeder, moet in eenzaamheid achterblijven, zij moet de weg vrij laten voor Jane, die spoedig Jane Witte zal heten. Zij moet lachen en vrolijk zijn; haar kind is immers gelukkig! En intussen sluipen kwade geruchten van huis tot huis. Daar men slecht is. wil men zo graag geloven, dat de ander nog veel slechter is. En Griet trekt op haar manier te velde tegen de roddelaars.

Het is een sterk boek, en vitaal zijn de mensen die wij hier ontmoeten, en boven allen uit: Griet. Griet, in wier hart het zondebesef leeft, het gevoel: wat ik eens misdeed, wordt nu aan mij gewroken. Zij heeft eens gezondigd. Nu zondigt haar dochter, en zij mag haar niets verwijten. Voor haar blijft alleen de rumoerige „Gouden Reael”. Het onderwerp heeft Jan Mens er niet toe verleid, bepaalde effecten door goedkope middeltjes te willen bereiken. Alles is uitermate beheerst. En

dat het Mens gelukt is Griet zo aan.vaardbaar en aantrekkelijk voor ons te maken, getuigt van zijn :<unstenaarschap. Zie, hoe het noodlot zijn gang gaat ; daar, op dat armoedige Bikkerseiland met z’n dronkaards, z’n gulle kinderachtige kerels hoe prachtig is de milieu-tekening I leeft deze Griet, een vrouw, die boeten en het grote offer brengen moet, en die aan het einde voor Jan Witte niets anders zijn kan dan: Moeder.

~De Gouden Reael” is een eenvoudige, ontroerende vertelling. (Eén fout: enkele uitroepen, woorden en zinnen worden onnodig vaak herhaald, b.v. „Hal” „Ha, die Hein!” „Ha, Jan Witte!” „Ha, die Jane!”)

Geen recensent zal dit boek van Jan Mens kunnen negeren. Degeen, die het geschreven heeft, was arbeider. Een reden te meer om er trots op te zijn en Jan Mens te feliciteren!

H. WIELEK.

Prof. Dr. J. Huizinga: ..Patriotisme en Nationalisme. Tjeenk Willink,

Haarlem, ƒ1.75. 111 pg.

Ziehier een geschrift, dat grote vreugde schenkt. Deze gebundelde lezingen, voor studenten uitgesproken te Leiden in Febr. 1940, handelend over twee brandende woorden „in de europeesche geschiedenis tot het einde der 19e eeuw”, geven een noodzakelijk inzicht in wat heden aan de orde is. Het geschiedt op echt-Huizingiaanse wijze: met een haast bedwelmend materiaal worden de woorden, waar het om gaat, ontleed, verstaan uit de geest van de tijd, steeds met al hun facetten gedemonstreerd. Dit maant wie ze uitspreekt tot voorzichtigheid. Naarmate de schrijver de grens van de 20e eeuw nadert, komt er een gloed over zijn woorden. Hij weigert weliswaar lijnen dóór te trekken; hij weigert ook een systeem te geven, nadat hij zo nadrukkelijk het eigen-aardige en het on-wetmatige van historische verschijnselen heeft vastgesteld. Maar juist daarom is dit boekje het boeiendst daar, waar hij, ondanks deze voorzichtige houding, tóch samenvattingen geeft, die oordeel over het heden inhouden. Dat is o.a. daar, waar de schrijver spreekt over de betekenis van ~het nooit bezweken Engeland” omstreeks 1815 (pg. 76), waar hij de ..Groszstaaterei” historisch een erger plaag vindt als de veelgesmade ~kleinstaaterei” (pg. 93) en waar hij tegenover het patriotisme, dat leeft in de sfeer der genegenheid, het nationalisme aan de zijde der twist stelt (pg. 109).

Wie deze woorden, thans slechts met geladenheid door ieder uitgesproken, opnieuw wil verstaan, doet goed dit boekje te lezen en te herlezen. Het is voor gepensionneerde generaals, voor sociaal-democraten en voor iedereen. L. H. R

Dr. A. van Selms: „God en de Men-

sen”. Ploegsma, geb. ƒ4.90.

Dit boek doet een triomftocht door de pers. Daar is alle reden voor. De Bijbel, het bekende onbekende boek, wordt hier na-verteld op een even indringende als sobere wijze. De schrijver volgt het bijbelverhaal, doet daarbij zijn keuzo en vertelt precies waar het in elk verhaal op aankomt, zonder uit- en inleggingen. Reeds eerder wezen wij er op, dat dit boek gelegenheid biedt tot een begin van geregelde Bijbellectuur. Wie de bijbeltekst leest na kennis genomen te hebben van wat Dr. van Selms schrijft, zal relief ontdekken.

Dit boek is vrijzinnig noch orthodox. Het is bijbels, zonder meer. Wij wensen het in vele handen. L. H. R.